Frank Peeters

Leestijd 3 — 6 minuten

Eendagswezens

NTG, Gent

Het werk van de Zweedse boy-wonder Lars Norén (°1944) werd in dit tijdschrift reeds uitvoerig voorgesteld, beklopt en gemeten (Etcetera nrs 13, 21-22). Deze aandacht weerspiegelt de belangstelling die de auteur geniet bij de Vlaamse theatermakers : op de creatie van Moed om te doden door Theater Malpertuis in december 1985 volgden in 1986 het NTG met Demonen en in 1988 KVS en Blauwe Maandag Cie met een opgemerkt Nachtwake. Zo opgemerkt dat Blauwe Maandag er dit jaar opnieuw mee uitpakt.

Voor Guy Joosten, “de jongste van de jonge theatermakers” (Etcetera 21-22) heeft het in niet geringe mate bijgedragen tot zijn – zeer verdiende – entree in de grote produktiehuizen; zijn gastregie van Eendagswezens (Endagsvarelser 1986) voor het tweede plateau van het NTG is hopelijk maar een begin.

Een stuk van Norén bijwonen is hoe dan ook een opgave. De redenen hiervoor zijn divers. Norén vertelt geen ‘verhaal’, d.w.z. de reeks van causaal-temporele gebeurtenissen, de fabula, is slechts een aanleiding, slechts pre-tekst. Dit verklaart het feit dat zijn stukken moeilijk parafraseer-baar zijn; Eendagswezens (maar net zo goed Demonen of Nachtwake) navertellen is schier onbegonnen werk. Wat telt is niet zozeer wat er gezegd wordt, maar wel hoè dat gebeurt. Centraal staan de communicatiestrategieën waarmee de antagonisten elkaar te lijf gaan. Daarvoor kiezen ze bij voorkeur de meest intense polarisatie, het duel, waarbij de uitwijkmogelijkheden minimaal zijn. Een eventuele terugtocht is zelden strategisch en bijna steeds oneervol. Toch zijn er vluchtheuvels (de badkamer, een leeshoek) en ze zijn even noodzakelijk voor de ontwikkeling van het dramatisch gebeuren als het strijdperk; hierdoor ontstaat immers de mogelijkheid het ritme te laten variëren waarbij bijtende dialogen worden afgewisseld met verbale rustpunten (monologen), heuse stiltes of gesprekken met communicatoren buiten het eigenlijke scenische gebeuren: de stemmen off-stage (o.a die van Charlotte uit Nachtwake), het telefoongesprek tussen David en zijn dochter Agnes (tussen John en Nina in Nachtwake), het dreigend geblaf van een hond in een videofragment.

Door deze open structuur geraakt de toeschouwer gemakkelijk verstrikt in de doolhof van strategieën en strategietjes van de diverse personages die vaak uit het niets ontstaan en even vaak nergens naar leiden. Het ‘dialoogmozaïek’ (programmaboekje) bij de aanvang van Eendagswezens is hiervan het meest pregnante voorbeeld. Alleen reeds om deze reden moet een receptie die uitgaat van een naturalistische premisse op een gefrustreerd afwijzen van Norén uitlopen. Het labyrint wordt bovendien bevolkt door allesbehalve onnozele halzen. Deze eendagswezens zijn stuk voor stuk gekwelde intellectuelen die zich ondanks hun materiële welstand – design meubilair en dito garderobe en de obligate batterij sterke drank (zeker in Zweden een statussymbool) – wentelen in hun respectieve mid-life identiteitscrisis.

Het begeleidende commentaar in het programmaboekje tracht mij ervan te overtuigen dat hier een haast universele tragiek wordt getoond (gepronk met dure namen als Dante, Gramsci, Rilke, Bataille of Lacan). Redden doet het Eendagswezens echter niet. De tekorten en uiteindelijk het falen ervan moeten op rekening worden geschreven van Norén, d.w.z. op rekening van de tekst. Het regieconcept van Joosten is in essentie hetzelfde als datgene wat ten grondslag lag aan het succes van Nachtwake.

Waar de potentiële valkuilen van dergelijke teksten in Nachtwake door de auteur werden vermeden of door de regisseur-bewerker behendig werden toegedekt (bv. door drastisch snoeiwerk), daar zijn ze in Eendagswezens irritant zichtbaar.

Zoals in de stukken uit Noréns zgn. Rouwtrilogie (DemonenAs en Nachtwake) staat of valt ook dit stuk in de mate dat de toeschouwer geboeid geraakt door de intensiteit en het ritme waarmee de personages elkaar beurtelings verbaal vitrioleren en de wonden betten. Opdat dit mechanisme empathie zou losweken is het bovendien noodzakelijk dat de getoonde situaties/personages herkenbaar zijn. In Nachtwake (en in mindere mate in Demonen*) werd aan deze eisen voldaan. In Eendagswezens echter ontbreekt grotendeels deze polarisatie van het koppel. Hierdoor vervalt in grote mate én de belangrijkste basis voor de dramatische spanning én de mogelijkheid het scenische gebeuren te verbinden aan de directe ervaringswereld van de toeschouwers. Hierdoor faalt Eendagswezens in wat toch een basisopdracht is voor het theater: het becommentariëren van het tijdsgewricht waarin het wordt getoond.

Ondanks de gestileerd-functionele (misschien wat té nadrukkelijk symbolische) scenografie, de – naar goede gewoonte puntgave – lichtregie van Steve Kemp en het behoorlijk acteerwerk (vooral van de mannelijke acteurs), slaagt het theater van Joosten er niet in het drama van Norén te redden.

Vooraan op het programmaboekje prijkt een afbeelding van Het vlot van Medusa van Théodore Géricault (1818, Musée du Louvre); het beeldt schipbreukelingen af die aan hun lot zijn overgelaten op de Middellandse Zee. Het mediterrane aspect terzijde gelaten, geeft het een treffend beeld van de situatie waarin de toeschouwer zich bevindt in confrontatie met dit zielegewroet.

Eendagswezens

Gezelschap NTG;

auteur Lars Norén;

vertaling Karst Woudstra;

regie Guy Joosten;

spelers: Chris Thys, Peter Gorissen, Chris Boni, Michel Van Dousselaere, Els Magerman, Nolle Versyp;

decor Hans Dieter Schaal;

licht Steve Kemp.

Gezien NTG 2 Minnemeers op 6 mei 1989

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Frank Peeters

recensie