Daniël Benoin

Pol Arias

Leestijd 5 — 8 minuten

Eerste Festival van de Europese theaterconventie

Saint-Etienne

In de Franse stad Saint-Etienne vond van 16 tot 26 november het eerste festival van de Europese Theaterconventie plaats. Ik woonde de eerste drie dagen bij, zag een paar voorstellingen en luisterde naar het eerste van een reeks van drie colloquia. Het gebeuren is vooral het initiatief van één man : Daniël Benoin. Acteur, regisseur, auteur en sinds 1975 directeur van het Centre Dramatique National in Saint-Etienne.

‘Daniël Benoin brengt uren en dagen door met te overtuigen, te verleiden. Concessies wil hij niet doen, hij brengt het repertoire dat hij wil, op de manier die hij verkiest’, schreef Colette Godard al in 1980 in haar boek Le théâtre depuis 1968. Inderdaad, hij praat als een stoomwals, weet vragen te ontwijken, maar klinkt toch oprecht. Hij regisseert niet alleen in eigen huis, maar ook elders. Zo leurt hij met regie-concepten : dat van Woyzeck reisde van Saint-Etienne naar Berlijn, Brussel en Antwerpen. De gesproken taal verschilde, het spektakel bleef hetzelfde. Vanuit zijn werk in het buitenland is dat plan voor een Europese theaterconventie gegroeid.

Daniël Benoin : “In een ander land werken is stimulerend voor een regisseur. Samen met die mensen ginder ontdek je andere culturen. Vanuit die aangename vaststelling is samen met de directeurs van het Théâtre National(Brussel) en de Staatliche Schauspielbühnen (Berlijn) in 1985 de Europese Theaterconventie ontstaan. In 1987 traden de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (Antwerpen) en de Cooperativa Nuova Scena (Bologna) toe. Ondertussen zijn er nog bijgekomen : Théâtre des Capucins (Luxemburg), Het Nationale Toneel (Den Haag), het Communa Teatro de Pesqiusa (Lissabon), het Centre Dramatic Generalitat de Catalunya (Barcelona), het Abbey Théâtre(Dublin), het Lyric Théâtre (Londen). In totaal elf theaters. Voorwaarden om toe te treden zijn dat deze theaters zoeken naar nieuwe auteurs en dat ze gemeenschapstheater zijn met een vast ensemble, een vaste technische ploeg en structurele en financiële middelen. Onze keuze is ook affectief, we willen geen ouderwetse theaters zoals het Koninklijk Theater van Kopenhagen of geen theaters die niet Europees denken zoals het National Théâtre van Londen. Ik geef toe, er zijn grote verschillen tussen de leden. Het Berlijnse gezelschap heeft 25 keer zoveel middelen als het mijne en wij hebben dan weer 25 keer zoveel middelen als dat van Lissabon. De Conventie staat open, andere theaters kunnen toetreden, we zijn op zoek naar Grieken en Denen en naar theaters uit Centraal- en Oost-Europa.”

Verder lezen we in de statuten dat er voorzien wordt in uitwisseling van voorstellingen, artiesten, technici en van pedagogische zaken. Er kunnen co-produkties opgezet worden, er komt een theatertijdschrift en een jaarlijks festival. Het nulnummer van dat tijdschrift verscheen tijdens dat festival. Daarin staan de statuten te lezen en worden de gezelschappen voorgesteld. Zo lezen we over de KNS : ‘Sinds 1986, onder de directie van Yvonne Lex, wordt er een vernieuwingsbeleid gevoerd dat sterke resultaten kent! creaties van autochtone dramaturgie, produkties van het grote repertoire met een eigentijdse tendens. Dankzij deze politiek neemt de KNS terug de plaats in die hem door zijn traditie toekomt.’ De teksten zijn gesteld in het Frans, het Duits, het Engels, het Spaans, het Italiaans en in een erbarmelijk Nederlands, het eerste nummer verschijnt in maart 1990 en zou, m.b.t. België, bijdragen bevatten van Ingrid Van der Veken en Jacques De Decker.

Benoin : “Aanvankelijk dachten we niet aan een festival, maar we wilden dat de theatermakers die de Conventie ondertekend hadden elkaar één keer per jaar zouden ontmoeten, die ontmoeting wilden we ook laten zien aan het publiek. Daarom is voor een festivalformule gekozen. Het volgende festival vindt plaats in Bologna, dan komt Barcelona en in 1993 Antwerpen.” De gezelschappen bepaalden zelf welke produktie ze op dit festival wilden laten zien, wie wou kon een voorstelling van een ander gezelschap uit eigen land mee inviteren. Het resultaat was een heterogeen aanbod, waarbij opviel hoe dat rijke Berlijnse gezelschap een solo-produktie afvaardigde. T.I.L. was present met Kreutzer Sonate terwijl de KNS het festival mocht openen met Woyzeck, maar dan wel als Belgisch-Franse voorstelling. Regisseur Benoin wou de taal als sociaal element nadrukkelijker laten werken door de ‘sociaal machtigen’ in het stuk Frans te laten spreken en de ‘armzaligen’ Nederlands, daarbij refererend naar de Vlaamse sociale geschiedenis. Dat systeem werd echter niet rechtlijnig toegepast : blijkbaar vreesde Benoin dat zijn premièrepubliek het stuk niet zou verstaan. Woyzeck hoorden we dus zowel Nederlands als Frans praten. Het moet gezegd, Hubert Damen deed dat met alle gemak.

Benoin : “Het voordeel van de aangesloten theaters is dat zij een infrastructuur hebben. Zo zijn we niet moeten gaan bedelen om met de Conventie te starten en het festival uit te werken, want we hebben daar drie jaar aan gewerkt. Dat betekent meteen dat alles gegroeid is vanuit de basis. De overheid in Frankrijk keek eerst argwanend temeer omdat Jack Lang het Europees Theaterproject van Strehler steunt. Maar bij de opening van het festival heeft hij mij gezegd dat we samen aan tafel moesten gaan zitten. Voor het festival zelf hebben we kunnen rekenen op de steun van de Europese Gemeenschap. Het is de eerste keer dat deze een zo groot budget heeft uitgetrokken voor een theaterinitiatief. Haar enige eis was dat we bij ons initiatief gezelschappen uit het Oostblok zouden betrekken. Daarom waren het Katona Joszef Theater uit Hongarije, het Centrum Sztuki uit Polen en het Vaktangov theater uit de Sovjet-Unie present op het festival.”

Niet minder dan drie verschillende colloquia, telkens gespreid over twee dagen, vonden tijdens dat festival plaats; Het eerste kreeg als titel: ‘Het theater in Europa, crisis van de institutie ? ‘ Daaraan werden vier zittingen gewijd, die achtereenvolgens gingen over de crisis in relatie met de overheid, de crisis van het vast gezelschap, de crisis van de creatie en de crisis van het publiek. Een enorm aantal sprekers uit heel Europa werd daarbij aan- en weggevlogen. Zoals altijd, te lange monologen en ijdel gepraat, hoewel toch een paar sprekers de vinger op de wonde legden. R. Abirached (gewezen hoofd van het theaterwezen bij het Franse ministerie van Cultuur) zette vraagtekens bij het begrip gemeenschapsdienst (service public). Dat is te vaag geworden en zou best veranderen in d’intérêt public. Dan moet de overheid kleur bekennen en laten zien dat ze de theaters wil steunen die ingaan tegen de regels der consumptie. Zijn (kortstondige) opvolger B. Dort vond dat er moet gekozen worden tussen project ontwikkeling of opdracht (mission). Er zouden twee vormen van theaterinstituties moeten komen: één die aan groepswerking doet en een ander die fungeert als doorgeefluik. Dat eerste dan niet zoals in Duitsland als supermarché de luxe. Tegelijkertijd moet opnieuw de klemtoon gelegd worden op de representatie van de theaterkunst en niet op de contemplatie ervan. Jack Ralite (communistisch politicus) vond co-produkties teveel patchwork en weigerde te kiezen tussen autoritair etatisme en publicitair affairisme. Sprekers uit Griekenland en Portugal voelen zich onwennig in het debat, zij hebben geen theatermogelijkheden, dus is er ook geen crisis. In Hongarije woedt inflatie, dus wordt voortaan zonder decors gespeeld. J. Ljoebimov dacht dat geld alleen niet helpt, eerst is talent en scholing nodig. Hij hoopte dat de landen in een eengemaakt Europa hun culturele identiteit bewaren en vroeg zich af waarom de angst voor de crisis op het einde van deze eeuw niet in theatervoorstellingen terug te vinden is. G. Beelitz (directeur van het Bayerische Staatsschauspiel) zag in het Duitse theater teveel geld, teveel mensen, te grote zalen. Zijn stadsgenoot HJ. Ruckhaberle (dramaturg Münchner Kammerspiele) geloofde niet in de crisis van het theater, maar had wel vragen bij de plaats ervan binnen de kunsten. Te gemakkelijk wordt vergeten, zo zei hij, dat publiek en artistiek succes samen de onafhankelijkheid tegenover de overheid bepalen. Auteur en theaterdirecteur D. Guénon wilde afstappen van een acteursgezelschap en de weg openen voor een collège d’artistes. Regisseur D. Mesguich wilde geen vast gezelschap, hij heeft er één van 150 acteurs in zijn hoofd. C. Etienne (directeur van het Théâtre du Rideau in Brussel) pleitte wel voor een gezelschap dat zich regelmatig vernieuwt en dankte de abonnees die bij het begin van elk seizoen een risico durven nemen. Jean-Claude Drouot (directeur Théâtre National) wilde nooit meer in een institutie werken. Arthur Sonnen (Holland Festival) zag in de ontmoeting in Saint-Etienne een overlevingspoging van de oude instituties. De enige aangekondigde Vlaamse spreker, Toon Brouwers (als redactiechef van De Scène), stuurde zijn kat.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Pol Arias

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.

recensie