3 Koningen, Cie De Koe / Sofie Van Mieghem

Bruno Koninckx

Leestijd 4 — 7 minuten

Drie koningen en een controletoren

Compagnie De Koe bracht een tweeluik uit rond macht en manipulatie. Twee zeer uiteenlopende voorstellingen die zo te zien alleen een controletoren gemeen hebben.

Op 6 januari van dit jaar pakte Compagnie de Koe uit met haar eerste produktie van dit seizoen, 3 Koningen. In december had de groep een ‘gevisualiseerde proloog’ gebracht, het lokatieproject De rest is overschot. Aan dit tweeluik werkten deels verschillende equipes. Van de oprichters van Compagnie de Koe zorgde Bas Teeken mede voor het idee en de teksten van de proloog; Peter Van den Eede deed de regie van 3 Koningen en schreef een gedeelte van de tekst.

Voor De rest is overschot werkte Bas Teeken samen met beeldend kunstenaar Michiel Voet aan de vormgeving. Als je in de voormalige Rijstpellerij op de Vlaamse Kaai binnenkomt, word je verwelkomd door twee hostessen. Eerst word je rondgeleid omheen een grote houten constructie. Het lijkt wel een bouwwerf, want er ligt bouwmateriaal en er lopen bouwvakkers rond. De hostessen delen uit dekens gemaakte overjassen rond. Uiteindelijk mag het publiek binnen.

De houten constructie blijkt uit vier compartimenten te bestaan. In de eerste ‘zaal’ staan een kleine publiekstribune en een lezenaar opgesteld. Een man (Bas Teeken) in net pak komt op en begint te vertellen. De spreker blijkt een projectontwikkelaar te zijn die een lezing komt houden. Bas Teeken geeft met deze lezing een indrukwekkend staaltje retoriek weg. Via een breed uitgesmeerde verheerlijking van de wonderwel georganiseerde mierenwereld wil hij zijn toehoorders overtuigen van het belang van planologie en projectontwikkeling. Om zijn pleidooi visuele kracht bij te zetten, worden de kernwoorden op twee wanden geprojecteerd.

Na afloop worden de toeschouwers naar de tweede zaal geleid, waarbij ze thee aangeboden krijgen. In deze ruimte hangen langs twee zijden glazen kasten waarin een bouwvakker zit. Peter Van den Eede ondervraagt op een brutale, uitgekookte en valse manier achtereenvolgens een man, diens kind en vrouw. De scène lijkt zich af te spelen in een totalitaire staat: acteurs én toeschouwers dragen een nummer op hun jas, er is een ‘baas van het land’ en ook een belangrijke god. In naam van orde en god mogen mensen blijkbaar ondervraagd en gefolterd worden.

In de derde zaal ligt puin op de grond en hangen aan weerszijden houten kokers. Uit een luidspreker klinkt een niet echt goed te volgen verhaal waarin opnieuw mieren een rol spelen. De laatste zaal is ondertussen al zichtbaar geworden. Daar staat een man in zwart uniform en met een bivakmuts een tekst op te zeggen. Op het einde doet hij zijn bivakmuts af en loopt weg.

Toeschouwer tussen twee stoelen

In de opeenvolging van de vier scènes zit een zekere evolutie, van concreet naar abstract, van herkenbaar naar bevreemdend: van een alledaags gegeven als een lezing, via de scène van de harde ondervraging tot de bevreemdende situatie in de derde en vierde scène. De toeschouwer wordt stap voor stap van het ‘bekende’ naar het ‘onbekende’ gebracht.

De thematiek van macht en manipulatie speelt op twee niveaus. Er worden verschillende situaties getoond waarin macht een belangrijke rol speelt. Maar de produktie speelt ook met de macht of de mogelijkheid tot manipulatie die de theatermaker tegenover zijn publiek heeft. In de eerste zaal spelen de toeschouwers letterlijk mee — ze hebben trouwens ook een ‘kostuum’ aan. Zij worden willens nillens gedwongen in de rol van publiek dat een lezing ondergaat van een listige projectontwikkelaar. In de tweede zaal wordt de bezoeker weer helemaal toeschouwer, zodat hij in de derde en vierde zaal tussen twee stoelen dreigt te vallen: die van toeschouwer en die van betrokkene in het spel. De bezoeker is in de twee laatste scènes bijna alleen — in de voorlaatste scène is er zelfs geen acteur —, en moet dus wel de rol van ‘acteur’ op zich nemen, maar hij krijgt geen specifieke rol opgelegd zodat hij niet tot ‘actie’ of ‘acteren’ kan overgaan en in zijn rol van toeschouwer blijft steken.

Vanuit dramaturgisch oogpunt is De rest is overschot niet echt een sterke produktie. Naast het hierboven beschreven loslaten van de toeschouwer, is ook bijvoorbeeld de ondervragingsscène in de tweede ruimte een beetje goedkoop. Scenografisch gezien kan het lokatieproject wél geslaagd genoemd worden: Bas Teeken en Michiel Voet hebben een ruimte ontwikkeld die op zich heel wat te vertellen heeft.

Op het eerste gezicht is de link tussen De rest is overschot en 3 Koningen scenografisch: in de tweede produktie staat een soort controletoren die qua materiaal en vorm doet denken aan de houten constructie annex uitkijkpost uit De rest is overschot. Voor het overige lijken er weinig overeenkomsten. Buiten de toren zijn er nauwelijks decorelementen: drie stoelen, drie telefoontoestellen en een muziekstaander.

En er zijn ook drie ‘koningen’. Eén van hen (Koen De Bouw) draagt een tulband en wordt Balthazar genoemd. De tweede heet Louis (Frank Focketyn) en is een nichterige militair. De derde (Steven van Watermeulen), die in het stuk geen naam krijgt maar in het persbericht Lear genoemd wordt, heeft een zwarte broek en een witte jas met rouwlint aan. Hij ziet eruit als een zakenman. Anders dan in het Nieuwe Testament, zijn de drie koningen hier niet om een pasgeborene te verwelkomen, maar om een begrafenis mee te maken: er is een baby gestorven, maar even later blijkt die uit de dood verrezen.

De humor varieert van plat (Koning Louis draagt onder zijn uniform dameslingerie) over ingenieus en droog tot zwart. Vooral de zwarte humor is overvloedig aanwezig: over de gestorven baby of over de verongelukte familie van Louis wordt op een alledaagse, luchtige manier gepraat.

Houvast

Hoewel in 3 Koningen de situatie en de personages niet duidelijk omlijnd worden, biedt deze produktie de toeschouwer toch meer houvast dan vorig werk van Compagnie de Koe (cf. de ondefinieerbare sfeer in Epiloog van de eenzaamheid en De Touroperator, zie Etcetera 36 en 39). Maar misschien is de houvast slechts schijn.

De drie koningen hebben duidelijk banden met de kerkelijke overheden. Op deze manier krijg je de traditionele machtsblokken bijeen: de kroon, het leger, het geld en de kerk. Maar wat te doen met de toren die prominent aanwezig is op de scène? Via die toren staan de koningen in verbinding met de (buiten)wereld. Wanneer ze opgebeld worden, zie je dat de man in de toren hen belt. Gebruiken de drie de man in de toren als verbinding met de buitenwereld of is hij het die hen manipuleert? Op deze manier wordt een link gelegd met het manipulatiethema uit de proloogvoorstelling. En ook macht speelt een rol: de drie koningen testen hun onderlinge machtsverhoudingen maar kijken eensgezind neer op Philippe Sigaar, Philippe Modaal en Philippe met de Pet.

De drie koningen worden opgevoerd als onnozel, zielig en incompetent. Er zijn nog ‘maatschappijkritische’ zekerheden.

 

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#44

15.02.1994

14.05.1994

Bruno Koninckx

artikel