Leestijd 4 — 7 minuten

Dossier opleiding: Tone Brulin

‘Veel studenten gaan naar een toneelschool omdat hun ouders in amateurkringen spelen in Poperinge en Diest. Dat moet je openbreken.’

Regisseur en auteur Tone Brulin is in heel zijn loopbaan intensief bezig geweest met theateropleiding. Hij volgde les in het Hoger Instituut voor Toneel en Regie, de zgn. Pre-Studio die onder leiding stond van Odile Daem en Joris Diels, studeerde aan de Nationale Hogeschool voor Architectuur en Sierkunsten (Ter Kameren-Brussel), is één van de eerste leerlingen van de Studio en behaalde een Full Bright Scholarship in Amerika. Als docent is hij verbonden geweest aan het RITCS, was gastprofessor aan verschillende Amerikaanse universiteiten, professor in Maleisië en studieleider in Maastricht. In de Studio regisseerde hij onlangs Prostituées van Djakarta.

Tone Brulin: Ik weet niet of ik de geschikte persoon ben om iets te vertellen over opleiding. Al wat ik doe is nl. ondergeschikt aan mijn schrijven. Doceren doe ik met de egoïstische bedoeling er iets van te gebruiken in mijn stukken. Ik ben dus geen goed pedagoog.

Toch werk ik graag met jonge mensen. Ze hebben nog niet de pretentie het allemaal te weten: je kan van een blanco vertrekken, allerlei uitproberen. Maar stilletjesaan heb ik ervaren dat je niet over een bepaalde drempel komt, en die is nogal laag. Steeds weer kom je tot dezelfde drempel wegens de beperking in leeftijd en ervaring. Ik heb dus gaandeweg mijn interesse voor opleiding verloren.’

Hoe was je eigen opleiding?

Ik ben altijd op de drift geweest, zoekend en tastend. Terwijl ik in Brussel studeerde bij Herman Teirlinck in de Ter Kamerenabdij, volgde ik les in Antwerpen aan het Hoger Instituut voor Toneel en Regie. Af en toe ging ik naar de cursussen van Van Santvoort in het Conservatorium in Antwerpen, en ik heb een jaar les gevolgd bij Maes in het Conservatorium van Brussel. Ik was altijd wel met iets bezig.

Wat heeft Teirlinck voor je betekend?

Teirlinck heeft de basis gelegd voor mijn werk. Hij was een schitterend improvisator, een babbelaar, en of je er les van kreeg of ermee op café ging, dat was allemaal hetzelfde. Hij deed zijn mond open en ‘t was interessant: iemand waar je naar luisterde.

De Studio was voor mij een verschrikking. Ook omdat Ter Kameren zo interessant was: daar kwam je in een stimulerend klimaat terecht met lesgevers van wereldformaat als Oscar Jespers, Cantré, Joris Minne. In Brussel stond het raam naar de wereld open. Toen ik in Antwerpen kwam werd alles petit bourgeois en ‘aantwaarps’, het werd allemaal petit petit, dat is trouwens niks veranderd. Daarbij komt dat ik me nogal eigenaardig gedroeg, ik was echt ne rare kwiebus die men maar zijn gang liet gaan.

Ze hebben je toch een diploma gegeven?

Ja, schoorvoetend hoor. Er stond ook niet veel op: voldoening of zo. In Brussel had ik grootste onderscheiding.

Daarna ben ik gaan stempelen. Dat was moreel een grote klap: iedereen van de klas had werk. Al schrijvend heb ik dat dan verwerkt: ik kreeg nl. een prijs in Nederland en werd ter gelegenheid van een boekenbeurs voorgesteld aan koningin Juliana. Daarvan verschenen foto’s in alle kranten. Een ‘dopper’ die de hand gaf aan de koningin. Plots wist men dat ik bestond.

Heeft de ontmoeting met Grotowsky je ideeën over opleiding beïnvloed?

Ik kwam met Grotowsky in contact toen die amper 26 was. Ik heb dat wel in mijn lessen verwerkt, maar het was meer een bevestiging van wat ik al dacht. Nu zie je die Grotowsky-oefeningen op straat, in de break-dance. Iedereen doet dat nu, terwijl dat vroeger tot een kleine groep behoorde.

Spelen is voor een deel een gave. Wat kan een toneelschool leren?

Eerst en vooral zou een toneelschool de mensen intellectueel moeten openen, de begrensdheid opheffen. De ervaring leert nl. dat veel studenten naar een toneelschool gaan omdat ze elders niet binnen kunnen, of omdat hun ouders in amateurkringen spelen in Poperinge of Diest. Dat moet je openbreken. Daarnaast moet je hun bepaalde disciplines leren: heel belangrijk is leren kijken en luisteren, bewegingen analyseren, zelfobservatie ook, om dan te kunnen projecteren naar buiten. Dat kan je natuurlijk ook zelf leren als je gedisciplineerd bent en weet waar te zoeken.

Maar wat je ondervindt is dat de jongste jaren de interesse niet zo ruim is. Men is louter bekommerd om een bestaanszekerheid. En dat heeft natuurlijk niets met kunst te maken. Dat volledige engagement ten opzichte van kunst kom je niet meer tegen. Zelf heb ik de wereld afgereisd op zoek waar ik iets kon leren. In Amerika heb ik honger geleden, maar ik ging twee-drie keer per dag naar theater. Vandaag zijn jonge mensen daar niet meer toe bereid: eerst moeten er subsidiegaranties zijn voor men iets onderneemt.

Siti Fauziah is er ondertussen bij komen zitten. Zij gaf vijf jaar T’ai Chi in de Studio. Daar is ze nu mee gestopt. S.F.: T’ai Chi eist een grote discipline, een stilte, geduld, die de jongeren vandaag niet meer kunnen opbrengen. Het is nochtans heel goed als basistraining voor acteurs. Maar men beseft niet wat men daar allemaal mee kan doen. De klassen worden ook veel te groot: 20-30 studenten, dan kan je je nog moeilijk concentreren.

T.B.: In een toneelschool gaat het niet om het werk dat je presteert, maar om hoe je je van je gunstigste kant laat zien voor de eventuele werkgevers. Dat is typisch voor de maatschappij vandaag en een toneelschool vormt uiteindelijk mensen om een spiegel te maken van de samenleving. Ik maak dus geen proces van een opleiding.

Levert de Studio acteurs af die je kan gebruiken voor je produkties, of wens je je een ander soort acteurs?

Die vraag houdt een optiek van perfectie in. Terwijl noch wat ik, Tie drie of de Studio doen in enige mate de perfectie bereiken. We staan ver, zeer ver af van het ideaal, zodat het uiteindelijk ook meer herleid wordt tot een overlevingsprocesje.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 4 — 7 minuten

#12

19851015

19860114

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!