Klaas Tindemans

Leestijd 3 — 6 minuten

Drie bedenkingen bij een podiumdecreet: een draak met vier koppen.

1.

Elke keer blijkt opnieuw dat de discussie over het podiumdecreet enorm bemoeilijkt wordt door de absurde toestand van de Vlaamse Executieve, die vuur en water probeert te verzoenen, die meerderheid en oppositie in één pot politieke grijsheid gaar kookt : wat ‘slecht’ is in het nieuwe decreet is, volgens de cultuurminister, te wijten aan het compromis, en volgens de SP-cultuurcel aan de liberale stokpaardjes van diezelfde minister. Wat die minister, wat die cultuurcel(len) met podiumkunst willen, daar kom je niet achter. Ze blijven immers te vaak de indruk geven het zelf niet goed te weten.

2.

“We mogen blij zijn dat de nieuwe theaterstructuren, zoals de kunstencentra, nu eindelijk hun decreet hebben”, zegt de minister, en de kunstencentra applaudisseren beleefd. Kan iemand mij één reden noemen waarom kunstencentra – of andere vormen van theater – gelukkig moeten zijn met een wet, om de wet ? Deze wet, van onbeperkte duur – dat wil zeggen : tot de toestand opnieuw verrot is – regelt de verkeerde dingen en is daar trots op. De minister zegt – opnieuw nagepraat door de kunstencentra – dat er geen sociale bepalingen in het decreet moeten staan, want hij is toch cultuurminister : laat de kunst over aan de kunstenaars, zeg ik dan, maar zorg dat ze goed betaald worden, dat is precies één van zijn verantwoordelijkheden als cultuurminister. Een decreet moet minstens zeggen dat theaters moeten aansluiten bij een collectieve arbeidsovereenkomst. Meer in het algemeen : er zijn voor de juridische vormgeving van een kunstenbeleid twee dingen nodig. Een kaderwet die administratieve, sociale, begrotingstechnische en andere niet-artistieke elementen regelt, en een soort programmawet (in Nederland is dat het vijfjaarlijkse ‘kunstenplan’) die voor beperkte tijd een artistiek beleid uitstippelt, dat er b.v. uit kan bestaan kunstencentra als structuur naar voren te schuiven, als alternatief voor de ensembles. Maar kunstencentra of ensembles als structuur juridisch vastleggen voor onbeperkte tijd (zoals dit decreet doet) is slechte politiek : misschien zijn kunstencentra over tien jaar absoluut niet meer relevant, zoals ensembles vijf jaar geleden alleen maar contraproductief waren.

3.

Die onzalige discussie over de Raad van Advies : niemand vraagt zich af welke de democratische functie kan zijn van een adviesorgaan, en welke middelen zo’n adviseurs nodig hebben om zich van die functie te kwijten. Er is alleen de (ondemocratische, want neerkomend op een vrijbrief voor efficiënte lobbying) idee om elk verplicht advies af te schaffen en de (corporatistische) idee om vooral professionelen, d.w.z. belanghebbenden over hun eigen zaakjes te laten beslissen. Allereerst moet men zich afvragen waarover precies zo’n raad moet adviseren : over het beleid, over de invulling van dit beleid (erkenning) of over de materiële toepassing ervan (subsidiëring). Nu adviseert de R.A.T. over het laatste (wie krijgt hoeveel geld ?) en van al de rest maakt ze zich af met holle frasen en inhoudsloze opmerkingen. De minister heeft gelijk dat hier de positie van theaterdirecteurs en bestuurders volstrekt ontoelaatbaar is: in de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen, om maar iets te noemen, zitten ook niet de kandidaat-investeerders zelf om mee te praten over toelagen. En dat de ziekenfondsen meebeslissen over hun administratieve vergoedingen via het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat vindt toch ook iedereen schandalig. Dus, Tillemans : jouw opmerking over de reactionaire argwaan van de (klein)burger voor de kunstenaar die niet met centen kan omgaan, die klinkt verdacht Maar belangrijker dan de samenstelling – op een bepaalde manier moeten de professionelen toch aan het woord komen, dus beter via een structuur, dan via de vrije markt van de lobbying – is de kwaliteit van de adviezen, een kwaliteit die de voorwaarde is voor autoriteit die de minister verlangt. Om het noodzakelijke studiewerk te verrichten bij de voorbereiding van adviezen, is er een ambtelijke staf nodig : dat hoeft geen personeelsuitbreiding te betekenen, enkel een andere taakverdeling op administratie en kabinet : momenteel wordt een keer of drie geadvizeerd (R.A.T., administratie en kabinet), terwijl een professioneel ondersteund advies in één keer goed kan zijn. Bovendien maakt de ‘verambtelijking’ van het advies – en goede, professionele ambtenaren, die de theatermaterie kennen, dat lijkt me toch niet teveel gevraagd – het mogelijk dat de professionelen, van op een zekere afstand dan, toch weer structureel bij het advies betrokken worden, in werkgroepen of iets dergelijks. Maar ik vrees dat mijn denkoefeningetje al achterhaald is : de haast om tegen september met een decreet te kunnen pronken bepaalt alles, en de discussie is beperkt tot de ministerraad. En de collega’s van de cultuurminister zijn niet beter geadviseerd dan de minister zelf : een hoogstaande discussie, waarin kunstenaar en publiek (anders dan in toeschouwersaantallen) centraal staan wordt het, naar ik vrees, niet echt.

(Zie het ‘debat’ tussen Minister Dewael, Hugo de Greef en Walter Tillemans in De zevende dag, BRT televisie, 20 mei 1990)

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

artikel