© Rik Baeyens

Leestijd 8 — 11 minuten

Een theaterstudent met een zesde zintuig

Armin Mola zet dialecten en registers op speelse wijze in de spotlight

Is de Nederlandse taal op zich niet al ‘meertalig’? KASK-dramadocent Sébastien Hendrickx gaat in gesprek met student Armin Mola. Die lijkt wel over een zesde zintuig te beschikken, dat hem bijzonder sensitief maakt voor de complexiteit van dialecten en sociolecten, zowel binnen als buiten de grenzen van het Nederlands. Als geen ander kan hij schakelen tussen verschillende vormen van taalgebruik, dikwijls met hilarisch effect. ‘We springen nog niet bewust genoeg om met taal op de scène.’

In de mockumentary Zelig (1983) speelt Woody Allen een man die zich als een kameleon voortdurend aanpast aan zijn omgeving. Bevindt hij zich in het gezelschap van psycho­analytici, dan begint hij plots pijp te roken en de gekste psychoanalytische theorieën te verkondigen; in een sportarena duikt hij vanuit het niets op als een honkbalspeler tussen de honkbalspelers. Switchend tussen milieus is hij nu eens gangster, dan lid van de high society, keukenhulpje, democraat of republikein.

Met zijn scherpe waarnemingsvermogen en talige empathie heeft Armin soms iets weg van Zelig. Al heeft hij gelukkig geen last van de extreme onzekerheid en behaagziekte waar het filmpersonage aan lijdt, integendeel. Uit Armins speelse metamorfoses spreekt net een brandende nieuwsgierigheid, de lust tot onderzoek en experiment. Van praten met Armin over taal word je je al snel hyperbewust van je eigen specifieke woordgebruik en tongval…

Laat ons beginnen met een heel eenvoudige vraag. Al kan die evengoed ingewikkeld zijn… Wie zijt gij?

Armin Mola: Dude. Dat is focking toevallig. Ik heb een rapsong gemaakt die ‘Wie zedde gij’ heet. (Zingt een stukje) ‘Wie zedde gij, zedde gij? R­-Mind of Armain?’ Ben je die rapper van op straat? Of ben je den Armain, even white als ons? In Turnhout ben ik ‘àrmin’, in Limburg ‘Oarrmin’. In West­Vlaanderen noemen ze me ‘Armen’, met de korte ‘e’. Brusselaars zeggen ‘Armien’. De meest juiste uitspraak is ‘Aarmien’, in het Perzisch, met de lange ‘a’. Maar dat zegt niemand hier. Ik ben 22 jaar oud. Ik ben gefascineerd door taal, door theater, door hiphop. Ik ben gewoon een heel gelukkige dude die graag doet wat hij doet.

Wie is R-Mind?

AM: Dat is mijn stage name als rapper en mijn alias als ghostwriter voor andere rappers. Ik verzon die naam toen ik 15 was. Als R-­Mind bracht ik singles en een ep uit, en trad ik op vele plaatsen op. Sinds covid ligt het wat stil. Nu presen­teer ik hier en daar op festivals en evenementen. R-­Mind staat voor ‘our mind’ of ‘Armin’s mind’.

Welke talen spreek je?

AM: Perzisch was de eerste taal die ik sprak. Dat is mijn moeder-­ en vadertaal. Daarnaast: Nederlands en Engels. Mijn Frans is middelmatig tot goed. Ik houd er enorm van om Amerikaans Engels te spreken. Dat was de taal van de cartoons die ik keek op Cartoon Network en Nickelodeon. Toen ik 14 was had ik een hele goeie maat, Tonio Caruso. Hij was van de States. Zijn moeder sprak ‘Nèèidewrrlands met de American R ‘aawrr’. Ze zei: ‘Awrrmin ben jij gistewrren naar daawrr gewèèist?’ Het klonk bijna Hollands, maar toch niet helemaal. Tonio zelf, die sprak gewoon Turnhouts, maar had vaak uitschieters als ‘yeah bro, but I ain’t go do that shit’. Ik had ook een vriend uit Manchester, James. Hij en zijn ouders spraken soms posh as fock. Hij zei bijvoor­ beeld iets als: ‘Momm, am teekin da boss with Aormin.’ Ik weet niet hoe zo’n zin voor jou klinkt, maar ik kom gewoon literair klaar! (Lacht)

Still van videoclip van Level Up, R-Mind

Je sprak over het Perzisch als je ‘moeder- en vadertaal’. Wat is een vadertaal?

AM: Ja, nu vraag ik me af of dat wel bestaat, een ‘vadertaal’? Stel dat mijn vader Vlaams zou spreken en mijn moeder Perzisch. Dan is Vlaams mijn vadertaal en Perzisch mijn moedertaal, toch? Maar wat als ik vanaf mijn geboorte Vlaams had gesproken, en pas vanaf mijn vijfde Perzisch. Zou Perzisch dan nog mijn moedertaal zijn?

Ik denk dat je moedertaal de taal is die je het eerst aanleert. Al kunnen we het begrip natuurlijk anders invullen.

AM: Mijn moeder spreekt zelf een gek Turks Perzisch met mijn oma, waar ik niets van snap. Eigenlijk is dat mijn moeders moedertaal. Ze is van Ahwaz, tegen de grens met Irak. Er zijn zoveel verschillende dialecten in Iran! Mijn pa is van Teheran, waar ze weer een ander Perzisch dialect spreken. Ik ben geboren in Karaj op een uur van Teheran.

“In Callboys lette ik op het accent van Rik Verheyen. Ik wilde gewoon zien: hoe werkt dat? Hoe slikken die hun medeklinkers in? Waarom spreken die de ‘g’ niet uit?”

Spreek je nog vaak Perzisch?

AM: Met mijn ouders. En met mijn broer, als we thuis zijn. Anders spreek ik gewoon Nederlands met hem. Met zijn vrienden op een festival spreken we soms plat Turnhouts. Wanneer ik op een feestje een heel knappe dame tegenkom die toevallig van Iran is, dan begin ik heel graag in het Perzisch te flirten. (Lacht) En met mijn barbier in Leuven spreek ik het ook. Veel Iraniërs die hier al lang wonen zijn zich erg bewust van de racistische blik. Ze praten daarom soms sneller Nederlands in plaats van Perzisch met elkaar.

© Tuur Van Boxem

Zelf kan je je in verschillende Vlaamse dialecten uitdrukken. Hoe begon je daarmee?

AM: Een viertal jaar geleden raakte ik gefascineerd door het West­-Vlaams. Een goeie vriend van me, ‘Stèèijn’, welja… ’em behon helik zo te klappn’. Ik zei hem meteen: ‘Dude, ge moe mij da echt lere’. Ik heb gewoon jarenlang geluisterd naar hoe hij praatte, en keek daarnaast naar televisieseries in het West­-Vlaams zoals Bevergem en Eigen kweek. In Callboys lette ik op het accent van Rik Verheyen. Ik wilde gewoon zien: hoe werkt dat? Hoe slikken die hun medeklinkers in? Waarom spreken die de ‘g’ niet uit? Wanneer spreken die de ‘g’ op een vreemde manier uit? Zoals in: ‘Ma kom skart em, gga keer wegg.’ Iemand die West­-Vlaams zou nadoen zou ‘weh’ zeggen, maar dat is niet zo. Het is ‘wegg’.

Spreek je alleen West-Vlaams met Stijn?

AM: Soms, als ik in Ieper ben, doe ik alsof ik een West­-Vlaming ben. Tot ik door de mand val. (Lacht) Dan vragen ze: ‘va woa zie je?’ ‘Kben von Ipper.’ ‘Ja, echt woar? Van woa?’ Dan probeer ik: ‘van de Kerkstroate zessentwintih.’ ‘En woar èj up skole gezeetn?’ ‘Upt colléége!’ In Limburg doe ik dat ook, maar ik kan dat taaltje minder goed. ‘Als ghin Gèènk zejt, da ge dan gewoonn zoo begjint te sprèèken…’ Zie, ik moet nog wat oefenen. (Lacht)

Wat vind je van het Turnhouts, het dialect waar je mee opgroeide?

AM: In Turnhout spreken sommige mensen ‘KEI! STRAK!’. Je hebt dat echt niet in andere provincies. Ik had een leer­kracht muzikale opvoeding die zo sprak. Mevrouw De ‘KIN!der’ van ‘KA!sterlee’. In Arendonk, een deelgemeente van Turnhout, spreken ze nog anders. Ben Seghers bijvoorbeeld, de acteur uit de serie Safety First, die spreekt echt ‘Oarendoenks’. ‘Ik hem tejust tèigen Iengried gezèij…’ Ik leerde Turnhouts op het voebal, bij het utgoan, de Chiro, in de basketbalploeg. Van de white people. Op de pleintjes sprak ik straattaal.

Wat is het verschil?

AM: Straattaal is constant in evolutie. Vroeger spraken wij misschien toch iets meer Turnhouts zoals de oude witte garde. Vandaag zit de taal op de pleintjes vol Surinaamse, Arabische en Franse leenwoorden. Ik ben nu 22 en woon in Gent. Met sommige shit ben ik helemaal niet meer mee. De straattaal verandert voortdurend omdat er veel meer mensen met andere roots zijn, die allemaal hun steentje bijdragen. Het is toch behoorlijk grappig om een Poolse jongen te horen praten met een Marokkaans accent. (Lacht) Iedereen zegt de hele tijd ‘inch’Allah’ en ‘mash’Allah’ en ‘wollah’, zelfs al zijn ze geen moslim. ‘Ewa’, wat ‘hallo’ betekent, was niet lang geleden het kinderwoord van het jaar. ‘Ewa ja’ is iets dat ik best veel zeg als ik met mijn vrienden spreek. Het zal nog zo hard veranderen. Over twintig jaar spreken mensen in morsecode met elkaar! Dan blijft er niks meer van het Turnhouts over. Maar dat is net het interessante aan taal, dat ze de hele tijd evolueert. Iemand gebruikt een woord, en iemand anders vindt dat cool. Zo waait het van het ene pleintje naar het andere, en van dat pleintje naar de school.

Vanwaar komt je interesse in taal?

AM: (Denkt lang na) Ik denk dat ik gewoon geïnteresseerd ben in mensen, en waar ze vandaan komen. Misschien is dat omdat ik zelf heel vaak de vraag heb gekregen. Ik ben die dude die in Iran is geboren, die via Bosnië­-Herzegovina, Kroatië, Slovenië, Italië en Calais naar België is gekomen. Dan ben ik van Turnhout naar Leuven verhuisd. Ik werkte veel in Antwerpen en nu woon ik in Gent. Heel veel mensen stellen me die vraag: ‘Vanwaar kom je?’ Ik kaats de vraag dan vaak terug – ‘vanwaar kom jij?’ – en dan zijn ze altijd een beetje gechoqueerd. Ze zeggen: ‘Ik heb dat niet, ik ben niet speciaal.’ Terwijl juist elke persoon speciaal is. Er zijn zoveel West-­Vlamingen wier ouders zo plat als iets tegen hen spreken, terwijl zij in het Algemeen Nederlands antwoorden. Dat is interes­sant! Ik ben gewoon de focking loser die daar de hele tijd op focust. Tot in detail. (Lacht)

Still uit Hoodie van VRT en Hotel Hungaria

Je speelde al mee in verschillende televisieseries, zowel voor kinderen als volwassenen. Welk Nederlands gebruik je daar?

AM: Ik heb een soort standaard Algemeen Nederlands-­achtig accent, met wat Kempische klanken. In een van de series waarin ik speel zou ik eigenlijk een Brusselse ket moeten zijn. Eerst dachten de makers dat het beter was geweest als ik echt van Brussel­-Brussel kwam. Tot ze me hoorden praten. (Lacht) Ik let er bijvoorbeeld goed op om mijn l’en heel dun te houden. In het Turnhouts zeggen we ‘Llejllik’. Met een dikke ‘L’, echt vanuit de keel. In Brussel klinkt dat hele­maal anders.

Krijg je dictielessen binnen de theateropleiding?

AM: Anders dan in Nederland, waar die standaarduitspraak nog wel belangrijk lijkt, doet dictie er in het Vlaams theater niet echt meer toe. Hier vinden mensen juist de puurheid in je accent. Ze vinden het beter als je het dicht bij jezelf houdt. We zijn nog steeds Vlamingen, hè. Die zeggen: ‘Doe maar niet te zot. Doe maar gewoon.’ Op het KASK leren we natuurlijk wel articuleren en onze stem te project­eren, maar er is geen duidelijke standaard meer. Ik houd nochtans van dictie. Ik heb me daar destijds toe gepusht. Toen ik als vijftienjarige aankwam in Leuven was ik de slechtste van de klas. Ik besliste om elke dag een kwartier te werken op de uitspraak van de a, de e, enzovoort. Voor de spiegel. Op een keer kwam mijn pa binnen en die vroeg: ‘What the fock zijt gij aan het doen?’ ‘Dat zijn mijn spieren pa, I’m working out!’ (Lacht) Aan het eind van het jaar haalde ik 85 procent, terwijl de meesten van mijn medestudenten rond de 70 hingen.

Je slamt ook. Zijn er qua taalgebruik grote verschillen tussen slam poetry en theater?

AM: In slam letten de meesten heel sterk op hun uitspraak. Ikzelf gebruik steeds de standaardtaal die ik nu spreek. Het is gewoon belangrijk om goed verstaan­baar te zijn, want het is erg moeilijk om een gedicht mee te volgen zonder dat je de tekst in je handen hebt. En een slammer switcht dan ook nog eens van tempo, toonhoogte, klankkleur. Je moet elk woord kunnen snappen. Pas dan kan het publiek echt meedoen, door de slammer te steunen of ertegen te rebel­leren. In theater heb je een andere focus. Toeschouwers hoeven niet mee te doen, en ze hoeven niet alles te snappen. Je wordt op een andere manier geraakt. Als speler kan je ook met je lichaam of met een klank iets vertellen.

“Ik leerde Turnhouts op de voebal, bij het utgoan, de Chiro, in de basketbalploeg. Van de white people. Op de pleintjes sprak ik straattaal.”

Welk publiek wil jij aanspreken als theatermaker?

AM: Enerzijds wil ik gewoon mensen raken. Mensen. Niet alleen zij ‘met een migratie­achtergrond en een leeftijd tussen de 18 en de 30’. Anderzijds is het gemiddelde theaterpubliek absoluut niet het publiek waarvoor ik eigenlijk wil spelen. Het liefst van al zou ik veel meer kleur willen onder de toeschouwers, veel meer jonge mensen. In Turnhout zie je in de hele buurt rond De Warande – met het Kasteeltje, de gevangenis, de school Sint­-Victor en het station – veel mensen van kleur. Toch zie je in De Warande, een cultureel centrum, net het omgekeerde: veel witte midden­klassers. De jongeren van het pleintje, die komen niet naar het theater. Ik hoop dat zij later wel de weg naar het theater vinden.

Waarom komen ze niet?

AM: (Denkt lang na) Veel van de mensen die ik nu nog af en toe spreek, zeggen me dat ze theater toch maar saai vinden. Wat focking bullshit is! Ik zeg dat ook meteen: ‘Dude, gij weet niet over wat de fock gij aan het praten zijt.’ ‘Ot keje mulle! Skartem!’ (Lacht) Maar zij hebben het gevoel er niet op hun plek te zitten. Ze zouden misschien wel komen kijken voor mij, maar dan niet een week later naar een andere maker gaan.

Zelfs al is die van migratieachtergrond! Het heeft te maken met de ideeën die mensen hebben bij het woord ‘theater’, en met de desinteresse van veel leer­krachten. Die kondigen schoolvoorstel­lingen aan als (met gespeeld verveelde toon): ‘Volgende week gaan we nog eens naar theater.’ De leerkracht lijkt bijna te zeggen: ‘Ja jongens, ik weet dat het niet plezant is maar we moeten het doen.’ Maar het is wél plezant. Theater is kapot leuk.

In welke taal of talen wil je liefst theater maken?

AM: Geen idee. Ik weet wel dat ik taal nooit wil gebruiken om me achter te verschuilen. Ik wil taal gebruiken om iets te zeggen. Ik wil mensen in hun ogen kunnen kijken als ik iets zeg. Niet met angst. Soms is het beter om niks te zeggen, om andere dingen te doen, met je lichaam te spreken. Blijven nadenken over hoe je iets zegt, dat is voor mij de challenge van de komende jaren.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 8 — 11 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, schrijft over podiumkunsten en beeldende kunst, doceert in het KASK en en werkt als dramaturg en podiumkunstenaar.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!