Klaas Tindemans

Leestijd 3 — 6 minuten

Drie meisjes in korte japonnen

“… MAAR NOG NOOIT DOOR ONS!”

Sprookjes blijven de kern uitmaken van de verbeeldingswereld van het kind. Een verbeeldingswereld die gemeenschappelijk is, in een bepaalde cultuur en misschien nog verder, wereldwijd. Sprookjes zijn mythische verhalen, in talloze varianten telkens weer verteld, over verlangens, van kinderen, van alle mensen. Een verlies ontstaat, een verlangen om het verlies goed te maken ontstaat, de held(in) doorstaat een proef om het verlangen te vervullen, het verlies is goedgemaakt. Omdat deze vervulling steeds ten koste gaat van een nieuw verlies, ontstaat de behoefte van de mensheid om het verhaal steeds opnieuw te vertellen.

Bij het begin van de voorstelling Dag Monster vertellen drie actrices, die verder ook alle rollen onder elkaar zullen verdelen, het elementaire verloop van La Belle et la Bête. Ze stellen vast dat iedereen het sprookje eigenlijk al kent: rijke koopman keert berooid terug van de reis, plukt witte roos voor zijn lievelingsdochter in tuin van monster, monster eist dat hij sterft of dat dochter vrijwillig naar hem komt, monster doet herhaaldelijk huwelijksaanzoek, dochter weigert vol afschuw, dochter stemt ten slotte toch toe, monster wordt prins, koopman kan gelukkig sterven. Ze beginnen het overbekende verhaal toch te spelen, “want wij hebben het nog nooit verteld”. Het is hun unieke variant die het verhaal een nieuwe betekenis kan geven, of anders gezegd: het is het specifieke gevecht van deze drie meisjes/actrices om met het monster te kunnen leven, meer nog, om ervan te leren houden (de proef: een zeer zware strijd), dat de kinderen, het publiek, kan wijzen op de telkens terugkerende actualiteit van het oude, “afgezaagde” sprookje.

Drie actrices, klein van stuk, dragen glanzende korte japonnen, waaraan ze stilistisch keurig aansluitende attributen toevoegen: wat kant of pels voor de kokette boze zussen, lappen en een gazen masker voor het monster, een lange jas met brede kraag voor de koopman. Nooit ligt het personage vast: als één van de meisjes het lastig krijgt, angst heeft voor het monster en als daardoor het verhaal gaat haperen, neemt een andere actrice het over, en gaat een stap verder in het avontuur. Vertellen wordt een gevaarlijk engagement, want je eindigt, als personage, anders dan je begonnen bent. Het is deze sub-tekst, die soms expliciet naar boven gehaald wordt-alle drie proberen ze het meisje bij het monster te spelen – die deze voorstelling zo bijzonder maakt. De esthetiek – een antieke-meisjeskamer-achtig koloriet, zacht paars, blauw, geel, erg donker, schermen met een golvend motief dat steeds een vloeiende lijn in het decor brengt – blijft volgehouden: er is geen zichtbare breuk tussen vertel-act en vertel-object. De kwetsbaarheid ligt nu eens bij de vertelster, dan weer bij het personage dat ze vertolkt en waarin ze zich helemaal kan inleven.

Even bevreemdend-poëtisch en tegelijk direct-voelbaar werkt de tekst. Een vanzelfsprekende zegging laat dit verhaal klinken als Shakes-peariaanse blanke verzen, die zelfs lijken te rijmen. Met name de scène waarbij het meisje binnentreedt bij het monster, is uiterst suggestief: de speel-vrees, die in heel het stuk aanwezig is, is hier bijzonder voelbaar, en ook moeilijkere inhouden als het initiatie-motief of de ontmaagdingsangst worden aangeraakt. De poëtische duidelijkheid van de taal sluit een freudiaanse verklaring uit, het sprookjesachtige (het mythische dus) wordt niet ontluisterd, wel op een zeer theatrale, dus poëtische manier als een realiteit herkenbaar gemaakt. Zonder af te wijken van het bevreemdende, afstandelijke esthetische kader. Deze irreële omgeving prikkelt juist de aandacht en kan de kinderen vatbaar maken voor de zeggingskracht van taal en spel. Aansluitend bij deze “zachte” esthetiek werkt vooral het ritme van de voorstelling als dramatische kracht. De aandacht wordt langzaam opgebouwd, de actrices tasten met hun ritme de zaal af en werken op de nuances.

Dag Monster is een moeilijke voorstelling, denk ik, met veel tekst, waarin elk woord, elk gebaar, elke klemtoon betekenis heeft, zonder spektakel, met vooral veel rust. De meisjes/actrices graven in zichzelf, met een bepaalde nuchterheid, die precies de directheid van gevoelens op een scène stimuleert. Op het einde, dat heel klassiek verloopt – iedereen is gewoon gelukkig – klinkt er wel een ondertoon van spijt door: het is jammer dat het verhaal al uitverteld is, we hebben bij onszelf zoveel “waarachtige” dingen meegemaakt. Morgen beginnen we opnieuw, we hebben nog zoveel sprookjes niet verteld.

 

DAG MONSTER

auteur: Pauline Mol; regie: Liesbeth Coltof; met: Ryan van den Akker, Renske van Proosdij, Marian van Steen; toneelbeeld: Ellen Scheffer; produktie: stichting Theater Eldorado.

Gezien in de Beursschouwburg op 8 februari.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

recensie