Karen Welling

Leestijd 3 — 6 minuten

Een Joodse Western

De Trust speelt Weisman en Roodgezicht

Met Platonov staat De Trust in september op het Theaterfestival. Onlangs was hun voorstelling Weisman en Roodgezicht (George Tabori) in een regie van Rik Launspach te gast in de Monty. Karen Welling recenseert de voorstelling. Ludo Abicht blijft stilstaan bij Tabori’s tekst. Het verhaal van Weisman, een blanke Jood, zijn mongoloïde dochtertje Ruth, de indiaan Roodgezicht. Een verhaal van verliezers, outcasts, hun onderling onbegrip en de kracht van het naïeve.

De Trust presenteert. Geprojecteerde woorden op een groot filmdoek. Ingeblikte, onheilspellende wind uit de geluidsinstallatie. Een koperkleurige plateau in de Rocky Mountains en een dode boom met een gier als finishing touch : cinema, Hollywood, het wilde westen. De Trust presenteert George Tabori’s variant op The good, the bad and the ugly : Weisman en Roodgezicht, een joodse western.

Anders dan in de klassieke western laat Tabori het gevecht niet meer afspelen tussen een uitgesproken held en een duidelijk herkenbare schurk. Geen eenzame cowboy die de vrede in een vroeger zo rustig dorpje weet te herstellen, die tijdens ‘hign noon’ afrekent met de boef in kwestie en vervolgens met de plaatselijke onderwijzeres trouwt – dan wel vergezeld van zijn trouwe viervoeter scherp afgetekend tegen de oneindige horizon verder trekt. Nee, bij Tabori staan een joodse zakenman, Weisman, en de indiaanse elektriciteitsmastenhersteller, Roodgezicht, tegenover elkaar. De verschillende posities rouleren zorgvuldig. Weisman en Roodgezicht verenigen beide in zich, goed en kwaad. Alleen over Weismans mongoloïde dochter Ruth is door haar simpele recht-toe-recht-aan inborst geen twijfel mogelijk. Zij kan nergens iets aan doen, is het ware slachtoffer, en alleen een slachtoffer, aldus Weisman, verdient liefde.

Voor het zaalbrede filmdoek heeft de Trust zich trouw aan Tabori’s regieaanwijzingen gehouden en de desolate plek in het klein opgetrokken. Een plotseling bewoond eilandje ergens in de oneindige woestijn wordt met simpele zeildoeken op een podium aangegeven. Hier stranden Weisman en Ruth door autopech. Ze waren op weg naar New York om daar de as van Bella, zijn overleden vrouw en haar moeder uit te strooien.

Ze worden overvallen door een jager die de auto meeneemt (“Voor die goj start je wel”). Even later lijkt de indiaan op een ezel als reddende engel langs te komen. Op zoek naar een mooie plek om te sterven ontpopt deze in een volkomen identiteitscrisis verstrikte roodhuid zich al snel als een scheldende antisemiet. In de verhouding tussen vader en dochter vindt hij voldoende aanleiding om tot de conclusie te komen dat als je maar lang genoeg aan een blanke krabt er vanzelf een fascist tevoorschijn komt.

Bij de afrekening tijdens ‘high noon’ is de zon al lang weggezakt en verraadt het blauwe scherm een tijdstip rond middernacht. Met het woord als wapen ontwikkelt zich het klassieke duel tussen de jood en de indiaan. Twee ‘loosers’ tegenover elkaar, die hun achtergrond en cultuur tevergeefs geprobeerd hebben te vergeten, en die nu strijden om erkenning als het grootste slachtoffer.

Weisman : “Wie is er erger aan toe ?” Roodgezicht: “Ik.”

Weisman : “O ja, dat zullen we nog wel eens zien ! Er bestaat niet eens een woord voor anti-indiaans.” En dan barst het gevecht in volle hevigheid los :

Roodgezicht : “Oom gelyncht in Disneyland.”

Weisman : “Tante verbrand in Treblinka.”

En Ruth houdt de score bij. Een-nul, twee-nul…tiebreak.

Rik Launspach regisseert het stuk als een stomme film met geprojecteerde tussenteksten – die de verschillende scènes introduceren, zoals : Verdwaald, Albuquerque Blues, Leven en lijden van Joe Blotereet of De laatste ronde – en met de bijbehorende stereotypen. Anneke Blok houdt haar Ruth het strakst in de hand, vanaf haar eerste opkomst waarin ze haar gigantische onderbroek op haar sportschoenen laat zakken en de gier bij wijze van spreken haast uit zijn boom plast, tot haar vertrek naar Santa Fé als het tortelduifje van Roodgezicht, gezeten op diens ezel. Een soort uittocht uit Egypte naar het Beloofde Land. Een kopje met piekhaar waarvan de slierten onder haar brillepoten gepropt zijn, baseballpet bij de hand. De paar woorden, zinnetjes die ze spreekt zijn precies kort genoeg om met een verstopte neus uit te stoten. Met haar hakkerige heftigheid is ze aandoenlijk in haar ontluikende verliefdheid op Roodgezicht en weet ze een vreemdsoortige spanning op te bouwen : haalt ze de tien bij het tellen of niet. Dè mongool, maar niet op haar achterhoofd gevallen.

Wat bij haar wel lukt heeft Rik Launspach in zijn eerste regie bij De Trust bij Ruths beide tegenspelers niet voor elkaar gekregen. De wankelmoedigheid tussen uitvergroot stereotype en wat vaag ingeleefde psychologie zorgt in de eerste helft van de voorstelling geregeld voor samentrekkende tenen. Een cliché moet nu eenmaal in alle rust als een huis staan wil de compassie, maar zeker ook de humor, kunnen doorbreken. Wat je daarentegen te zien krijgt is een te jonge acteur, ouderwets oud geschminkt, die met een Duits-Jiddisch accent deze eeuwig dolende jood moet neerzetten, en een veel te schreeuwerige indiaan, die in een zenuwachtig tempo elkaar te lijf gaan. De Trust presenteert, maar de vraag naar het waarom, naar het engagement, dringt zich op.

Pas in de laatste scènes, wanneer ook deze spelers gas terugnemen en de tekst van Tabori voor zich laten spreken, komt precies die humor, die scherpte, dat schrijnende naar voren, die bijvoorbeeld het door Tabori zelf geregisseerde en gespeelde Mein Kampf van het Burgtheater tot een belevenis maakten. In het duel tussen Weisman en Roodgezicht komt Tabori als grote overwinnaar uit de bus.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#34

15.06.1991

14.09.1991

Karen Welling

artikel