© Sofie Knijff

Leestijd 4 — 7 minuten

Een oprechte ode aan de ironie – De Warme Winkel

Het keurslijf van de ironie

In Een oprechte ode aan de ironie voert de Warme Winkel zichzelf op als de ware behoeder van de gelaagde en meerduidige kunst, met ironie, valse zelfspot en vier realitysterren als belangrijkste wapens. Maar op dat zelfbeeld zit stevig wat ruis.

Nog mensen die bij het horen van de titel Een oprechte ode aan de ironie tien jaar terug in de tijd werden gekatapulteerd? Naar het moment dat het metamodernisme en de new sincerity-beweging het postmoderne relativisme voorgoed passé verklaarden? Voor de Warme Winkel, die al sinds haar debuut zweert bij het kritische potentieel van ironie, lijkt er in het voorbije decennium alvast weinig veranderd, althans niet voldoende om zélf te veranderen. Eigenlijk zijn al hun voorstellingen een oprechte ode aan de ironie, maar in deze politiek correcte tijden hadden ze toch nog de nood aan een explicieter eerherstel voor hun lievelingskunstgreep en dat in de vorm van een grootse en zelfreferentiële theaterhappening.

Geen medium dat zich beter leent tot een lofzang op ironie en een dikke middelvinger naar alle “sincerity-fascisten” dan reality tv, zo moeten de makers gedacht hebben. Nergens wordt de werkelijkheid beter als holle constructie doorprikt dan in series als Echte meisjes in de jungle en consorten. Zo real de scheldpartijen, zo scripted het kader en zo ironisch de voice-overs. De kandidaten zelf kan het allemaal weinig schelen, zolang hun sponsorcontract na afloop maar genoeg schuift.

Scenograaf Theun Mosk kreeg het genoegen om een heus Temptation Island na te bouwen op scène, compleet met fake palmbomen, een jacuzzi, luxe villa én vier échte realitysterren als sexy decor. Terwijl ze languit op hun strandstoelen liggen te bruinen, doen Lesley, Shirley, Danicio en Bella netjes waarvoor ze betaald worden: onzin verkopen over tieten, balzakken, bofkonten en verstopte ‘putjes’. Al snel zie je dat ze slechts lipsyncen en hun woorden worden voorgekauwd door DWW-acteurs Ward Weemhoff, Vincent Rietveld en gastactrice Hannah Hoekstra die zich alle moeite besparen om hun medespelers niet als lege dozen voor te stellen. De ironie zit duidelijk in de elitaire eye of the beholder, want voor Lesley is het hele onderwerp maar een vreemd concept, zo zegt ze kirrend terwijl ze aan haar roze bikinietje friemelt.

Wat volgt, zijn – u raadt het al – nog meer shotjes Flügel, loze challenges, seksdates, twerkmomentjes en drankspelletjes waarin de makers tussen de lijnen door de hele tijd mantra’s over De Grote, Heilige Ironie binnensmokkelen, als was het een Bond-zonder-Naam-voorstelling voor de nineties pomo-generatie (genre: “ironie is de slijmbeurs van de maatschappelijke gewrichten”). Onder het motto dat ironie geen hiërarchie, noch heilige huisjes verdraagt, schuwt het gezelschap de loze provocaties niet: zo krijgt de gekleurde Danicio een banaan naar het hoofd geslingerd om vervolgens na een discussie over de culturele appropriatie van Weemhoffs rastavlechtjes Paul McCartney’s verzoeningslied Ebony and Ivory mee te kwelen. Hoewel tien keer braver dan het echte Ex on the beach en Temptation Island, moet Een oprechte ode qua effect niet onderdoen. Op z’n best is het entertainende uitlachtelevisie, hoe langer de avond vordert, hoe meer de complete nietsigheid je… welja, niets doet. Het stuk sluit zich dermate op in zijn eigen autoreferentialiteit en meta-metagedrag dat er nog weinig overblijft om als toeschouwer mee te werken en je brein in sluimerstand gaat.

Artistiek narcisme

Met de geloofwaardigheid van de ironie heeft de Warme Winkel niets minder dan haar eigen bestaansrecht te verdedigen, en je moet ‘t het gezelschap nageven dat ze uiterst oprecht – want consequent – hun opzet doortrekken. Elke zin, elke handeling, elk beeld druipt van de fakeness. Maar dat is ook precies het probleem: DWW verengt ironie tot een pastiche, tot een stijl die geen enkele intellectuele draagkracht meer heeft om iets over de wereld of het theater te zeggen. Het zijn dubbele bodems in een lege put waaruit in de verte nog ergens vaagweg een echo opstijgt. De ironie verwijst alleen nog naar zichzelf, legitimeert alleen zichzelf nog. Mogen we dat artistiek narcisme noemen?

Natuurlijk hebben deze slimme makers die lezing ook zélf gemaakt, zo getraind in metatheater zijn ze wel. Als oprechte ironici sparen ze de zelfspot niet. Die komt nog het best naar voor in de scène waarin jonkie Florian Myjer, die sinds 2019 deel uitmaakt van het collectief, Weemhoffs en Rietvelds artistieke dna stevig op de korrel neemt. “Jullie ironie is te vrijblijvend, te ijdel en te elitair,” schreeuwt hij aan de strandbar waar het groepje net nog zat te roddelen over hun lieve collega’s in het zwembad. Je hebt zin om te applaudisseren, want hoewel Myjer zich in zijn eigen werk duidelijk een erfgenaam toont van DWW en zijn uitspraken dus ook weer lekker met een korrel zout moeten worden genomen, schreef het gezelschap met deze speech misschien wel de beste recensie van hun eigen werk ooit.

Maar wat maakt het uit als je niet naar je eigen woorden luistert? Als je slimpjes kan zeggen dat je het allemaal wel door hebt maar ondertussen gewoon zelfgenoegzaam, star verder doet? Het is een strategie die DWW wel vaker toepast: ook in Majakovski en De warme winkel speelt de warme winkel leggen ze hun zelfkritiek – en de twijfels over de houdbaarheid van hun eigen cynische, relativistische wereldbeeld – in de mond van de jongere generatie. Het heeft iets triest en laf tegelijk. Ergens voel je het verlangen van de makers om hun poëtica te confronteren met een nieuwe tijd, hun oeuvre een nieuwe wending te geven, maar ze geraken maar niet van hun ironische houdgreep verlost. Eerlijk? Wat ik in Een oprechte ode zie, is een gezelschap in identiteitscrisis dat geen grond meer vindt onder het constant schreeuwen “dat alles toch écht welllll een constructie isssss en elke mening relatief!”. Wat ik hoor, is een manifest dat het midden houdt tussen zelfverdediging en zelfverheerlijking. Als je alles ironiseert, zelfs je eigen liefde voor ironie, wat blijft er dan nog over van betekenis?

Wie nog gelooft dat DWW in het tweede deel na de pauze tot inkeer zal komen, is eraan voor de moeite. Het realitydecor heeft plaatsgemaakt voor ‘de kleine hel’, een dystopische jungle waarin alle dubbele bodems en ambiguïteit verdwenen zijn. Omringd door vier ejaculerende reuzepenissen jammert Myjer dat hij nu alleen nog maar homootjes mag spelen, uit pure wanhoop belt Weemhoff naar Joop van den Ende met de vraag om hem te casten in één van zijn volgende musicals. Hoewel het nu eindelijk over iéts begint te gaan, is de simplificatie waarmee oprechtheid in één adem wordt vereenzelvigd met wokeness, identiteitspolitiek en pamflettaire kunst lame. Het maakt dat een potentieel interessante kritiek op de esthetische en politieke dictatuur van het kleine, grote ego volledig doel mist.

Terwijl de achtkoppige ploeg op de tonen van Wolter Kroes’ Altijd blijven lachen, altijd blijven gaan in een polonaise door de zaal walst, bedenk je dat het uitgerekend de Warme Winkel zelf is die er mee voor heeft gezorgd dat ironie vandaag louter nog overleeft als een stijl die alle inhoud in zich opslokt, en niet meer als kritisch-filosofische houding. Vroeger maakte me dat nog kwaad, nu rest enkel de apathie omdat de discussie zo irrelevant is geworden. Als erfenis van twintig jaar theatermaken kan dat wel tellen?

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Charlotte De Somviele

Charlotte De Somviele schrijft freelance over dans en theater voor o.a. De Standaard en is kernredactielid van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!