‘Hitchcock’s Driesprong’ – Art & Pro – Foto Reyn van Koolwijk

Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 6 — 9 minuten

Drie uit Zuid tegen acht uit Noord

Nederlands Theater Festival

Wanneer dit nummer van Etcetera verschijnt, is het tweede Theaterfestival met de belangwekkendste voorstellingen uit het voorbije seizoen in Vlaanderen en Nederland — gekozen door een jury van Vlaamse en Nederlandse critici — reeds achter de rug.

Tussen 19 augustus en 2 september werden in de nieuwe Stadsschouwburg van Rotterdam acht van de elf geselekteerde produkties getoond, nl. Bakeliet (Toneelgroep Amsterdam), Action (De Zaak), Rinus (FAct), On wings of art (Onafhankelijk Toneel), Romeo en Julia (K.V.S.), Een Stuk van twee dagen (Blauwe Maandag Compagnie), Hitchcock’s Driesprong (Art & Pro) en Sardou/Wilde/Shaw (Maatschapij Discordia). Drie andere genomineerde produkties – Meeuw (Persona), Edward II (Toneelgroep Amsterdam) en Macbeth (De Tijd) konden om diverse redenen niet (meer) in deze periode gehermonteerd worden.

De idee van een theaterfestival waar de meest interessante voorstellingen van het afgelopen seizoen uit het Nederlandse taalgebied opnieuw onder de aandacht worden gebracht, is in feite ontleend aan het Berliner Theatertreffen, waar — telkens in de maand mei — en dit al gedurende 25 jaar de “top tien” van het Duitstalige repertoiretheater wordt bijeengehaald. Het is uiteraard onmogelijk om op het moment dat wij dit schrijven, vóór het festival, een evaluatie te maken van de tweede editie van het Nederlandstalige initiatief. Wel willen we enkele kanttekeningen plaatsen zowel bij de inhoudelijke intenties van dit festival, als bij de organisatorische consequenties daarmee verbonden.

Jury

Laten we beginnen met dat deel van het festival dat wél als “afgewerkt” kan beschouwd worden, nl. de arbeid verricht door de jury. Deze bestond uit drie Vlamingen (Carlos Tindemans, Wim Van Gansbeke en Jon Misselijn) en zes Nederlanders (voorzitter Tom Blokdijk, Martin Schouten, Tineke Straatman, Eddy Geerlings, Dirkje Houtman en Eric van der Velden). De laatste twee verlieten de jury na loting op de einddeliberatie in mei. Het reglement schrijft nl. een jaarlijkse ‘Verversing” voor; bij de volgende editie van het festival worden die leeggekomen plaatsen ingenomen door Max Smith (NRC-Volkskrant) en Hanny Alkema (Nederland 3-T.V.)

In dit festival is het er de jury met haar keuze niet om te doen een doorsnede te tonen van een theatersituatie op een bepaald moment, noch wil dit festival een weerspiegeling zijn van wat zich binnen de diverse sectoren/ genres (repertoire-theater, margetheater, vrije sektor enz) aan “betere” produkties aandient. Om voor uitverkiezing in het festival in aanmerking te komen, is het niet voldoende dat een stuk goed geschreven is, en goed geregisseerd en gespeeld wordt, zo zegt het juryrapport (uitgegeven als een speciale editie van het weekblad De Tijd). Dit verklaart b.v. dat — tot verbazing van de Blauwe Maandag Compagnie zelf — niet hun Nachtwake maar wel hun Stuk van twee dagen verkozen werd. Nachtwake was voor de jury, zo zegt voorzitter Tom Blokdijk, zo’n “gewone, goede voorstelling”, terwijl Een stuk van twee dagen precies “iets meer dan dat” te bieden had. Hoe dat “iets meer dan dat” te omschrijven valt, aan de hand van welke normen het te bepalen is, hangt natuurlijk volledig af van de individuele en subjektieve voorkeuren van de juryleden.

Men kan zich hierbij terecht de vraag stellen of het bijeenbrengen en ter stemming leggen van negen verschillende voorkeuren, niet onvermijdelijk tot compromissen leidt. Hoe groter een jury, hoe ondoorzichtiger haar motieven. Een veel kleinere groep zou zonder twijfel meer duidelijkheid en scherpte in haar keuze kunnen aanbrengen.

In haar verantwoording schrijft de jury: “De openheid om te luisteren was groot. De bereidheid om met andere ogen naar een voorstelling te kijken, die zelfs nog een keer te bezoeken en zich ten slotte te laten overtuigen was mogelijk nog groter dan vorig jaar”. Hoewel tolerantie en openheid traditioneel gezien in het lijstje van de positieve eigenschappen thuishoren, is het toch te betwijfelen of “de bereidheid zich te laten overtuigen” in dit geval zo toegejuichd moet worden. Houdt dit niet meteen het risico in van “onderhandelen”: als jij voor “mijn stuk” stemt, steun ik ook “het jouwe”? En is een dergelijk onderhandelen op termijn niet de voorbode van “koopjes sluiten”? Kortom, zijn én het publiek én de theaterpolemiek niet beter gediend met een scherp geprofileerde keuze, waarbij voornoch tegenstanders onverschillig kunnen blijven?

Wanneer we het juryrapport van deze tweede festivaleditie met dat van de eerste vergelijken, dan valt een zelfde tendens tot compromis op. Vorig jaar bevatte dit rapport voor elke voorstelling een meerderheids- én een minderheidsstandpunt. Ook al kon men toen betreuren dat de auteurs van deze deelrapporten niet vermeld werden, toch had deze werkwijze het voordeel dat een reële betrokkenheid (pro of contra) van de juryleden erin verwoord werd. Het huidige juryrapport bevat alleen een verantwoording van de keuze: per voorstelling wordt verklaard en gerechtvaardigd waarom ze genomineerd werd. Alles wordt hierdoor onvermijdelijk in positieve termen gesteld: een schijnbare objektiviteit die alle schakeringen tot één kleur herleid; van de reële en doorvoelde argumenten waarom iemand van een voorstelling houdt of niet, dringt helaas nog weinig door.

Prijs

Er is nog een aspekt aan dit festival verbonden waarbij wij enkele vraagtekens willen plaatsen omdat het de “natuurlijke wisselwerking” van een voorstelling met haar makers enerzijds en met haar publiek en pers anderzijds in zekere mate vervormt: wanneer de genomineerde voorstellingen heropgevoerd worden, mag het publiek, via een speciaal hiervoor uitgedokterde enquête, “een winnaar” aanduiden; deze ontvangt een prijs van niet minder dan 30.000 gulden, geschonken door een sponsor, nl. de Dommelsche Bierbrouwerij. Op de sponsor-stempel die hierdoor onvermijdelijk op het gebeuren wordt gedrukt, willen we hier voorlopig niet ingaan, maar wel op het wedstrijdkarakter van deze publieksprijs. (In het kader van het festival wordt ook nog een prijs voor Toneelschrijfkunst uitgereikt.)

De “beste” theatervoorstelling van het voorbije seizoen: bestaat zoiets? En hoe bepaal je dat? Is dat niet appelen met citroenen vergelijken, wanneer — zoals vorig jaar b.v. — Ritter Dene Voss van Maatschappij Discordia naast Virginia Woolf van De Witte Kraai geplaatst wordt of naast De Getemde Feeks van Malpertuis? Vorig jaar ging de prijs met een nipte meerderheid naar Virginia Woolf. Maatschappij Discordia liet expliciet weten dat zij — zoals trouwens ook vorig jaar — precies om die redenen niet mee wensen te dingen naar de Dommelsche Theaterprijs. De intenties van een Landjuweel of een Rederijkerstornooi lijken moeilijk te verbinden met de functie en de taken van het huidige theater.

Verschillen

Ook al is het voorbarig uitspraken te doen over het festival als dusdanig, toch valt er bij een oppervlakkige blik op de keuze van de jury een aantal verschillen op t.o.v. de vorige editie. Vorig jaar werden negen produkties gekozen waarvan vijf Vlaamse; dit jaar zijn er drie Vlaamse voorstellingen op de elf genomineerde. Is de zgn. “Vlaamse Golf’ binnen de Nederlandse appreciatie dan effektief uitgedeind of valt vandaag gewoon alles binnen de geijkte proporties? De verhouding 3/8 beantwoordt immers ongeveer aan de verhouding tussen het aantal produkties dat op één seizoen in Vlaanderen wordt uitgebracht en het equivalent daarvan in Nederland. Statistisch gezien is het bovendien onmogelijk om op basis van de “uitslagen” van twee festivals reeds uitspraken te doen over tendensen; sommige regisseurs die er vorig jaar wel bij waren vallen in de tweede editie weg en omgekeerd; conclusies met betrekking tot hun ontwikkeling kan men hieraan echter nog niet vastknopen.

In het juryverslag wordt nochtans wel de nadruk gelegd op het feit dat er vorig jaar slechts één grote-zaal-produktie genomineerd werd, nl. Hamlet(Toneelgroep Amsterdam) en dat het er dit jaar vier zijn (Bakeliet, Romeo en Julia, Macbeth en Edward II). Is dit een reële tendens of beantwoordt dit feit eerder aan een bewuste opwaardering van het repertoiretheater in Nederland? Reeds lang wenst men daar een vernieuwende impuls in het grote theater te brengen, o.m. via de investering van “marge”-regisseurs in de grote structuren. Vlaanderen lijkt geen gelijke tred te houden met deze Nederlandse evolutie; de bruggen tussen grote en kleine structuren zijn hier blijkbaar grondig opgeblazen en aan beide zijden vertoont men weinig enthousiasme om opnieuw betrekkingen aan te knopen. Uitzondering hierop vormt in dit festival uiteraard het werk van Dirk Tanghe bij de K.V.S., een uitzondering ook in sfeer, filosofie en esthetiek, wanneer we zijn Romeo en Julia naast de meeste andere voorstellingen uit dit festival stellen.

In het boekje Van malaise, crisis en dingen die voorbij gaan, een tussentijdse uitgave van het Theaterfestival, d.w.z. gepubliceerd midden in de tijdsspanne tussen het eerste en het tweede festival, staat een tekst waarin juryvoorzitter Tom Blokdijk een gemeenschappelijke noemer tracht te vinden voor alle voorstellingen uit de eerste editie. Hierin stelt hij: “Wat ik op de bodem van alle voorstellingen aantref, is een grondige afkeer van wat er in de werkelijkheid gebeurt”; volgens Blokdijk is deze rode draad ook in het tweede festival door te trekken. Maar Romeo en Julia lijkt ons eerder een werkelijkheid te bevestigen dan er kritiek op te leveren en Hitchcock’s Driesprong staat eerder los van die werkelijkheid; het ontrolt zich als een op zichzelf draaiend mechaniekje waar je als toeschouwer geen vat op krijgt. Deze twee voorbeelden tonen aan hoe moeilijk het blijft om in een pakket samengesteld uit de keuzen van negen individuen rode draden op te sporen.

Rotterdam

Een laatste opmerking ten slotte m.b.t. de organisatie van het festival. De eerste versie vond plaats in Amsterdam; vanaf dit jaar — en dit voor minstens drie keer — wordt Rotterdam bespeeld. Deze stad heeft 1988 uitgeroepen tot één groot kultureel festijn. Alle voorstellingen van het theaterfestival alsook alle nevenaktiviteiten (lezingen, gesprekken, enz.) vinden hun onderdak in de recent geopende nieuwe Stadsschouwburg. Deze overplanting houdt echter een aantal risico’s in. Amsterdam heeft a.h.w. een “vanzelfsprekend” publiek voor dergelijke manifestaties, terwijl dit in Rotterdam niet evident is. Wel lijkt de pers, die vorig jaar sceptisch en zelfs wantrouwig stond t.o.v. het initiatief, een veel grotere bereidheid te vertonen om het festival in de aandacht te brengen. Door de inplanting in het geografisch minder verafgelegen Rotterdam bestaat er misschien een kans om de Vlaamse theaterwereld in al zijn geledingen nauwer bij de manifestatie te betrekken.

De vraag blijft of de Vlaamse overheid die nu slechts een subsidie van 300.000 BF aan het festival besteedt, dit in de toekomst niet met meer middelen wil honoreren. Het gaat ten slotte om een concreet voorbeeld van culturele integratie waartegenover een overheid in het licht van de Europese eenmaking toch niet onverschillig kan blijven. Vorig jaar werd de prijs van het Theaterfestival in de Amsterdamse Stadsschouwburg uitgereikt door de Nederlandse minister van Cultuur Brinkman, die in zijn toespraak expliciet refereerde naar de oprichting van een Nederlands-Vlaams theater-coproduktiefonds. Nederland heeft zich m.b.t. dit fonds aan zijn afspraken gehouden; van Vlaamse zijde kwam men gedane beloften niet na. Vandaag wordt de eer van de prijsuitreiking voorbehouden aan minister Dewael. Laat ons hopen dat hij deze uitnodiging aanvaardt en dat hij bovendien… niet met lege handen komt.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#23

15.09.1988

14.12.1988

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

artikel