(A)

Evelyne Coussens

Leestijd 9 — 12 minuten

Een paleisevolutie

Een interview met kersvers directeur van HETPALEIS Els De Bodt

Op 1 augustus 2016 komt er een eind aan een tijdperk van pioniers: na Eva Bal (KOPERGIETERY, Gent) en Oda Van Neygen (BRONKS, Brussel) neemt ook Barbara Wijckmans, de laatste van de drie grandes dames van het jeugdtheater, afscheid van ‘haar’ HETPALEIS. Deze doorstart van het Koninklijke Jeugdtheater vervelde in 1997 onder impuls van Wijckmans tot Vlaanderens grootste jeugdtheaterhuis. Opvolger Els De Bodt krijgt een ferme boîte in handen van zo’n vijftig werknemers (waarvan sommigen al meegaan sinds de tijd van het KJT), gesitueerd in het zo stilaan behoorlijk verouderde gebouw van de Antwerpse Stadsschouwburg aan het Theaterplein. Gebouw, ploeg en geschiedenis nopen De Bodt tot ‘temporiseren’, zoals ze het voorzichtig uitdrukt-nog voor de officiële aanvang van haar mandaat blijkt dat een modernisering van de bedrijfscultuur zich niet zomaar laat afdwingen.

Temporiseren dus, niet alleen intern wat betreft de hervorming van het ‘bedrijf HETPALEIS, maar ook in de verhouding tot de stad Antwerpen, waar met een snel groeiende groep kinderen van niet-westerse roots superdiversiteit een hot issue is. Voor De Bodt mag die nieuwe realiteit voluit binnendringen in alle geledingen van HETPALEIS, maar organisch, niet door krampachtig te proberen de kaart van het niet-westerse te trekken. De beoordelingscommissie zag het anders. Ze vond het project van HETPALEIS voor de periode 2017-2021 onvoldoende ‘sociaal’, lees: te westers-artistiek. De Bodt windt zich op wanneer ze erover spreekt-alsof ze niet zou beseffen in welke stad HETPALEIS staat … Haar aanpak is niet die van de radicale omwenteling, maar van vele kleine ingrepen die op alle niveaus de aanwezigheid van een divers (makers)publiek in HETPALEIS mogelijk maken.

Gezonde pragmatiek, deze strategie van ‘druppels op een hete plaat’, of een schrijnend voorbeeld van too little en too late?

E.C. Barbara Wijckmans kwam aan het hoofd van HETPALEIS in 1997, een tijd die financieel, politiek en etnisch-cultureel helemaal anders was voor de Antwerpse cultuurhuizen. Kan je de verschillen tussen 1997 en 2016 concreet benoemen?

E.D.B. ‘Financieel is het plaatje snel duidelijk. Door de besparingen op Vlaams, stedelijk en provinciaal niveau heeft HETPALEIS de jongste jaren net zoals veel huizen de tering naar de nering moeten zetten. Dat heeft geresulteerd in een aantal ontslagen en geschrapte producties, maar vooral in een voortdurende financiële evenwichtsoefening. Wij hebben als enige van de jeugdtheaterhuizen een grote zaal, het is dus onze verantwoordelijkheid om die in te zetten, maar grote-zaalproducties zijn niet goedkoop. Daarnaast vind ik dat we tegenover de andere Antwerpse gezelschappen ook een receptieve verantwoordelijkheid hebben. Het is dus een voortdurend afwegen van prioriteiten en dat is op zich gezond, maar je voelt wel dat er vroeger meer kon.’

E.C. Ook de politieke context is niet meer dezelfde als in 1997, en HETPALEIS is een ion (instelling van openbaar nut, red.) met een politiek samengestelde raad van bestuur. Hoe sterk is de lokale politieke druk?

De Bodt: ‘Artistiek ondervind ik geen bemoeienis, wat ik wel voel is dat er boekhoudkundig zeer scherp wordt toegezien en dat ik mijn artistieke keuzes voldoende zakelijk moet motiveren. Vroeger leek het er soms op alsof de plannen vanzelf passeerden. Dat is niet meer het geval, maar zolang ik de projecten kan verdedigen stelt zich geen probleem.’

Flyers in boekentassen

E.C. Veruit de belangrijkste evolutie is de demografische en etnisch-culturele verandering die de stad Antwerpen de laatste twintig jaar doormaakt. Diversiteit moet volgens het subsidiedossier van HETPALEIS een vanzelfsprekendheid zijn in alle geledingen, maar bij de makers die het huis de komende jaren structureel aan zich bindt, zit er geen enkele met een etnisch-diverse achtergrond.

E.D.B. ‘Ik kan dat heel simpel verklaren. We hebben met al die makers gesproken. Een deel van hen wilde niet voor het jeugdtheater werken, een ander deel had geen interesse in de grote zaal en van een laatste deel vonden wij het artistieke project niet overtuigend. Ik wil er ook op wijzen dat het gaat om de structurele makers; we hebben daarnaast wel samenwerkingen met Dahlia Pessemiers, met Rimah Jabr, met Moussem… Ik zie de integratie van superdiversiteit in de werking van HETPALEIS als een organisch en breed proces. Neem nu de eigen personeelsploeg, die is al behoorlijk divers, maar vooralsnog hoofdzakelijk in de uitvoerende functies. In de toekomst willen we vacatures voor elk niveau gerichter bekendmaken bij een divers publiek, maar het zal altijd de beste man of vrouw blijven die de job krijgt, ongeacht afkomst. Net zoals het de core business van HETPALEIS blijft om straffe producties te maken, ongeacht de kleur of achtergrond van de makers.’

E.C. Wat ‘straffe producties’ zijn, zullen critici zeggen, is afhankelijk van je westerse, blanke bril.

E.D.B. ‘Kijk, dat vind ik nu echt te gemakkelijk. In ons artistieke parcours streven we ernaar om met elke maker, westers of niet-westers, een traject af te leggen op maat. Dat betekent dat we met alle artiesten, blank of niet-blank, hetzelfde gesprek voeren en kijken of er een match is tussen wat zij willen verwezenlijken en wat wij kunnen bieden. In dat gesprek gaat het om de kwaliteit van het project en de noodzaak van de maker. Dat blijft voor mij de essentie.’

E.C. In hoeverre moeten de makers binnen HETPALEIS rekening houden met hun doelpubliek, dat steeds minder wit kleurt en het Nederlands niet meer als moedertaal heeft?

E.D.B. ‘Kunstenaars mogen maken wat ze moeten maken in de grootst mogelijke artistieke vrijheid en in wezen moeten ze dus geen rekening houden met een “doel-publiek”-maar HETPALEIS moet dat wel, ik moet dat wel. En dus ga ik met de kunstenaars het gesprek daarover aan. Freek Vielen gaat voor het eerst iets maken voor kinderen, rond het thema “waarde”-wat heeft waarde voor iemand, wat heeft betekenis? Artistiek doet hij wat hij wil, maar we vragen hem wel om zich bewust te zijn van het feit dat hij zich zal verhouden tot een publiek dat misschien andere “waarden” vooropstelt dan hijzelf. Daarnaast zit er ook een evenwicht in het soort voorstellingen dat we maken.

Met fABULEUS is dat een voorstelling rond Prince-al gepland nog voor hij stierf, trouwens-die wellicht dansant en woordloos zal zijn, dus toegankelijker voor kinderen met een andere moedertaal. Of neem de educatieve omkadering. Nu wordt er een lesmap gemaakt, maar volgend seizoen willen we experimenteren met kinderen die naar een avant-première komen en daar in hun klas over vertellen, zodat je peer- to-peer-communicatie hebt. Met de schoolvoorstellingen bereiken we een divers publiek, met de vrije voorstellingen nog niet-we gaan flyers in de boekentasjes van de kinderen steken om de informatie te laten doorstromen naar huis …’

E.C. Zonder denigrerend te willen doen, maar: rekent HETPALEIS op flyers in boekentasjes om een divers publiek in zijn zalen te krijgen? De groei van deze generatie is niet gisteren begonnen, ze is al twintig jaar bezig. Het lijkt alsof HETPALEIS nog maar net wakker geschoten is.

E.D.B. (aarzelt) ‘Ik kan daar natuurlijk weinig over zeggen, ik sta aan het begin van mijn eerste seizoen. Er waren in HETPALEIS zeker al een aantal dingen geïnitieerd, zoals het werken met OKAN-klassen (OnthaalKlas voor Anderstalige Nieuwkomers, red.), maar het was misschien niet genoeg. Los daarvan geloof ik niet in een aanpak die de hele werking van een huis overhoop gooit. Het zit voor mij in een organische integratie op verschillende niveaus: het gesprek met de makers, de keuze van de productie, de omkadering van de voorstellingen, het diversifiëren van het personeelsbestand. Dat zijn allemaal kleine, kleine initiatieven ja, druppels op een hete plaat. Daarom ben ik zo blij dat ik dat ene seizoen heb voor de nieuwe beleidsperiode, om ideeën uit te proberen, om initiatieven te testen: wat marcheert er, wat niet? Die druppels zijn het begin. Je mag me over vijf, maar zelfs misschien pas over tien jaar op deze inspanningen afrekenen.’

E.C. Je wordt er nu al op afgerekend: de beoordelingscommissie noemde het project van HETPALEIS niet sociaal-artistiek genoeg.

E.D.B. (windt zich op) ‘En dat vind ik wel straf, eerlijk gezegd. Diversiteit was geen criterium van de minister, het was een aandachtspunt-dat is iets helemaal anders. Dat het nu als criterium wordt gehanteerd, vind ik problematisch. Het werken met de OKAN-klassen is natuurlijk minder zichtbaar dan een aantal namen van makers van etnisch-diverse achtergrond in je programmaboekje. Maar maakt het ene meer verschil dan het andere? Ik heb meegelopen in zo’n OKAN-workshop, waar kinderen van vluchtelingen een dag werkten rond “de toekomst? Zo’n kind van dertien zei me: ‘De toekomst?

Er heeft me niemand een morgen beloofd. Ik denk daar niet over na.’ Je zag ze hier ‘s ochtends onwennig binnenschuifelen, in de loop van de dag onder je ogen openbloeien, en hoe ze ‘s avonds buitengingen-dat was om te dansen. Dàt is wat één dag kan verwezenlijken, één dag waarin kinderen de kans krijgen om via creativiteit hun gevoelens uit te drukken. Het lijkt me relevanter dan dat ik hier een aantal makers in huis zou halen van diverse afkomst maar in wiens artistieke project ik eigenlijk maar half geloof. Het is niet dat ik me niet bewust ben van de superdiverse realiteit van deze stad. Ik verkies gewoon een organische evolutie, op vele, verschillende kleine niveaus, boven het bombast van de revolutie.’

E.C. Sommige mensen vinden dat het tijd is voor revolutie.

E.D.B. ‘Wel, ik vind dat niet. Ik vind dat onze prioriteit nog steeds bij de kunsten ligt, omdat die kunsten kinderen kunnen laten groeien, àlle kinderen, zowel Mohammed als Leon. En ik wil werken voor allebei, voor Mohammed én voor Leon, en voor Emma en Hassim, en voor alle kinderen die hier wonen-dat zijn voor mij allemaal dezelfde kinderen. Alleen maar werken voor Mohammed wil ik niet-hoe stigmatiserend is dat? Het grootste probleem blijft dat Leon hier spontaan zal binnenwandelen en Mohammed niet en daaraan moeten we werken, dat is onze opdracht, ja.’

One Down

E.C. De diversiteitskwestie gaat voor HETPALEIS samen met een bredere participatiegedachte die in het dossier als HETHUIS wordt omschreven: de idee dat het ‘eigenaar-schap’ van HETPALEIS bij zijn makers en zijn publiek moet liggen, dat makers en kinderen bottom-up het huis Vormen’. Klinkt mooi, maar hoe verwezenlijk je dat concreet?

E.D.B. ‘Door van je huis een open huis te maken, waar ook buiten de voorstellingen iets gebeurt. Op dit moment zijn de makers te weinig betrokken bij alles wat buiten hun productie valt: ze komen hier iets creëren en ze zijn weer weg, terwijl ik graag zou zien dat ze hier niet alleen zijn voor hun voorstelling, maar voor het huis in zijn geheel. Hetzelfde geldt voor het publiek. Jongeren verhouden zich niet tot zalen, maar tot plekken. Mijn dochter is twaalf, die heeft op Instagram haar wereldje dat een bepaalde straal bestrijkt; ik zou graag hebben dat HETPALEIS bij zo veel mogelijk Antwerpse kinderen tot dat wereldje gaat behoren. Dat gevoel van eigenaarschap is niet gemakkelijk te creëren want HETPALEIS is een intimiderend groot huis. Maar ik geloof dat je veel kunt bereiken met-alweer-kleine ingrepen: een werkplek voorzien waar makers tussendoor kunnen lezen of schrijven, een speelhoek voor kleine kinderen, een huiswerk-plek voor jongeren, … En zorgen dat er samen gegeten wordt, dat is cruciaal. Nu wordt hier enkel ‘s middags gekookt, waarom zou er niet ook ‘s avonds een warme maaltijd worden voorzien voor de artiesten? Of wie weet: voor het publiek? We hebben al een idee gelanceerd waarbij de vaste makers op zondag samen met een groep kinderen naar de markt gaan, ingrediënten kopen, samen koken en eten. En intussen elkaar leren kennen.’

E.C. Wringt het verlangen om van HETPALEIS een stedelijke ‘hub’ te maken niet met de grote internationale ambities die uit het dossier spreken? Kan je tegelijkertijd op micro-en op macroniveau, op niveau van de stad en van de wereld werken?

E.D.B. ‘Je formuleert het nu als een spreidstand, maar dat is het niet. We moéten inzetten op internationalisering: in Vlaanderen is er behalve het IMPORT/EXPORT-festival van BRONKS en het Krokusfestival in Hasselt geen internationaal jeugdtheaterwerk te zien, en dat vind ik een gemis. Maar het internationale festival dat we plannen zal stevig verankerd zijn in de stad: we zijn nu al aan het kijken op welke manier we de producties die we uitnodigen kunnen inbedden in een breder traject met kinderen van hier, via workshops of andere omkadering. Het internationale moet de stad worden ingezogen en tegelijkertijd willen wij met producties graag internationaal gaan, om die vreemde invloeden daarna terug mee te brengen naar HETPALEIS.’

E.C. Hoe schat je op dit moment de kwaliteit van het Vlaamse jeugdtheaterveld in?

E.D.B. (voorzichtig) ‘Het jeugdtheater van vandaag is relatief braaf. Wat ik zie is meestal degelijk en goed gemaakt, maar vaak ook risicoloos. Die makheid heeft te maken met het mechanisme van vraag en aanbod dat de keuze van de scholen dicteert. Scholen spelen graag op zeker, omdat ze weinig middelen hebben voor cultuur en die ene theateruit-stap dus meteen een “voltreffer” moet zijn. Ik vind dat wij als grootste jeugdtheaterhuis tegen die hang naar veiligheid moeten ingaan. Als directeur van Het Theaterfestival heb ik de voorbije jaren behoorlijk wat theater gezien, maar de toppers werden niet gemaakt binnen het jeugdtheater. Wat HETPALEIS moet doen is op zoek gaan naar makers die iets te vertellen hebben en die koppelen aan een jong publiek. Die kunstenaars hoeven niet uit het “jeugdtheatercircuit” te komen. Ik heb het over Stef Lernous, over Berlin, De NweTijd … in het binnenbrengen van die namen zit voor mij een cruciale verbreding/

E.C. Het kind is de jongste decennia ook ontdekt als consument, met grote en dure spektakels. Wat moet HETPALEIS daartegenover zetten?

E.D.B. ‘Voorstellingen die radicaal het verschil maken. Wat kabinet k creëert is moeilijk, ja, maar verdorie, wat doet zo’n voorstelling niet met een kind? Naar Unfold ben ik met de kinderjury van Het Theaterfestival gaan kijken, en die productie is het het langst van al in ons hoofd blijven hangen. Dàt is het soort theater dat wij moeten brengen, net omdat we gesubsidieerd worden en niet moeten leven van eigen inkomsten, daarom moeten net wij die risico’s nemen. Dat betekent niet dat we geen cadeautjes voor het publiek kunnen maken-we blijven bijvoorbeeld vasthouden aan de traditie van een “kerstshow”, alleen wordt die in 2018 geregisseerd door Stef Lernous. Dat is een artistiek en kwalitatief antwoord op de shows van het musicalhuis naast de deur, en bovendien zijn de toegangstickets drie keer zo goedkoop, dus ik zou niet weten waarom families niet naar hier zouden komen. In Remember the Dragons dat Berlin gaat maken zitten de meest fantastische verhalen van en over kinderen van over de hele wereld. Dàt moeten we doen, de blik naar buiten richten. Ik vind dat we ook daarmee een maatschappelijke rol opnemen-maar dan op een artistieke manier.’

E.C. Het lijkt de rode draad door alles wat je zegt: HETPALEIS moet volop inzetten op het sociaal-emancipatorische, maar via de weg van de kwalitatieve cultuur of de ‘hoge’ kunsten, niet ten koste daarvan.

E.D.B. ‘Het artistieke zal voor mij altijd voorop staan, omdat ik ervan overtuigd ben dat de kunsten een kind werkelijk kunnen helpen, vooruithelpen. Ik weet dat uit eigen ervaring. Ik ben opgegroeid in een niet-evidente gezinssituatie maar ik heb me als kind kunnen verliezen in boeken-de schoonheid van literatuur is voor mij een houvast geweest, een ankerpunt, zonder dat ik dat toen zo bewust besefte. Wie ik nu ben, wat ik nu ben, dat ben ik deels dankzij de kunsten. Neen, theater moét niets, zoals op de muren van HETPALEIS staat geschreven, maar het kàn wel veel: daarover gaat het. Dàt wil ik aan zoveel mogelijk kinderen meegeven. Het is de reden waarom ik deze job doe; het besef dat je voor een kind echt een verschil kunt maken. En telkens er eentje met zo’n glinstering in zijn ogen naar huis gaat, denk ik: one down.’

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 9 — 12 minuten

#145

15.06.2016

14.09.2016

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

interview

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!