‘De koopman van Venetië’ – KVS (1960-1961)

Clara Van den Broek

Leestijd 15 — 18 minuten

Een uitwisseling van energie

Het eeuwige nu van Dora van der Groen

‘Ik heb altijd gedacht dat de persoonlijkheid van wie voor de leerlingen staat het belangrijkste is.’ Clara Van den Broek, derdejaars aan het Antwerpse Conservatorium, in gesprek met haar leraar.

Drie jaar geleden stapte ik door de glazen deur van het Antwerpse Conservatorium het eerste jaar toneel binnen. Op de derde dag verscheen Dora van der Groen in het klaslokaal. Ze sprak over pijn, harmonie, universele liefde en aardappelen schillen.

Ik, voor mijn part, was volkomen gedetermineerd door plaats, moment en afkomst. Fris gewassen in het bad der Leuvense universiteit, was ik vastbesloten me niet te laten inpalmen door holistische mythes en waarheidsverlangen. Zo dicht als een blik, zo geknepen als een tang. Bovendien was de mythe van der Groen voor mij slechts een papieren en sonore mythe, een mythe van horen lezen. En ik zou me door haar muziek niet laten inpakken.

Nu ben ik een onvoorwaardelijke Dora-adept.

Een tijdje geleden sprak ik met Dora van der Groen tijd en plaats af voor een interview. Ik nam mij voor een strikt onderscheid te maken – zoals ik eigenlijk dag in dag uit doe – tussen ik-die-schrijf en ik-die-speel, tussen de medewerker van dit tijdschrift en de leerling van Dora van der Groen. Ik zou direct zijn, zakelijk en niet om een vraag verlegen. Toen ik naast haar plaats nam voor het interview, klopte mijn hart in mijn keel, maar ik was nog even vastberaden.

Even later was het alsof ik het bewustzijn verloor.

Zelfs de grootste acteurs onder uw oud-leerlingen beven nog steeds bij uw aanblik. Iedereen is vol ontzag voor u. Hoe gaat u met die ongelooflijke positie om?
(Ze kijkt me weinig aan, alsof ze zich moet concentreren. Ze kijkt uit het raam naar de schelle witte lucht, en naar de gebouwen, de weg, de auto’s. Later zal ze zeggen dat ze verlangt naar leegte, dat ‘die gebouwen, die auto’s’, ja ‘alles ballast is. Ballast’. En ze veegt daarbij iets van de tafel. Als ik haar mag geloven, waarom heb ik het dan in ‘s hemelsnaam over ‘posities’?)

Dora van der Groen: Die positie maak je niet zelf. Die wordt door anderen bepaald. Je wéét trouwens niet dat anderen vol ontzag zijn, dat vertellen ze je niet. Soms valt het mij wel op. Misschien straal ik iets uit, ofwel heeft het te maken met mijn positie. In de school vind ik dat jammer. Wat heeft die positie te betekenen! Niets. Wat je doét is belangrijk. Ik ben daar vrij eenvoudig in. Ik doe wat ik naar mijn gevoel moet doen, in geweten, liefde en vakkundigheid. Ik help mijn leerlingen bij hun ontdekkingstocht. Jaar na jaar blijft het een boeiende en altijd nieuwe ervaring. Het is een dialoog met de leerling. Je moet geïnspireerd zijn door elkaar, anders gaat het niet…. Het is wonderlijk. Bij sommigen moet ik zeggen dat het niet zal gaan. Eigenlijk gaat dat in tegen mijn wezen. Ik zie liever 60 gelukkige mensen dan 1 goede acteur. Maar goed, ik heb nu eenmaal een bepaalde positie aangenomen. Ik ben zo opgevoed dat ik die dan ook met respect vervul. Altijd met respect. Iemand anders had die positie net zo goed kunnen krijgen.

Kiezen voor het Antwerpse Conservatorium is kiezen voor Dora van der Groen, kiezen voor een bepaalde visie.

Dora: Het is een visie die we samen hebben: Ivo (Van Hove), Johan (Van Assche) en het hele team van leraren. Ik heb altijd gedacht dat de persoonlijkheid van wie voor de leerlingen staat, het belangrijkste is. Het is niet voldoende om de stof over te brengen. Je moet hen méér geven, zodat ze er ook in de wereld wat mee zijn, en niet alleen in hun vak. Je bent in de wereld aanwezig en daar moet je ook wat doen.

De studenten die afgestudeerd zijn aan het Conservatorium, of die een tijdlang bij u in de leer geweest zijn, lijken te beschikken over een gemeenschappelijke fond’.

Dora: Ja, een bepaalde stijl, een bepaald klimaat. Je kan het zien. Ik heb nooit gedacht dat dat er allemaal zou uitkomen. – Eigenlijk heb ik nooit gedacht aan lesgeven. Ik wil altijd aan alles ontsnappen. Ik doe pas iets met het mes op de keel. En dan voor 200%. Maar niets uit mezelf. – Dat gemeenschappelijke klimaat vind ik fijn. Achteraf kan je daar verklaringen voor zoeken. Mijn leerlingen moeten edel zijn. Allemaal zijn ze dat. Ze schuiven niet uit in banaliteiten of alledaagsheid.

Vindt u het belangrijk dat die kwaliteit wordt doorgegeven? Met andere woorden: waarom geeft u les?

Dora: Om dat bij hen te veroorzaken. Ik geef les omwille van de verwondering. Je komt in contact met mensen die een bepaald beeld hebben van iets dat ze willen gaan doen, maar eigenlijk helemaal niet zo goed weten waar ze aan beginnen. Ik wil hen daarin begeleiden, kijken hoe zich dat ontplooit. Kijken of in hen die dingen aanwezig zijn waarvan ik vind dat ze goed zijn voor een mens, dus ook voor een toneelspeler, zoals bijvoorbeeld: edel zijn, liefdevol en gewetensvol zijn. Het is een kick om te voelen of ze daarvoor ontvankelijk zijn, en of ik de dingen zo kan overbrengen dat ze er wat mee kunnen doen, van hen zelf uit. Ik probeer het proces los te maken door ze eerst te deprogrammeren: ze moeten zichzelf terugvinden. Dat proces versnellen is wat mij een kick geeft. Mensen kunnen zo snel, op een paar jaar, dingen laten vallen die opgekleefd waren en waaronder ze gebukt gingen of verstikten. Ik help hun kwaliteiten mee tot bloei brengen. Schroomvallig probeer ik vooral geen schade toe te brengen.

Beschouwt u het als uw plicht gevoeligheden als gewetensvolheid, liefdevolheid en edel zijn door te geven?

Dora: Met ‘plicht’ ben ik niet bezig. Trouwens, ‘ik’… Het zijn dingen die fundamenteel in mij aanwezig zijn, die ik waardevol en noodzakelijk vind, en waarvan ik wens dat ze zich veel méér zouden manifesteren. Ik denk dat de leerlingen zo dichter bij de Natuur komen: ze beginnen te bestaan, ze worden opgenomen in goede energieën. Ze zullen ervaringen hebben die wijder zijn dan detail en opsplitsing. Het is moeilijk om dat in woorden te zeggen.

Voor mij wordt het vooral duidelijk door uw fysieke aanwezigheid terwijl u het zegt.

Dora: Ja, dat is zo. Als er schriftelijk niets van overblijft, moet je dit gesprek maar beschouwen als een babbel onder ons. Dan laat je het maar, want anders kan je niet met mij praten. Ik kan het niet zeggen, want het is niet te zeggen. Daar gaat theater juist om. Theater is eigenlijk alleen maar een uitwisseling van energie. Dat kan je niet beschrijven.

U geeft les in het eerste jaar, tijdens het eerste trimester. U vindt het dus blijkbaar toch belangrijk dat u het bent die ons in de beginfase van onze acteursvorming in contact brengt met de kwaliteiten die u daarnet opnoemde.

Dora: Ja. Ik vind die basis heel belangrijk. Ook de anderen vinden dat ik daar het best voor geschikt ben, en ik vind dat eigenlijk ook. Dit jaar geef ik twee trimesters. Vroeger gaf ik het volledige eerste jaar les. Dat was beter, omdat ik dan een mooi programma kon afmaken. Maar op een bepaald moment heb ik de structuur van de opleiding veranderd. Vroeger waren hier twee hoofdleraars toneel. Toen ik één jaar les gaf, in ’79, ging er één van hen weg, en de andere ging met pensioen. Toen vroeg de directeur wat ik het beste vond: een nieuwe hoofdleraar naast mij, of de gage van die man of vrouw verdelen over andere vakken. Ik heb het laatste gekozen, want dan kon het programma uitgebouwd worden.

U zegt vaak dat u iemand bent die van moment tot moment leeft. Zijn toekomst en verleden dan niet belangrijk voor u?

Dora: Op het moment niet, nee (lacht). Ik ben aanwezig in de realiteit van het ogenblik.

Weinig mensen kunnen dat. Ik kan dat niet.

Dora: Maar jij bent nog zo jong. Jij kan nog van alles doen en ontdekken. En dat is goed.

Het is dus een inzicht waar u op latere leeftijd toe gekomen bent.

Dora: Ja, ik wel. Anderen hebben dat wellicht vroeger.

Als je jong bent, doe je alles in functie van iets anders, iets dat in de toekomst ligt. Een droom, een verlangen. En dus leef je niet in het nu.

Ze vertelt over de toelatingsproeven aan het Conservatorium. Dat die zich vroeger afspeelden op leven en dood.

Dora: Je zou doodgaan als je niet had kunnen toneelspelen. Nu is dat anders. Nu is het iets wat je ‘ook zou kunnen doen’, denken velen. Dat is natuurlijk niet waar. Nu zijn er meer dan 100 kandidaten die ingangsexamen komen doen. Vroeger waren dat er 20 of 25. Dat groeit en groeit maar. En in de Studio zijn er nog veel meer. Buiten Antwerpen is het Conservatorium eigenlijk niet zo bekend. Wij komen niet zo veel naar buiten. De laatste jaren pas zijn we begonnen met af en toe iets publiek te presenteren. Vroeger deden we dat niet. De school heeft wel meer bekendheid gekregen wanneer oud-leerlingen zijn beginnen spelen, en er nieuwe groepen uit de school zijn voortgekomen. Ik vind het ongelooflijk dat de mensen die aan de basis liggen of de kern vormen van groepen als Stan, De Koe, De Blauwe Maandag, De Tijd, De Roovers, uit deze school komen. Elk van die groepen heeft een eigen manier om met toneel om te gaan, hoewel ze dezelfde basis hebben gehad. Dat stelt mij gerust.

Vindt u het in die zin noodzakelijk dat uw leerlingen zich van u losmaken om hun eigen weg op te gaan? Men zegt soms van toneelspelersgezelschap Stan dat zij een moedermoord hebben moeten plegen om de specifieke eigenheid die ze nu hebben, te vinden, om te kunnen doen wat ze doen.

Dora: Dat is hun uitleg. (Ze kijkt me aan. Er is iets in haar blik.)

Dat weet ik niet. Het wordt vooral over hen gezegd.

Dora: Om een reactie te kunnen hebben, moet je eerst iets hebben waar je je tegen afzet. Je zou kunnen zeggen: hoe groter de reactie, hoe groter… neen, dat is niet juist. (Plots heel geanimeerd) Tja, als ze daar gelukkig mee zijn, dan vind ik die reactie prima. Dat is hun zaak. Ze zullen wel prachtig spelen. Daar ben ik zeker van. Je moet op je eigen manier spelen wanneer je hier buiten stapt. Dat vind ik nu net het belangrijkste. Maar die manier is iets wat groeit tijdens de opleiding, in een bepaalde groep met bepaalde energieën die elkaar vinden. En als ze hier buiten stappen zijn ze zichzelf. Dat is toch prachtig?

U vindt dus wel dat uw leerlingen zich van u moeten losmaken om hun eigen stem te vinden.

Dora: Zeker. Het gaat zoals bij opvoeden. Jij bent nu bijvoorbeeld alleen gaan wonen omdat dat nodig is. Voilà. Dat is precies hetzelfde. Als je op je eigen benen kan staan, is het in orde. Maar de weg daar naartoe moet wel een fundament bieden. Zo zie ik dat. Ik maak theater op mijn manier. Ik héb geen andere manier, ik zou het niet anders kunnen. En zij ook niet. Dus het is dik in orde. En dat woord ‘moedermoord’… (gekwetst) wat hoor ik nu… vind ik jammer. Ik vind dat niet edel, niet nodig. Ik vind dat nogal grof. Je moet je moeder toch niet vermoorden om alleen te gaan wonen. Het mag figuurlijk bedoeld zijn, het is toch een woord: het is niet ‘losmaken’, het is ‘moedermoord’. Dat vind ik kwetsend. Omdat je daar zoveel liefde in gestoken hebt, zoveel geweten. Zoals jouw ouders dat ook doen, laten we hopen. Je kan niets meer doen dan je best.

Ik ben vol van Stan. Waarom ga ik niet kijken als ze spelen? Er is één eigenschap waar ik niet zo van hou, en dat is zelfingenomenheid. Ik vond dat ze daar een beetje aan leden. Dat vind ik onvruchtbaar. Dat is stilstaan. Ik ben voor beweging en verandering. Maar ik berokken hen geen schade door niet te gaan kijken. Het zegt mij gewoon niet veel. Maar ik ben zeker dat ze prachtig spelen.

Je ziet dat ze een grond van u hebben.

Dora: Maar waar hebben ze zich dan tegen afgezet? Dat is wat ik niet begrijp. Frank Vercruyssen, bijvoorbeeld, vind ik geweldig. Ik ben gaan kijken – want ik ben wel een paar keer geweest – naar Het is volle maan en het wordt aanzienlijk frisser. Dat vond ik prachtig. Maar er is van hem veel verzet geweest in de lessen, het was moeilijk om hem tot bloei te krijgen.

Kijk, wanneer de leerlingen hier in de school aankomen, willen ze allemaal aan ‘underacting’ doen. Prima, want dat is de essentie, alleen de essentie. Maar je kan niet ineens als in een Japanse pentekening één streek zetten die de moeite waard is, ontdaan van al het overbodige. Om daartoe te kunnen komen, moet je eerst alle pellen af kunnen gooien. En om dat te kunnen doen heb je materiaal nodig: om een appel te schillen heb je een mesje nodig. Je moet er door bijten, en dan zie je een klokhuis vol pitten voor allemaal nieuwe appelbomen. Maar je kan niet zeggen: ik wil eerst de pit, want je moet eerst door de pel en dan door het vlees en dan door het klokhuis. En dan ben je bij de pit, en dan gaat de pit buiten, en die valt in de grond, en die wordt een eigen appelboom.

Ik ben onlangs gaan kijken naar De Nijl is in Caïro aangekomen van De Koe. Dat is ongelooflijk, virtuoos, onwaarschijnlijk. En dat is waarschijnlijk helemaal anders dan Stan, helemaal anders dan Het Zuidelijk Toneel, enz. Het zijn andere mensen, andere klimaten, andere wensen, andere inzichten. Allemaal bezig, en dat is goed. Alleen moet het voor mij wel een kwaliteit hebben, waarin ik mij kan herkennen.

Hebt u nooit zoiets ervaren als een generatiekloof? Vindt u het belangrijk dat u bijblijft bij de tijd?

Dora: Ik heb, doordat ik lesgeef, het grote voorrecht om met jonge mensen te blijven omgaan. Zij zijn nú, zij zijn nu jong. Bijblijven, tja. Je bent van je tijd, je bent sowieso met je tijd mee. Je weet eigenlijk alleen iets van het nú. Bijblijven is nú. Dat is niet in het verleden, want dan blijf je staan, en dat is niet in de toekomst, want dan maak je voor-onderstellingen. Maar de tijd verandert natuurlijk. Jullie zijn heel anders dan de generatie uit ’79: Lucas (Vandervost), Johan (Van Assche), Warre (Borgmans) en Perceval (Luk).

Ik heb nooit last gehad van een generatiekloof omdat ik de verandering zie. Ik hou van de verandering. De verwondering kan niet vastgelegd worden. Verandering doet mij leven. Want dan is het altijd nieuw. Ze zeggen: ‘Dat theater van vroeger, waarin ze stukken helemaal doorspeelden, komt wel terug’. Dat komt niet terug. Waarom zou dat trouwens moeten terugkomen? Het heeft natuurlijk wel 2000 jaar standgehouden, dus wie weet. Maar tegenwoordig nemen ze allerlei stukken, fragmenten, thema’s,… en daar maken ze zélf iets mee. Dat is beweging, leven. Maar ik zou dat niet kunnen. Ik ben daar niet bij. Wij hebben iets anders gedaan. In onze tijd is het theater uit de tempels getreden. Dat is volgens mij de grootste verandering geweest. Op zolder spelen, en in de kelders. De tijd van Saint-Germain-des-Prés, van Cobra, toen Claus jong was, en ik, en anderen. Dat was een andere tijd, met andere noden en een ander leven, een andere beweging. Was dat een betere tijd? Moest dat? De tijd gaat vanzelf. Hij stroomt. En jij bent daar een deel in aanwezig.

Was het een tijd van grotere revoluties?

Dora: Ja. Ik was in die tijd met Tone Brulin getrouwd. Wij hebben onze laatste 3000 fr. aan de huur van een zolder gegeven, om te kunnen spelen. We aten voor erg weinig geld. Dat kan je je nu niet meer voorstellen. Maar het heeft ook geen belang, nú. Geschiedenis, wat ben jij daar nu mee? Dat je denkt: wat heb ik het toch luxueus? Wat een flauwe kul! Is het belangrijk dat theater uit de tempels is gekomen? In die tijd wel. Is het belangrijk dat ze nu thema’s nemen en zelf stukken in elkaar steken? Belangrijk is een slecht woord. Het is niet belangrijk: het lééft zo. Belangrijk zijn de menselijke waarden en de menselijke waardigheid. Liefde, aandacht, tederheid, respect, eenvoud, dat is belangrijk.

Misschien is het net om die eenvoud te bereiken ‘belangrijk’ dat je de geschiedenis kent.

Dora: Verander jij zoveel doordat je op de hoogte bent van al wat er gebeurt in de wereld? Ga jij daardoor een beter mens worden? Ik geloof het niet.

Weten is iets anders dan zijn.

Dora: Absoluut. En toneel gaat parallel met dat leven. Het is die parallelgang die ik interessant vind. Omdat dat openbaringen zijn van minuten. Het leven openbaart zich, manifesteert zich. Dat je die loop bewust kan meemaken, dat is het leven. En is het leven belangrijk? Ja, misschien wel. Het is boeiend.

U hebt ooit gezegd dat u een boeiend leven heeft.

Dora: Ja, dat vind ik wel. (Ze mijmert even.) Ja, in ’50 had je de grote veranderingen. Nu is er de technologie die het theater komt insluipen. Dat is ook een grote verandering.

Is er tegenwoordig een bepaald soort toneel waar u meer aanklank bij vindt dan bij een ander?

Dora: Ik ga niet graag naar toneel. Het proces interesseert me: hoe kom je van de gedachte van een schrijver tot de uitzending. Ik heb gezien dat dat energie is. Heel het vak is energie: trillingen die je uitzendt en trillingen die terugkomen. Een uitwisseling in aanwezigheid van de ander. Dat wordt heel erg beïnvloed door de omstandigheden: het is telkens anders. Maar er worden wel patronen afgesproken en vastgezet. Die herhaling gaat een beetje in tegen mijn natuur. Je kan natuurlijk ook zeggen: er is geen herhaling, want het gaat telkens om een nieuw moment dat geboren wordt in een nieuwe omstandigheid. Dat is ook waar. Zij die willen spelen, voelen dat ook zo aan. Ik wil geen toneel spelen, dus leg ik het omgekeerd uit.

U speelt toch af en toe?

Dora: Ja, film. Maar niet in aanwezigheid van het publiek, niet in dezelfde adem als het publiek.

Hoelang is het geleden dat u toneel hebt gespeeld?

Dora: (Denkt na.) Van ’58 tot ’63, vijf jaar dus, was ik bij het theater. Dan ben ik naar de radio overgestapt, waardoor ik ook voor de televisie ging spelen, in films. In ’72 heb ik Mistero Buffo mee gecreëerd. Daar heb ik zestien voorstellingen van gespeeld. Tien in het Nederlands en zes in het Frans, met omswitchen van rollen. Gewoon fantastisch. De regisseur, Corso, heeft me terug aan mezelf gegeven. Want ik had onnoemelijk veel succes gehad. En succes is totaal waardeloos. Op het moment zelf is dat aangenaam, maar verder heeft het niks te betekenen. Trouwens, dat merk je wel. Dat ik vroeger zoveel succes heb gehad, interesseert vandaag toch niemand meer, behalve theaterwetenschappers misschien. Ik bedoel: mensen moeten van jou houden, niet van je succes. Eigenlijk is het succes ook een vorm van houden van, in dat ogenblik zelf dan. Dan is het waardevol. Maar onmiddellijk daarna is dat niet meer zo. Jij bent er niks mee, dat ik zoveel succes heb gehad. Je wéét het alleen maar.

Dat is zo. Allicht is het iets anders waardoor u mensen raakt.

Dora: Ja. Raar, niet? Dat is herkenning, denk ik: mensen wensen zich te (her)kennen. Als ik goed theater zie, dan voel ik mij daarmee verbonden: ik wil natuurlijk met het goede verbonden zijn. Zonder dat je je daarvan bewust bent, gebeurt er heel veel wanneer je een stuk goed vindt. Wanneer ik bijvoorbeeld het verhaal van Medea léés, vind ik dat wel erg, maar ben ik niet in tranen. Maar wanneer ik ga kijken in het theater, dan snotter ik wel. Dat komt door dat levend moment, dat moment van uitwisseling, van herkenning, van: jij bent ik en ik ben jou, nu. Zo is dat. Jij ziet er alleen wat anders uit dan ik, en ik ben een beetje ouder dan jij. Maar dat heeft geen belang. Waar wij elkaar vinden, zijn wij één. Dat één zijn is wat je opzoekt: jij zoekt jezelf in mij en ik mijzelf in jou. Vindt de andere mij niet, dan gaat hij naar iets anders kijken. C’est tout. Er is geen goed of slecht theater. Je kan die beoordeling pas maken vanuit een bepaald standpunt, en dat is belachelijk.

Als er maar ontroering is?

Dora: Natuurlijk. Daar ga je toch voor naar het theater. Anders ga je voor je slechte eigenschappen, wat natuurlijk ook mogelijk is. Misschien wil je wel dat ze allemaal heel slecht zijn. Want het is me wat in de theaterwereld: ‘die is zo’, en ‘die is niet goed’, en ‘die is wel goed’, en ‘heb je de kritieken gelezen, ze hebben er nogal van langs gekregen’, enzovoort. En dan denk ik: willen jullie echt in dat wereldje leven? Ik niet. Echt niet. Dat heb ik ook niet gedaan. Dat interesseert me geen sjiek. Liefde, tederheid, respect, dat interesseert mij. En dat probeer ik aan de leerlingen te geven. Ik denk dat het dat is wat herkenbaar is. Dat is misschien wel iets dat blijft.

Stel: de dag dat u ophoudt met lesgeven is aangebroken. Wil u zelf uw opvolger kiezen of geeft u de school volledig uit handen?

Dora: Ik geef het uit handen. Want ik ben er dan niet meer. Ze zullen het mij ook niet vragen. Bovendien is het niet meer zo dat je weet: daar is iemand van wie ik iets wil weten, naar wie ik toe wil gaan, die mij iets te zeggen heeft. Een Leraar. (Ze lijkt verward. Een frons op haar voorhoofd.) Ik ben ook niet zo voor ‘school’. Er is te veel dwang bij. School is wel goed omdat het een plaats biedt waar je met sommige mensen een langer contact kan hebben. De school, dat zijn de leraars. Maar verder komen er te veel praktische zaken bij kijken. Ik vraag al van in ’78 een eigen gebouw, bijvoorbeeld, en ik krijg er geen. Dat is twintig jaar. Wat heb je dan te vertellen? Niets.

Stel dat Piet Pladijs uw school komt overnemen en dat alles wat u hebt opgebouwd verloren gaat.

Dora: Dat kan niet. Dat is niet zo. Want dan zal jij of iemand anders er iets mee doen. Er zal wel iets van overblijven, in iemand. Maar wie mij hier op school precies opvolgt wanneer ik dood ben, dat is niet zo belangrijk. Eigenlijk is die opvolging er al. Jij bent er ook al een stuk van. Als je iemand bent tegengekomen, en je hebt een goede uitwisseling gehad, en er is iets veranderd in jou, dan betekent dat heel wat. Dat kan je niet meer wegmaken. Dus die opvolging is er nu al. Wat een geluk. (Ik bedenk dat haar oud-leerlingen vaak haar woorden, haar taal, hebben overgenomen. Van Peter De Graef over Frank Focketyn en Sara De Roo tot Dimitri Leue. Ze spreken in termen van ‘universele liefde’, ‘kleuren, ‘blokken of ‘laten aantasten’. ‘Doraans’ waarvan de uitleg hier te veel plaats zou nemen.) Misschien wordt er met wat ik doorgaf wel iets anders gedaan dan theater. Als ik een brief krijg van iemand die hier op school heeft gezeten maar tegen wie wij hebben moeten zeggen dat het niet verder kon, en die nu een heel ander leven en beroep heeft, en die schrijft mij ‘ik heb zoveel aan uw lessen gehad’, dan vind ik dat veel belangrijker. Dat is belangrijk voor mij. En als ik ga kijken naar De Nijl is in Caïro aangekomen, en ik zie die twee (Frank Focketyn en Peter Van den Eede, nvdr), en het is zo… zo in orde, zo waar, dan betekent dat ook heel veel. Het is allebei even belangrijk.

U hebt mijn leven ook grondig veranderd.

Dora: Echt? Ik doe dat niet met opzet. Dat gebeurt. Dat vind ik fijn. Als ik dan achteraf zie wat ze allemaal aan mij ophangen, dan denk ik: o, is dat zo? Ik heb altijd met de beste intenties lesgegeven. Het zullen dus die intenties zijn die dat hebben laten veranderen. Als ik dat achteraf bekijk, ben ik blij dat ik er zo goed van af kom. Het had anders kunnen zijn. Ik had mensen kunnen kapot maken, verwringen, verneuken.

U hebt de macht erg veel teweeg te brengen, ook al gebeurt dat, zoals u zelf zegt, ondanks uzelf.

Dora: Ik ben overgevoelig, en ik heb een heel ruimtelijk bewustzijn. Ik denk dat, als je als leerling door dat pakket heen kunt lopen, je daar mee wat van opneemt, van dat ruimtelijk bewustzijn, van die fantasie en van die klimaten. Ieder heeft zijn klimaat: dat kluwen van klimaten maakt een stuk. Dat gebeurt natuurlijk naar aanleiding van een gegeven, een tekst bijvoorbeeld, of, zoals ze nu doen, van iets dat je zelf opzoekt en bij elkaar puzzelt en waaruit je opstaat. Het is een spel. Ik ben eigenlijk een speelvogel. Een clown ben ik. Dat hebben collega’s trouwens wel eens geschreven. Ja, een clown ben ik. Ik kan de meest tragische dingen oproepen en het zal lachen geblazen zijn. Gek hè.

gesprek
Leestijd 15 — 18 minuten

#67

15.03.1999

14.06.1999

Clara Van den Broek

Clara Van den Broek is romanist. Ze studeerde Culturele Studies aan de KU Leuven en volgde een acteursopleiding aan het Conservatorium in Antwerpen.

gesprek