Tekening: Gerard Herman

Tekening: Gerard Herman

Evelyne Coussens

Leestijd 8 — 11 minuten

Een huis van drift

Als u mij vraagt naar mijn voorstel voor het NTGent van de toekomst, dan zeg ik: geen huis van spelers, geen huis van de kunsten, geen huis midden in de wereld, maar – en het klinkt wat pathetisch, ik weet het – een huis van noodzaak. Zo droom ik meteen ook de andere stadstheaters: als een plek waar enkel dingen gebeuren die op dit moment, in deze tijd, door al wie er binnen en buiten wandelt, noodzakelijk worden bevonden. Dit artikel maakt deel uit van de reeks ‘Quo vadis, NTGent’, waarin negen uiteenlopende stemmen hun voorstel voor het Gentse stadstheater delen. 

‘Kunst is noodzaak bemiddeld door vorm.’ Ik weet niet of ik dat zelf bedacht heb of ergens onbewust gepikt, maar het kwam me midden in de nacht aanwaaien, als een definitie die eindelijk – voor mezelf in ieder geval – verlichting biedt, als een lang verwacht antwoord op een stekende vraag. (Maak u geen zorgen, dit wordt geen kunsttheoretische column – het gaat wel degelijk over de stadstheaters.)

In het midden van die definitie staat niet toevallig het woord ‘noodzaak’: dat arme, misbruikte, uitgewrongen en in subsidiedossiers totaal versjarelde woord dat toch de essentie zou moeten uitmaken van het leven – je kan het ook lacaniaans ‘verlangen’ noemen, drive, goesting, urgentie: het verlangen om iets te vervullen, iets te doen of te betekenen. Zo bezien kan je de definitie ook vertalen als: kunst is levensdrift in een ander kleedje gestoken, of: kunst, dat is het vormgegeven leven zelf.

Belangrijk is de consequentie: er bestaat geen kunst die niet in het leven geworteld is. En dus ook geen onderscheid tussen kunst die in de wereld staat en kunst die erbuiten zou staan – in welke wereld zou die zich dan bevinden? Vergeet het irritante onderscheid tussen maatschappelijk ‘relevante’ en navelstaarderige ivoren-toren kunst. Er bestaat enkel dit: noodzaak. Verlangen dat vorm krijgt.

Drift als maatstaf

Dit alles kwam me aanwaaien terwijl ik nadacht over wat ik de laatste jaren precies gemist had bij NTGent. Het antwoord laat zich samenvatten als: een urgentie, het gevoel dat daar dingen gebeuren die noodzakelijk zijn, voor de stad of voor de kunsten. Het huis leek te draaien op routine, gevangen in een logica van internationaal prestige – van de bloedeloze Ruhrtriënnale-premières van Simons tot makke gastregies van Becker of Perceval – terwijl aan het Sint-Baafsplein intussen een ontzielde doos stond. Maar genoeg over dat verleden.

Als u mij vraagt naar mijn voorstel voor het NTGent van de toekomst, dan zeg ik: geen huis van spelers, geen huis van de kunsten, geen huis midden in de wereld, maar – en het klinkt wat pathetisch, ik weet het – een huis van noodzaak. Zo droom ik meteen ook de andere stadstheaters: als een plek waar enkel dingen gebeuren die op dit moment, in deze tijd, door al wie er binnen en buiten wandelt, noodzakelijk worden bevonden.

Ik vermijd bewust termen als ‘geëngageerd’, ‘politiek’, ‘maatschappelijk’, omdat ik eindelijk eens af wil van die dichotomie met ‘l’art pour l’art’. Laat ons als maatstaf voor relevantie gewoon ‘drift’ nemen, met als enige voorwaarde dat die bemiddeld wordt door artistieke vormen, waardoor het resultaat sowieso (briljante, slechte, middelmatige) kunst is. Natuurlijk moet zo’n insteek ook in de dagelijkse realiteit gemanaged worden. Geen zorgen, ik maak het concreet.

Het gebouw als kern

Ik zie de structuur van zo’n huis als een rozet met een kern van verschillende gekartelde ringen, die al draaiend op steeds andere punten in elkaar grijpen. (De inspiratiebron voor dit beeld is een kaleidoscopische figuur uit Tik Tak, google maar eens.) Het centrum is het gebouw, de ringen zijn de verschillende dimensies waarin het huis werkt. Essentieel is dat de hele structuur beweegt, fluïde is, dat de verschillende lagen op steeds andere momenten en plaatsen in elkaar grijpen.

En ja, dat betekent dat we afstand moeten doen van lang op voorhand geplande en misschien waardevolle projecten – tenzij het hele omringende bestel mee zou veren, maar zo optimistisch ben ik niet. Dat betekent dus dat er in de planning gaten moeten openblijven voor initiatieven waarvan de noodzaak zich daar en dan opdringt. En dat betekent misschien wel dat we dus naar een ander model van financiering moeten, weg van het geestdodende bestel van subsidies in vaste cycli. Maar soit, dat is een ander debat.

Het dichtst rond de schouwburg zit de (eerste) ring van makers/projecten die zich in de schouwburg zelf situeren, dat wil zeggen: die zich willen meten met de ruimte en de architectuur van de grote zaal, op welke manier dan ook. Repertoire of geen repertoire, that is not the question. Wel dat in die zaal enkel projecten te zien mogen zijn die a. noodzakelijk zijn, b. een bemiddelde finaliteit hebben en c. daarvoor specifiek die zaal nodig hebben.

Nu de schouwburg in Gent minstens tot de zomer van 2017 gesloten is voor verbouwingen, zouden we van die tijdelijke sluiting gebruik kunnen maken om een open call te lanceren: welke individuele maker, welk gezelschap, welk collectief slaat met zijn vuist op tafel en eigent zich in seizoen 2017-2018 de zaal toe? De kunstenaars die de bühne bevolken zijn slechts voor de duur van hun project aan het huis verbonden. De open calls gebeuren pakweg één keer per jaar – of meer als dat nodig zou zijn – zodat de invulling jaar per jaar kan worden bekeken. Het betekent niet per se dat makers hap-snap worden binnengetrokken en weer buitengegooid, er kunnen ook langere lijnen worden uitgezet (trilogieën, projecten van slow art), op voorwaarde dat de noodzaak daarvan met vuur wordt verdedigd. Want dat is het voornaamste criterium: vuur.

Vier coördinatoren als motor

Concreet betekent dat: elke kunstenaar verdedigt zo gepassioneerd mogelijk zijn project voor een commissie, bestaande uit het coördinerend platform van het stadstheater, aangevuld met een bij elk aanvraagmoment wisselend korps van burgers uit verschillende sectoren,.

Idealiter ziet het coördinerend platform van het stadstheater er zo uit: een regisseur, een theatermaker uit het sociaalartistieke, een maker uit het jeugdtheater en een choreograaf (excuses voor de achterhaalde terminologie van ‘sociaalartistiek’ en ‘jeugdtheater’, maar het dient de helderheid). En idealiter vertoont dit kernteam een mix in gender, afkomst en leeftijd – maar dwingende criteria zijn dat niet, belangrijker is dat dit team de zorg voor het huis op zich wil nemen. De vier coördinatoren bepalen samen de artistieke koers en worden voor de dagelijkse werking bijgestaan door een zakelijk verantwoordelijke.

Wat hun eigen artistieke werk betreft hoeven ze zich niet noodzakelijk tot de grote zaal te bekennen. Ze ontwikkelen hun werk waar ze dat willen, eventueel in eigen huis, maar in dat geval moeten ze evengoed ‘solliciteren’ als iemand anders – hun naaste collega-coördinatoren worden dan vervangen door externen met een gelijklopend profiel. De coördinatoren worden voor hun werk halftijds betaald. Mocht hun eigen artistieke werk meer tijd vragen, gaan ze tijdelijk uit dienst. De coördinatoren zorgen ervoor dat ze hun plannen onderling afstemmen, zodat het huis nooit zonder hoofd zit; ieder zou bijvoorbeeld een bepaald kwartaal kunnen ‘trekken’.

Bij de sollicitaties wordt het coördinerend platform telkens aangevuld met een korps van burgers, bestaand uit geëngageerde vrijwilligers (niet: leken) zoals – ik doe maar een greep – een sociaal assistent, een gepensioneerde leerkracht, een jonge ondernemer, een verpleegster, een gepassioneerde toeschouwer, een student… Enige vereiste is een minimum aan kijkervaring en een hart voor het huis en de kunsten. Ook voor dit korps geldt de wensdroom van een diverse mix, maar nogmaals: engagement is belangrijker dan politieke correctheid. Idealiter zijn er vier burgers, zodat de artistieke en niet-artistieke stemmen in evenwicht zijn. Elke stem heeft evenveel gewicht.

De stad als podium

Voor de tweede ring van de receptieve werking, zowel nationaal als internationaal, geldt hetzelfde basisprincipe van urgentie, maar misschien hoeft de procedure niet zo intensief te zijn. De commissie kan jaar per per jaar beraadslagen over de aangeboden voorstellingen en de planning aanvullen ook zonder dat de makers persoonlijk zijn langs geweest. Het punt is gewoon dat er geen do ut des meer is: geen evidente uitwisseling van favours tussen huizen omdat het circuit dat nu eenmaal vereist.

De derde ring ‘in huis’ betreft het gebruik van de infrastructuur buiten de grote zaal om: van de zolder over de foyer tot het café. Al die ruimtes moeten dienstbaar zijn aan zij die erom vragen, van leesclubs over jonge makers tot breiende vrouwen en anarchistische aktiekommitees. Dit is de laag waarin de witruimte schuilt, waar er het meest rek op de planning zit, waar er op elke vraag in eerste instantie ‘ja’ moet worden gezegd – gegeven het feit dat de vraag bezield is door urgentie. Opnieuw is het het team van coördinatoren en burgers dat de aanvragen bekijkt en het evenwicht tussen de projecten bewaakt.

De laatste ring zit het verst van de kern: niet in belang, maar omdat hij zich ook letterlijk in de stad situeert. Hier opereren de makers en gezelschappen die zin hebben om van de samenleving hun werkmateriaal te maken. Ik denk bijvoorbeeld aan twee jonge gasten die twee zomers geleden met een ‘wagenspel’ door de Gentse wijken trokken en vorige zomer theater maakten in garages – niet als sociaal werk, maar omdat dat nu eenmaal hun artistieke project is. En in dat project is de kunstenaar vrij. Hij heeft geen sociale verplichting, enkel een artistieke, die tegelijk ook een ethische is: de verplichting tot waarachtigheid. Net zoals een stadstheater in zijn geheel als enige verplichting heeft te proberen doen wat moet.

Creativiteit als organisatiemodel

Cruciaal is dan ook dat, zoals gezegd, al deze ringen in elkaar grijpen waar nodig en mogelijk. Dat de dramaturgen in de garage gaan kijken, of de breiende vrouwen de volgende keer hun kinderen meebrengen naar een jeugdvoorstelling. Dat een jonge maker die op zolder experimenteert met nieuwe vormen, drie man uit het café gaat halen om te vragen wat ze ervan denken. O ja, dat vergat ik te zeggen: een café annex eetplek is cruciaal in zo’n huis, als draaischijf van gesprek en ontmoeting.

Eigenlijk is dat ook wat het coördinatieteam van dit nieuwe huis moet doen: zorgen dat al die lagen op zoveel mogelijk punten in elkaar grijpen. Creatief zijn, niet alleen in hun eigen voorstellingen, maar ook in het nadenken over hoe ze van het stadstheater één groot bewegend beest kunnen maken. Doordat er weinig aan lange-termijnplanning wordt gedaan, kunnen dingen ook rustig mislukken – wat niet werkt wordt herzien, of indien nodig vervangen.

Die ad hoc werking betekent dat enkele kunstenaars minder zullen kunnen creëren, maar misschien zal wat ze maken wel van betere kwaliteit zijn, en verrijkt door invloeden van buiten het repetitielokaal. Het hele plan is in wezen een herziening van de autonoom draaiende productiemachine, van de automatische piloot, waarbij de evidenties van ‘vaste waarden’ in het landschap opnieuw kritisch onder de loep worden genomen: zijn de waarden wel zo vast, brandt het vuur nog wel hard genoeg? Het wordt er misschien wel een stuk minder comfortabel op, heren en dames theatermakers.

Het stadstheater als droom

Ik hoor het olympisch hoongelach van de fact-checkers al van verre: is dit wel te financieren, realistisch in te plannen, en wat met de internationale dimensie? Over dat laatste kan ik kort zijn: de internationale dimensie zal me aan m’n reet roesten. Interpreteer dat niet als een oproep om terug te keren naar lokale kneuterigheid, waarbij alleen gekeken wordt naar de eigen heimat – die heimat is allang niet ‘eigen’ meer, en de internationale dimensie schuilt evengoed in de stad zelf als buiten de landsgrenzen.

Waar ik vanaf wil, is die geldslorpende fixatie op aanwezigheid op ‘belangrijke’ festivals en internationale prestigeplekken, waar voorstellingen over ‘de gewone man’ maar het aperitiefhapje vormen voor het échte aperitief met oesters en networking à volonté. Laat ons zo’n nieuw stadstheater eerst grondig wortelen in de verschillende lagen van de stad en de samenleving, dan zal de kruin vanzelf wel hoog schieten, is mijn gedacht.

Of voor de rest het model te financieren is, weet ik niet, dat laat ik over aan de cijferaars. En ongetwijfeld zijn er ook inhoudelijk verschrikkelijk veel tegenwerpingen te maken. Nog terwijl ik dit schrijf, bekruipt mij het gevoel dat er een hopeloos naïef kantje aan zit, dat geen rekening houdt met de menselijke neiging tot het zich toe-eigenen van middelen en macht. Zal tussen die vier figuren in het centrum van het rozet geen naijver ontstaan? Wat met vriendjespolitiek in een artistieke sector die een voorschoot groot is? Maar hey, ik bedacht dit in het midden van de nacht, laat het ons dus een droom noemen.

Woorden weten alles. De drie grote instellingen die in Vlaanderen het woord ‘stadstheater’ torsen, worstelden de afgelopen jaren alle drie met de invulling van dat woord. Terwijl het in wezen simpel is: stadstheater = stad + theater. In Brussel was er volgens sommigen te veel stad en te weinig theater. In Antwerpen te veel theater en te weinig stad. Misschien kan Gent het evenwicht herstellen door de dichotomie op te heffen, en te bewijzen dat kunst en leven uit dezelfde bron ontstaan.

Tekening door Gerard Herman.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

opinie
Leestijd 8 — 11 minuten

#147

15.12.2016

14.03.2017

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.