Leestijd 11 — 14 minuten

‘Een educatieve werking gaat over partnerschap’

Wie is er bang van kunsteducatie?

In het nu al enkele jaren aan de gang zijnde debat over cultuurparticipatie zijn de ogen veelal gericht op de kunstenaars en de huizen waarin ze hun werk maken en tonen. Het gros van de gesubsidieerde kunst sluit niet aan bij de interesse en leefwereld van het gros van de bevolking. De adviescommissies hebben zich meer laten leiden door de parameter ‘vernieuwing’ dan door ‘diversiteit’, met een versmalling van het gesubsidieerde aanbod als gevolg. Of de gewenste ‘sociale mix’ op het niveau van een artistieke organisatie dan wel op het niveau van de gemeente of regio moet nagestreefd worden, daarover lopen de meningen uiteen. In het eerste geval wordt van de kunstenaars verwacht dat ze voor elk wat wils maken, in het tweede geval moeten de lokale en regionale overheden de juiste voorwaarden scheppen voor een gevarieerd kunst- en cultuuraanbod.

De discussie over cultuurparticipatie wordt terecht gevoerd, maar de invalshoek is veel te smal en tekenend voor de neoliberale tijdsgeest. Het kunst- en cultuuraanbod moet beter inspelen op de vraag, zo luidt het marktgerichte credo. Als Mozes niet naar de berg gaat, moet de berg naar Mozes komen, en zich desnoods transformeren in een spectaculaire kicks- en tricksformatie. Als het cultuurspreidingsoffensief, dat in de jaren ’70 op gang werd getrokken, al gefaald heeft, dan zal het wel aan de kunsten zelf liggen.

Opmerkelijk in het hele debat is dat ‘het publiek’ haast altijd buiten schot – of beter: uit het vizier – blijft. De klant is koning, maar hij blijft een klant: een onwetende massa, die telkens opnieuw moet verleid worden tot consumptie. Het Bildungsideaal ligt ver achter ons en ‘kunsteducatie’ is een vies woord, dat herinneringen oproept aan sessies dansexpressie en het overgeorganiseerde Nederlandse educatiemodel, dat de autonome ontwikkeling van de kinderkunsten soms zelfs voor de voeten liep. Om de ontwikkeling van de kunsten is het nochtans allemaal te doen. Indien we willen vermijden dat de artistieke ontwikkeling afgeremd wordt bij gebrek aan een geïnteresseerd publiek, zullen we ervoor moeten zorgen dat de ontwikkeling van het publiek gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de kunsten. Kunsteducatie moet dan wel méér zijn dan een instrument in het bijsturen van de markt. Echte kunsteducatie benadert de toeschouwer niet als klant, maar als kritische partner van de kunstenaar. In dat levenslange leerproces hebben diverse actoren een rol te spelen: het onderwijs, het sociaal-culturele veld, de artistieke sector, de media, het beleid.

Etcetera neemt alvast zijn rol van reflectie-initiator op. In elk nummer van deze jaargang belichten we één of meerdere aspecten en (mogelijke) medespelers. Het startschot wordt gegeven door twee mensen die niet bang zijn van kunsteducatie. Bernard Foccroulle, directeur van de Munt, verdedigt een verregaand engagement vanwege de artistieke organisaties als partners op het domein van de kunsteducatie. Gerhard Jäger, initiatiefnemer en leider van ART BASICS for CHILDREN/ABC vzw, belicht zijn visie op de praktijk, de taak en de organisatie van kunsteducatie.

 

Etcetera: De Educatieve Dienst van de Munt bestaat tien jaar. Waarom kiest een groot productiehuis als de Munt voor een educatieve dienst, zelfs als een interne audit uitwijst dat die verlieslatend is?

Bernard Foccroule: Wat is winstgevend? Ik denk dat een educatieve dienst winstgevend is, maar niet financieel gezien en niet op korte termijn. Een operahuis of een culturele instelling moet permanent werken aan de relatie met het publiek. Vijftig jaar geleden, of zelfs twintig jaar geleden, was dat niet het geval. Het is een algemene evolutie. Zeker voor de traditionele cultuurvormen, zoals opera, klassieke muziek, theater en dans, geldt dat wij permanent moeten nadenken over onze communicatie met het publiek. De zogenaamde educatieve werking, met de jongeren en met de scholen, is daar slechts een onderdeel van. Ik denk dat een operahuis het zich niet meer kan permitteren om hier niet in te investeren. In Amerika is men er al twintig jaar geleden mee begonnen. Toen wij tien jaar geleden startten met de Educatieve Dienst was de Munt een soort avant-garde op dat vlak in Europa, maar nu zet elk belangrijk huis in Barcelona, Londen, Parijs, Berlijn stappen in die richting, weliswaar met andere middelen en werkinstrumenten. Voor ons is het contact met jonge mensen en kinderen een prioriteit. Zij zijn een publiek van vandaag. Het is misschien wel een publiek dat niet veel betaalt, maar het is een goed en warm publiek. Wat de kinderen nu meemaken kan later van ontzettend groot belang zijn. De ervaring, de emotie en wat er in hun geheugen gegrift wordt, kunnen heel cruciaal zijn in hun persoonlijke ontwikkeling. En ten slotte is dit jonge publiek het volwassen publiek van morgen.

Etcetera: Bedoelt u dan dat een positieve ervaring nu ertoe kan bijdragen dat deze mensen binnen vijftien jaar de opera bezoeken of ziet u het educatieve werk als een noodzaak voor de ontwikkeling van publiek én opera?

Foccroule: We moeten natuurlijk de toekomst van onze huizen voorbereiden, maar er is ook de maatschappelijke dimensie en die vind ik nog belangrijker. Ik maak me niet zoveel zorgen over het publiek van de Munt in de komende jaren. We spelen bijna altijd voor uitverkochte zalen en zelfs bij een wereldcreatie hebben we een bezettingsgraad van 90%. Dat gaat dus meer dan goed. Maar we moeten ons zorgen maken over het publiek dat niet naar de opera kan komen, dat de weg naar de opera niet vindt of dat denkt dat de opera niet voor hen is. In de context van een democratisering van de samenleving moeten ook wij erover waken dat we toegankelijk zijn voor iedereen. Dat is een langetermijnvisie, die we misschien niet kunnen realiseren, maar waarvoor we toch moeten vechten. Wat nu hier en in andere opera-instellingen gebeurt, zet positieve krachten in beweging in de scholen en in de verenigingen. Uit het grote aantal aanvragen van leerkrachten leid ik af dat mensen die geen kunstspecialisten zijn de waarde van de opera erkennen. De aanvragen komen van diverse vakleerkrachten: geschiedenis, talen, technische vakken. Wij zien heel duidelijk dat het contact tussen een school en een kunstinstelling een venster opent op de wereld. Kunstbeleving opent een andere manier van leren. Het leerproces in ons onderwijs is zeer sterk gericht op het rationele en laat heel weinig plaats voor het emotionele. Kunst laat veel ruimte voor analyse, maar is op de eerste plaats een emotionele ervaring. Het rationele en het emotionele zijn er complementair. Persoonlijk denk ik dat ons onderwijssysteem veel beter zou scoren indien het meer ruimte zou geven aan zang, dans, theater enzovoort. Wij zien dat scholen die te maken hebben met heel wat problemen een nieuw elan vinden doorheen een langdurige samenwerking met de opera.

Etcetera: U heeft het over projecten op lange termijn. Op dit ogenblik verzorgt uw Educatieve Dienst ook veel inleidingen en andere korte interventies. Indien alle artistieke instellingen een bevoorrecht partnerschap zouden aangaan met enkele scholen, dan zou de Munt zich misschien uitsluitend kunnen concentreren op de intensieve projecten.

Foccroule: Toch niet. Een introductie is een middel om het consumptieproces tegen te gaan. Ik zal heel cru zijn. De mensen die naar La Traviata gaan in Vorst Nationaal worden uitgenodigd om een opera te consumeren. In de Munt proberen we van de voorstelling een moment in een proces te maken. Dat kan beginnen met een inleiding, eventueel via een televisie- of radioprogramma. Dan komt het grote moment – de voorstelling zelf – en daarna vindt er idealiter nog een debat of gesprek plaats dat meer is dan ‘ieder zijn eigen mening’, maar waar de expressie van al die meningen een moment van collectieve vorming kan creëren. Kunst biedt de fundamenteel menselijke ervaring dat er verschillende opvattingen over kunnen bestaan. In een cultuur waar ruimte is voor een debat over kunst, is die ruimte er waarschijnlijk ook voor een debat over politieke of sociale onderwerpen.

We moeten ons heel duidelijk verzetten tegen een consumptieve benadering van kunst: we mogen de kunstwerken niet beschouwen als producten en we mogen het publiek niet behandelen als klanten, maar meer als partners die deelnemen aan het proces. Het publiek is op bepaalde momenten even belangrijk als de artiesten. Een slecht publiek kan een slechte voorstelling maken. Soms zie je dat met sponsors. Dezelfde voorstelling die de dag voordien een fantastische reactie uitlokte vanwege het publiek kan de volgende dag banaal klinken omdat er geen reactie is vanuit de zaal. Dit is voor mij dus heel essentieel: in de kunst, en ook in de opera, zijn we niet bezig met producten. We zijn bezig met processen: een communicatieproces, een creatief proces. En wij verwachten van het publiek dat het daar een actieve rol in speelt.

Etcetera: In die zin richt de Educatieve Dienst zich niet alleen tot scholen en jongeren, maar tot iedereen die een bezoek brengt aan de opera en tot het verenigingsleven. Wordt erover nagedacht op welke manieren je een volwassen publiek bij het artistieke proces kan betrekken?

Foccroule: Tien jaar geleden werd er alleen bij een wereldcreatie een inleiding voorzien. Soms was er wel een lezing over een productie, maar nooit op de dag zelf. Nu is er bij elke voorstelling en bij elk concert een inleiding, een half uur voor de aanvang van de voorstelling. Wij zien dat het aantal geïnteresseerden voor deze inleidingen groeit. De inleidingen vormen ook een soort overgangsmoment tussen het leven buiten de schouwburg en de voorstelling.

Dankzij onze samenwerking met partners uit het verenigingsleven en andere organisaties, zoals de Vierde Wereldbeweging of een vereniging van zieke kinderen, bereiken we mensen die anders nooit naar de opera zouden komen. We kunnen ons niet tevreden stellen met het traditionele operapubliek. Ons publiek moet even gediversifieerd zijn als de samenleving. Maar we zullen nooit in staat zijn om een hele stad te bereiken binnen de muren van de opera. Daarom denk ik er soms aan om een openluchtconcert op de Grote Markt te geven. We moeten ook veel meer doen met de televisie, zoals we dat al doen met de radio. Ik vind het bijvoorbeeld jammer dat we La Bohème niet rechtstreeks kunnen uitzenden. De documentaires die we de laatste jaren met de VRT en RTBF hebben kunnen realiseren, gingen altijd over het proces en de betekenis: waarom doen we dit zo, wat wil de regisseur zeggen, welke mening hebben de zangers en muzikanten? Het zijn allemaal manieren om een publiek toegang te verschaffen tot een werk.

Dit alles zie ik als de opbouw van een relatie met het publiek. Ik ben er zeker van dat wat we de voorbije tien jaar gerealiseerd hebben nog maar een fractie is van wat er de komende tien jaar kan gebeuren. Dit seizoen is een seizoen van herbronning. We willen vermijden dat we zouden gaan teren op onze verworvenheden en in een soort academisme van de educatieve dienst vervallen. Zo stellen we ons bijvoorbeeld de vraag hoe we het beeld van de schouwburg kunnen veranderen. Van op het Muntplein zie je niets van de schouwburg: alleen maar een façade en gesloten deuren. Elke dag gebeuren hier fascinerende dingen, maar die blijven onzichtbaar voor de buitenwereld. Ik droom van een scherm dat permanent informatie geeft over wat zich afspeelt in de repetitieruimtes, in de ateliers, in de studio, in de grote zaal. Dat zal misschien pas binnen vijftien jaar te realiseren zijn, maar op korte termijn wil ik toch streven naar één of andere visuele presentatie van wat er hier in huis gebeurt. In december bezoeken ongeveer één miljoen mensen de Nieuwstraat. We moeten iets ondernemen om ook naar hen toe meer zichtbaar te zijn.

Etcetera: Tijdens de persconferentie over tien jaar educatieve dienst van de Munt zei u dat de kunsteducatie in het algemeen meer zichtbaar zou moeten zijn.

Foccroule: Een voorstelling is altijd openbaar: ze wordt aangekondigd en besproken in de pers, er komt publiek kijken, er wordt geëvalueerd. Het educatieve werk, in de klas of hier in de Munt, is zo goed als niet openbaar. De laatste jaren hebben we ongeveer 250.000 kinderen kunnen verwelkomen, maar niemand weet dat. Ik vraag me af waarom dat proces op termijn onzichtbaar zou moeten blijven. Het educatieve proces kunnen we nooit op dezelfde manier zichtbaar maken als het artistieke proces, maar misschien moeten we nieuwe manieren zoeken om het ruimere publiek ook over dit soort activiteiten te informeren. En ik heb het dan niet over publiciteit, maar over een soort openheid, over het maatschappelijk aanwezig stellen van kunsteducatie. In maart plannen we een concert met zeshonderd kinderen uit Brusselse scholen, die samen met het Kinderkoor van de Munt zullen zingen. Dat zou ik graag op televisie zien.

Tien jaar geleden sprak geen enkele onderwijsminister over kunst. Nu is kunst nog altijd geen prioriteit binnen het onderwijs, maar je merkt stilaan toch dat zowel de Franse als de Vlaamse onderwijsminister er af en toe over spreken. Dat is al een hele verandering, maar het is slechts een begin en totnogtoe zijn er nog maar weinig werkinstrumenten ontwikkeld. In beide gemeenschappen zijn er interessante dingen aan het gebeuren. In de Vlaamse Gemeenschap loopt dat tamelijk georganiseerd, via de CANON Cultuurcel en het tijdschrift Klasse. Dat zijn goede instrumenten, die de scholen kunnen helpen bij de uitbouw van een culturele dimensie.

Dit seizoen organiseren we vier studiedagen over de mogelijkheden waarover een artistieke instelling beschikt op vlak van kunsteducatie. We zijn van plan om daar een rapport over samen te stellen. We willen onze eigen educatieve werking optimaliseren, maar we hopen ook een aantal aanbevelingen te formuleren over de relatie school-kunst en over de maatschappelijke rol die de operahuizen kunnen spelen. Alles wat nu op het terrein gebeurt, beschouw ik als pilootprojecten. Pilootprojecten moeten echter geëvalueerd kunnen worden om er lessen uit te trekken.

Etcetera: U sprak over een samenwerking met de universiteiten in functie van een ontwikkeling van de kunsteducatie.

Foccroule: Een educatieve werking gaat over partnerschap. Wij moeten geen mensen opleiden; dat is de taak van het onderwijs. Maar wij kunnen iets toevoegen. In het samenwerkingsproces tussen een school en een kunstinstelling zou een derde partner een positieve rol kunnen spelen. Een universiteit kan zowel de kunstinstellingen als de scholen helpen door een aantal expliciete vragen te stellen. Welke zijn jullie verwachtingen? En jullie doelstellingen? Welke instrumenten hanteren jullie? Hoe kunnen we het proces evalueren? Welke lessen kunnen we trekken? Het intuïtieve proces dat we de laatste tien jaar gevolgd hebben, zou kunnen blijven, maar tegelijk ondersteund worden door veel meer analyse. Het zou aan rationaliteit kunnen winnen dankzij een wetenschappelijke dimensie.

Etcetera: Moeten de universiteiten helpen een balans te maken of beschouwt u ze als een vaste, derde partner in het kunsteducatieproces?

Foccroule: Dat is mij nog niet helemaal duidelijk. Het is best mogelijk dat educatieve samenwerkingsprojecten blijvend een derde partner nodig hebben. In Parijs staat de universiteit voor veel meer in dan voor een balans; ze verzorgt er het begeleidingsproces. Een voorbeeld dat zich buiten de scholen situeert, is onze samenwerking met het collectif d’alfabétisation, dat werkt met vluchtelingen en andere buitenlanders. Zang speelt daar een belangrijke rol: om de communicatie tussen de mensen te bevorderen, om de toegang tot onze taal te vergemakkelijken en om hun eigen cultuur aan bod te laten komen. Ik hoor veel positieve reacties en ik voel dat ook, maar dat is ‘voelen’. We hebben een aantal werktuigen nodig om dit werk, dat gesteund wordt door de federale overheid, verder te ontwikkelen. Moeten we het accent meer leggen op het verbale? Of op het culturele, het interculturele? Ik zie het als een taak van experts om ons te helpen bij het nemen van beslissingen over de accenten die we leggen.

Reseo, het Europees Netwerk van Educatieve Diensten verbonden aan Operahuizen dat we in 1996 hebben opgericht, wordt momenteel ondersteund door de universiteit van Leeds. De universiteit begeleidt een algemeen proces waarbij alle mensen die verantwoordelijk zijn over een educatieve dienst ten gronde met elkaar in gesprek gaan over hun werk. De resultaten van deze gesprekken worden geëvalueerd door de universiteit. De gevolgen hiervan kunnen heel belangrijk zijn op Europees niveau – het project wordt gesteund door de Europese Gemeenschap – en zeker ook voor de interne werking van al die educatieve diensten. Bovendien kan dit ook een positieve rol spelen ten aanzien van de operadirecties, die op deze manier een feedback krijgen over wat er allemaal in naam van hun huizen gebeurt, maar waarmee ze meestal niet goed vertrouwd zijn. Als operadirecteur ben ik bijna nooit aanwezig in een school. In de zaal ben ik elke dag, maar in de scholen maximum drie keer per betekent een enorm pluspunt voor iedereen.

Etcetera: Welke betekenis heeft een internationale dimensie voor een educatieve werking?

Foccroule: We leven in een periode waarin internationale contacten steeds belangrijker worden en dat geldt niet alleen voor de operaproducties. We hebben Europese netwerken waar operadirecteurs elkaar ontmoeten en we zijn een databank aan het ontwikkelen. Bij dit alles werken we aan drie hoofdpunten: ondersteuning van de mobiliteit van de hedendaagse opera, het stimuleren van nieuwe vormen van publiekscommunicatie, en permanente vorming van technici en productiemedewerkers binnen de opera. Opera is gedurende de vier eeuwen dat het bestaat altijd internationaal geweest, maar het is nooit zo Europees geweest als vandaag. Voor de educatieve werking is het internationale aspect nog belangrijker. De mensen die verantwoordelijk zijn voor de educatieve werking van een huis werken immers vaak in de marge. Ze staan niet centraal in het productiehuis en verhoudingsgewijs beschikken ze over weinig financiële middelen. Internationale contacten kunnen hen uitdagen en ondersteunen. En hoewel deze contacten grotendeels langs digitale weg verlopen, ben ik ervan overtuigd dat ze in de toekomst zeer vruchtbaar zullen zijn.

Etcetera: Is een samenwerking met educatieve diensten van theatergezelschappen, dansgezelschappen en musea dan ook niet vruchtbaar voor een operahuis?

Foccroule: In het verleden hebben we contact gehad met de educatieve dienst van het Philharmonic Orchestra van Birmingham, en meer recent met het London Symphonic Orchestra en het London Philharmonic Orchestra. Zij hebben fantastische educatieve programma’s, maar ze beschikken dan ook over veel meer middelen dan wij. Bij die orkesten gaat meer dan tien procent van het globale budget naar de educatieve werking. In Groot-Brittannië moeten de orkesten veel harder vechten voor hun identiteit en voor de vernieuwing van hun publiek, maar ook bij ons zullen de orkesten al heel gauw in deze situatie zitten, zeker wat het symfonische repertoire betreft. In Engeland en in de Verenigde Staten heeft men begrepen dat een educatieve werking cruciaal is voor de toekomst van bepaalde kunstvormen. Dit besef dringt nog maar langzaam door op het Europese continent.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 11 — 14 minuten

#85

15.02.2003

14.05.2003