Peter Anthonissen

Leestijd 4 — 7 minuten

Een overstromend bad

Begin dit seizoen was ik vastbesloten komaf te maken met een zes jaar oude gewoonte. Ik zou niet langer notities nemen tijdens een voorstelling. Het zou mijn kijken verfrissen en mijn schrijven een nieuwe impuls geven. Mijn voornemen bleek even ijdel als naïef. Verder dan een handvol voorstellingen zonder mijn vertrouwde schriftje kwam ik niet. Sindsdien doe ik opnieuw zoals voorheen.

Eigenlijk had ik het kunnen weten. Het nemen van notities is bijna een onderdeel van mijn schrijfproces geworden. Het heeft wel een evolutie doorgemaakt. Aanvankelijk een geheugensteuntje, is het tot dwang verworden. Ik ‘moet’ losse observaties, gedachten, flarden theatertekst… neerschrijven voor ik ‘verder’ kan in een voorstelling. Dat betekent niet dat die kribbels ook effectief in mijn recensie belanden. Achteraf blijken ze vaak onleesbaar.

De vraag die mij als recensent het vaakst gesteld wordt, luidt of het op den duur niet afstompend werkt, zoveel voorstellingen zien. Toch niet. Ik ben nog steeds hongerig naar meer wanneer er theater op het menu staat. Ik probeer me er van bewust te blijven dat ik als recensent in een luxepositie verkeer. Okay, valse romantiek is misplaatst. Recenseren is onderbetaald en soms hard labeur (deadlines zijn ongenadig). Terzelfder tijd ben ik nog steeds blij verwonderd dat ik erin geslaagd ben om van alledaagse, doodgewone activiteiten als ‘zien’ en ‘kijkindrukken verwerken’ mijn beroep te maken. Dat in ere houden alleen al smeekt om een kijkhouding, een kijkstrategie.

Om te anticiperen op de dialoog die elk theaterbezoek inhoudt, bereid ik me voor: door het stuk te lezen (als er een is), door het traject van de makers na te trekken… In het beste geval stap ik gepakt en gezakt de wagen in, richting theater. De autorit die volgt, is van cruciaal belang. Hoofdzaak vind ik om met zo weinig mogelijk verwachtingen de theaterzaal binnen te gaan. Verwachtingen kunnen het kijken sturen, en dat tracht ik te vermijden. Voor mij gaat dus niet op wat Koen Tachelet in Etcetera 63 suggereerde, namelijk dat in de meeste recensies van Ten Oorlog (1997) ‘de eigen verwachtingen’ van de criticus werden gerecenseerd. De fout die ik toen gemaakt heb, was dat ik de koningsdrama’s niet had herlezen. Ik ging er al te lichtzinnig van uit dat een theatermarathon mij voldoende materiaal zou aanreiken om over te schrijven. Als ik met gemengde gevoelens aan die recensie terugdenk, is het niet omdat mijn verwachtingen in de weg zaten, wel omdat ik met enkel handbagage vertrokken was.

Hoe dan ook neem ik mijn bagage niet mee naar de zaal, ze blijft in de auto. Het ‘kritische bad’ is tijdens de voorbereidende fase deels gevuld, eens ter plekke moet het opnieuw leeg zijn. Autorijden heeft sowieso een kalmerend effect op me (files uitgezonderd), dus dat helpt. Dat ik geen autoradio heb, is geen toeval – naast het feit dat ik wel van stilte hou. Ook autoparkings kunnen hun steentje bijdragen tot mijn concentratie. Voor de ‘final touch’, zeg maar. Liefst heb ik ze een tikje bedompt, dat stemt minder verwachtingsvol.

Tussen auto en theaterzaal voel ik me telkens weer klaar voor een Pure Theaterervaring. Het duiden van die ervaring is een zorg voor later, laat me nu eerst open staan voor wat komt en de voorstelling in me opnemen. Helaas. Eens de deuren van het theater geopend, is het gedaan met de rust en doen de Onvoorziene Omstandigheden hun intrede. Het zorgvuldig opgebouwde kaartenhuisje stort in. Zowel voor, tijdens als na de voorstelling.

De grootste angst vooraf is dat iemand me aanspreekt op wat ik over een eerdere productie geschreven heb. Sorry, mensen, ik ben hier voor een andere voorstelling, denk ik bij mezelf, en geef vervolgens vriendelijk antwoord omdat ik ‘voor dialoog ben’. Tijdens de opvoering heb ik de toeschouwers net zo min onder controle. Bij de première van Risquons-tout (2000) van De Tijd zaten enkele intimi van de acteurs naast mij te lachen nog voor er op het toneel één enkel woord gesproken was. Ik geloof niet dat hun gegrinnik mijn recensie beïnvloed heeft. Wel sterkte het mij in mijn overtuiging dat ik De Tijd de jongste maanden al te onderhoudend bezig zie. Zelden ben ik zo boos te krijgen als in dat soort ontregelende situaties. Ik herinner me de première van Extra Dry (1999) van Emio Greco en Andy Deneys in het Lunatheater, die ik wel niet recenseren moest. Ik ging helemaal op in de wereld van de twee dansers tot er tot tweemaal toe een toeschouwer opstond en achter me met luid geraas de zaal verliet. Weg concentratie, weg esthetische ervaring. Meestal ben ik een vreedzaam mens, toen niet.

Mijn plek in de zaal kan eveneens roet in het eten gooien. Bij Reigen (1999) van De Paardenkathedraal was ik in de nok van de Utrechtse stadsschouwburg beland. Ik kon er de acteurs amper verstaan, laat staan hun gelaatsuitdrukking zien. Collega Pol Arias stelde me tijdens de pauze voor om het vrije zitje naast hem in te nemen. Daar kreeg ik een andere productie te zien die, ondanks de dominante aanwezigheid van techniek, bij intimiteit gediend was. Over twee onderscheiden helften van eenzelfde voorstelling kon ik echter niet schrijven. Daarom ben ik later opnieuw gaan kijken. Niet dat ik zelf nooit op een fout spoor terechtkom. Na Allemaal Indiaan (1999) betrapte ik mezelf erop dat ik het eerste halfuur van de voorstelling bijna uitsluitend had beleefd vanuit het personage van Etcetera– en De Morgen-collega Clara Van den Broek, die ik niet eerder in een professioneel kader had zien spelen. Omdat het bij het werk van Alain Platel en Arne Sierens loont om voortdurend van perspectief te wisselen en verschillende verhaallijnen samen te brengen, was een ander kijkparcours beter geweest.

Tegen het eind van een voorstelling is het ‘kritisch bad’ niet alleen weer volgelopen (en zo hoort het ook), het is vaak overgestroomd. Het kalf is verdronken, van mijn oorspronkelijke kijkintenties blijft weinig over. Het eigenlijke werk moet dan nog beginnen. Mijn bagage wacht op me in de wagen.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

Peter Anthonissen

Peter Anthonissen (°1969), redacteur van Etcetera, is theaterrecensent bij De Morgen. Verder is hij dramaturg bij fABULEUS (Leuven) en het Nederlandse Theater Artemis (’s-Hertogenbosch).

artikel