Paul Blondeel

Leestijd 8 — 11 minuten

Een bolle spiegel

In opdracht van de Beursschouwburg, K.U.Leuven, Open Stad-werkverband en minister Ann Van Asbroeck voerde Paul Blondeel twee jaar onderzoek uit in Molenbeek. Maar de hamvraag, de toeëigening van stedelijke ruimte, keerde als een boemerang naar de onderzoeker terug. Wie eigent zich wie toe?

‘… de lijn waar u op liep was misschien wel recht, maar ze is gaan krommen zodra u mij hebt gezien, en ik heb het preciese moment waarop u mij hebt gezien kunnen aflezen aan het preciese moment waarop uw weg krom werd, en niet krom om u van mij te verwijderen maar krom om naar mij toe te komen;…” (Bernard-Marie Koltès, In de eenzaamheid van de katoenvelden.)

Voor actrice Frieda Pittoors zit de laatste voorstelling van In de eenzaamheid van de katoenvelden erop. Ze zucht: ‘Koltès’ tekst is voor mezelf op steeds meer domeinen van toepassing. Als ik in Brussel buiten kom en ik zie aan de overkant een groepje jongens staan, dan kan ik twee dingen doen. Of ik heb hen niet gezien en blijf aan mijn straatkant lopen, of ik steek expres de straat over. Maar het resultaat blijft twee keer hetzelfde: we zeggen niets, we vallen stil.’ Voor mij is de tekst van Koltès een verademing, ontluisterend en juist. Ik herken erin wat ik twee jaar lang in Molenbeek heb gezien.

Een man wandelt ‘s nachts huiswaarts via de Gentsesteenweg. Ter hoogte van een voormalige filmzaal merkt hij een groepje Marokkanen op, druk in gesprek. Naarmate hij hen nadert, spreken ze stiller. De wandelaar versnelt zijn pas, de mannen houden op met spreken, de wandelaar loopt hen voorbij, bijna rakelings. Pas na een tiental meter hervat het gesprek, nu in het Arabisch. Later vertelt hij me: ‘Goed mogelijk dat ze mij kennen, dat ze van alles over mij weten. Die kerels weten zo veel.’

Of de scène op het plein aan de St-Janskerk – de zogenaamde Parvis, die tot voor kort de vaste stek voor lokale drugdealers was. Hoe een jonge man er voorbijloopt, eerst de vier dealers negerend, dan aangesproken wordt door één van hen. Hoe hij vervolgens nog stuurser voor zich uitkijkt en lichtjes van zijn route afwijkt. De lijn waarop hij liep, was misschien wel recht maar ze is gaan krommen.

Kort daarop maak ik het zelf ook mee. Een snikhete middag. Ik passeer enkele keren een groep jongeren. Ze troepen samen rond een hekken, dansend, pratend, bij momenten hyperkynetisch. Wanneer ik te dicht nader -maar hoe dicht is te dicht? – ontstaat er hevige spanning: extreem bewust van mijn gelaatsuitdrukking, begin ik te zweten; te zeer bedacht op oogcontact, wordt mijn blik schichtig; ik bloos en zweet; mijn bewegingen haperen. Opeens het besef: we bewegen ons op dezelfde manier, ik onderdrukt, zij voluit, als dansers in een choreografie van Meg Stuart. Wat we voelen en zien raakt losgekoppeld van wat we doen. We bewegen ons als achterdochtige katten, onzeker over eikaars intenties en allengs ook over die van onszelf.

Dezelfde ervaring komt in talloze observaties terug, zij het minder hevig. Ik merk hoe de mensen te dicht op elkaar zitten. Hoe weinig ruimte er is voor zo veel volk, hoe alomtegenwoordig het lawaai, hoe overbevolkt de woningen zijn. Nadat ik drie, vier dagen in Molenbeek heb rondgelopen, ben ik gekend, geregistreerd door de talrijke groepjes mannen op straathoeken en in café’s. Dit is geen dorp, denk ik, maar een stadsdeel waar mensen zowel afstand als anonimiteit zoeken, waar ze veel weten van elkaar maar nog meer verzwijgen. Waar ze vaak veinzen dat alles prima loopt, terwijl de tekens andere dingen vertellen. En terwijl ik het allemaal opteken – honderden gesprekken, interviews, notities – ga ik ervan houden. In dit Brussel voel ik meer ‘stad’ dan de stedelijkheid die mij elders rest.

Tijdens een seminarie in de Beursschouwburg merkt iemand op dat ik Molenbeek te veel als een doorsnee stadsruimte beschrijf. Misschien heb ik alleen maar universeel menselijk gedrag in kaart gebracht, voorbijgaand aan de specifieke situatie van uitsluiting? De vraag ergert mij. Ze veronderstelt dat er in Molenbeek andere wezens dan mensen zouden rondlopen: kansarmen, delinquenten, gedemotiveerde agenten, allochtonen, gefrustreerde schoolmeesters. Mensen voor wie universeel menselijk gedrag niet van toepassing zou zijn. Ik zie heel andere dingen. Twee jaar lang merk ik dat wat er politiek en cultureel aan de gang is – ook mondiaal – in Molenbeek eerder en harder aanwezig is. Alsof hier meer ‘universeel menselijk gedrag’ is dan ons lief is, meer en scherper waarneembaar. Als in een holle spiegel.

Mohamed, een Marokkaanse leerkracht en ondertussen politiek mandataris, zegt: ‘Pour connaître les problèmes il faut venir à Molenbeek, ou vivre à Schaerbeek. Moi, je dis toujours, la théorie, c’est bien la théorie, mais il faut venir.’ Wie komt ziet andere dingen dan wie wegblijft.

Dat ik dingen zie die andere ‘waarnemers’ niet of nauwelijks zien, heeft ook te maken met wie ik aanhoor en ontmoet. Met de woorden die ik dan overhoud en met de woorden die ik weggooi. Mohamed zegt: ‘C’est surtout le vouloir qui fait pousser les choses, ce qu’on aime et ce qu’on veut. Si on doit atteindre quelque chose avec des moyens qu’on n’aime pas, ce n’est pas aussi bien.’ Er zijn concepten die wat ik wil in de weg staan. Die moeten er uit.

Tijdens een werksessie met opbouwwerkers stelt men vast dat in mijn onderzoeksrapport niet één keer het woord ‘probleem’ voorkomt. Even blijft het stil. ‘Ja, dat klopt,’ zeg ik, ‘en is dat dan een probleem?’ Volgt een hevig debat onder de aanwezigen. Ik hoor hen zeggen: ‘We hebben ons opgesloten in onze probleem-blik. We hebben ons werk versmald tot armoedebestrijding. Voor cultuur is er geen plaats, voor wat er is zoals het er is.’

Drie weken lang doen we alleen maar ruimtelijke observaties: hoe lopen de mensen, waar blijven ze staan, wie bekijkt wie, wie ontwijkt wie. Het is zalig. Hoe meer ik kijk, des te minder ik begrijp. Des te minder ik begrijp, des te meer ik zie. Alsof de meeste concepten mijn waarneming en zelfs mijn taal in de weg staan. Alsof ik uit het verschil en de onvergelijkbaarheid meer leer dan uit de overeenkomstigheden. Voor elke regelmaat die ik vind, zijn er onmiddellijk tegenvoorbeelden. Wat hou ik over? Korte scènes, situaties, voorvallen, gebeurtenissen die bijna niets ‘zeggen’. Of toch?

Een rijhuis met een poort en een inzetdeur, erachter een onoverdekte ruimte met auto’s. Een jonge Marokkaanse stapt uit de poort – nonchalant, een blik naar links en rechts. Ze verdwijnt richting Vierwindenstraat. Tien minuten later komt een jonge man naar buiten. Hij stapt zijn auto in. De vrouw – autoradio in de hand – keert terug, samen met een meisje. Ook zij stappen in. De man start de auto, maar ze vertrekken niet.

Twee Marokkaanse meisjes verlaten de Marokkaanse bakker. Eentje zegt ‘regardes, je le jette’ en ze gooit een koekje hard tegen de grond. Het droge koekje spat open, beiden lachen. Het is net opgehouden met sneeuwen.

Een open plek op de donderdagmarkt. Hier, waar de mensen vertragen om zich te oriënteren, staan steevast duur geklede, allochtone mannen. Hier kun je straffeloos vrouwen bekijken. En ze zijn talrijk, de vrouwen: de oude en de jonge, de dikke, de in het zwart geklede, de met grijze en bruine regenjassen, de met hoge hakken, de met loshangend haar, de modieus geklede, de Arabische, de zwarte. De dochters van Zap Mama.

Waarom weiger ik dit materiaal te interpreteren? De vraag wordt dikwijls herhaald. Soms zeg ik: wat we er uit kunnen leren, weet ik ook niet. Ik heb dingen gezien en ik vertel ze door en misschien moeten we dat vaker doen.

Misschien toch één conclusie. We moeten wat mensen letterlijk doen en vertellen, weer zichtbaar maken, bespreekbaar en besproken. Op de breuklijn tussen stad en wijk moeten we een podium zetten, een plaats waar mensen kunnen zeggen wat er gebeurt en wat het betekent. Stem geven aan wie er nu geen heeft. Iemand zegt: ‘Ici à Molenbeek, il y a des intellectuels, probablement il y a des peintres, des artistes etcetera. Mais il faut qu’il y ait un lieu où les gens viennent s’exprimer et où d’autres qui viennent écouter, les regardent pour se reconnaître à ces gens-là. Du moment qu’on n’a pas ces locaux-là, comment voulez-vous que les gens sortent?’ De man aan het woord heeft het niét over socio-culturele verenigingen, hij heeft het over neutrale, stedelijke ruimtes. Hij wil meer stad in zijn wijk, ‘avec plus de passage, de mélange’. Je wilt mensen zien, zegt hij, waarmee je kunt praten, boeiende mensen. Zijn die er nu niet? Toch wel, maar we kunnen ons niet blootgeven aan elkaar: ‘We hebben altijd wel iets te verbergen. Families die problemen hebben, zoeken geen andere families meer op. Iedereen kent hier drie, vier andere gezinnen. Je hebt je vrienden en je houdt je vrienden, je wilt er geen andere kennen.’ Universeel menselijk gedrag: opgesloten in je kleine kring, hunkerend naar verandering, naar de stad.

Ze zijn zelf al bezig met die neutrale ruimtes, bijvoorbeeld in het grote café op de Parvis, voorheen een extreem-rechtse kroeg. De flipperkasten van de vorige eigenaar blijven voorlopig staan, zegt de Marokkaanse waard. Hij toont het oude interieur, prijst het houten beslag, de ingewerkte spiegels, het geslepen glaswerk in de ramen. Op de prijslijst staan zowel muntthee als alcohol. De ouderen kaarten, voorin speelt mtv, behoorlijk hard. Op donderdagen, tijdens de markt, komen er ook Belgen. ‘Faut voir que chaqu’un est libre,’ zegt Mohamed, ‘qu’il boit ou qu’il ne boit pas.’ In zo’n ruimte moet dat lukken, denk ik.

Maar het blijven uitzonderingen, die plekken waar stad en wijk samenkomen, de ‘tussenruimtes’ waar zowel privacy als anonimiteit op hun plaats zijn. In de buurt valt het nogal mee: in Molenbeek is het publiek domein zelden dwingend, integendeel, het bevat zo weinig indicaties dat je er eigenlijk alles. kunt doen. Mensen doen er dan ook van alles, soms met veel schroom en bedachtzaamheid, andere keren zich in zichzelf besloten terug.

In zijn relatie met de stad vindt de Molenbekenaar veel minder tussenruimte. Wie hij als Brusselaar is, wordt door anderen bepaald. Andermans criteria geven aan wat hij waard is, het oordeel van de alomtegenwoordige professional, van de leerkracht, de sociale werker, de journalist,… Het leidt tot schaamte, enkele keren ook tot haat en woede. ‘On sait bien qu’on n’est pas aimé parce qu’on fait partie de la masse, du peuple,’ zegt Marco, jeugdwerker van Spaanse afkomst. ‘On a l’impression d’être mépris par les plus riches. (…) Ici, comme autrefois à Berlin, on fait des murs, des murs avec la police, avec toute autre chose.’ In Berlijn, zegt hij, wilden de communisten hun bevolking afschermen van de rijken, de mensen mochten vooral niet afgunstig worden. Hier is het net omgekeerd, vindt hij, de rijken zijn bang dat ze bestolen worden, ‘ils ont peur que les autres leur ressemblent.’

In Molenbeek is de schaamte vooral voor jongeren dwingend. Meer dan in andere stadsdelen ontbreekt hen elke ruimte die als buffer zou kunnen optreden, die de definities van de buitenstaander zou kunnen relativeren. ‘Les jeunes, on leur dit qu’ils sont bons à rien et ils finissent par le croire eux-mêmes.’

Dat mensen niet meer het forum vinden om te zeggen wat er aan de hand is, is ook een (cultuur)politiek probleem. Hoewel het lokale leven in Molenbeek zeer fysiek is, wordt het op een grootstedelijke schaal haast onzichtbaar. Wie er woont, bevindt zich in een zwart gat. Culturele projecten die Molenbeek als voorwerp en niet als onderwerp hebben, werken dit beslist in de hand. Diegene waarover het gaat, bestaat ook na de produktie niet. Als hij al zichtbaar werd, dan in de taal van de kunstenaar, de professional. Misschien zijn schaamte en woede concepten die we beter niet weggooien. Ze betreffen ook onszelf: wij onderzoekers, journalisten, hulpverleners, cultuurwerkers. Kunnen we met die schaamte iets aanvangen, de schaamte wederzijds maken? En kunnen we op die manier onze blik minder dwingend maken, tussenruimtes creëren waar onze stem zwakker en de hunne sterker wordt? Misschien is dat nog wel de beste houding: een tijdje ophouden met spreken zolang zij waarover we spreken moeten zwijgen.

‘... en ieder mens of dier die een ander mens of dier in de ogen kan kijken, is zijn gelijke want ze lopen beide op dezelfde platte en dunne breedtegraadslijn, slaven van dezelfde koude en dezelfde warmte, rijk aan hetzelfde en aan hetzelfde arm, en de enige grens die bestaat is die tussen de koper en de verkoper, maar onzeker, want ze bezitten allebei het verlangen en het voorwerp van het verlangen, dat tegelijk leeg is en bol staat, en met nog minder onrecht dan het een onrecht is om mannetje of wijfje te zijn onder de dieren. Daarom gebruik ik voorlopig de nederigheid en verleen ik u de arrogantie, zodat men ons van elkaar kan onderscheiden op dit uur dat onvermijdelijk hetzelfde is voor u als voor mij.‘ (Bernard-Marie Koltès, In de eenzaamheid van de katoenvelden)

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#56-57

15.08.1996

14.11.1996

Paul Blondeel

artikel