Johan Heestermans (rechts) tijdens repetitie van ‘Julius Caesar’

Leestijd 3 — 6 minuten

Dossier opleiding: Johan Heestermans

‘Ik heb met mijn Studio-opleiding nog niet veel aangevangen.’

Johan Heerstermans’ theaterweg vertoont een rare curve: nadat hij de brui had gegeven aan zijn filosofiestudies in Leuven kwam hij eerder toevallig bij de Studio terecht waar hij als oefening meedeed aan de toelatingsproeven. Hij werd nog aangenomen ook, en beëindigde zijn opleiding ‘met vrucht’. Daarna werd hij door Français Beuckelaers gevraag bij het Lam Gods project in Arca, speelde nog in Frankenstein bij De Mannen van den Dam, deed een happening (Feu d’Artifice) aan het Oostendse Termenhotel om ten slotte via ecologische rondzwervingen in de Pyreneeën bij Jan Decorte (Torquato Tasso) en Paul Peyskens (Julius Caesar) te stranden. Studio-acteurs die bij Decorte of Peyskens aankloppen zijn op één vinger te tellen.

Johan Heestermans: Je leert enorm veel op de Studio. Je wordt in contact gebracht met heel veel disciplines: gaande van schermen en vechten over acrobatie tot de ontwikkeling van de stemmogelijkheden, enz. Er worden enorm veel technische vaardigheden ontwikkeld. Als je wil en vooral hard werkt kan je in die disciplines heel ver gaan. Er zijn mensen die de Studioverlaten als erg goede dansers of zangers. Wanneer een regisseur mij dus een prestatie vraagt die verband houdt met de spreidstand van de benen of een brede stemtessituur, kan ik die leveren. Ook de improvisatietechnieken en metamorfoseoefeningen zijn interessant, al blijft het daar vaak bij clichématige typeringen van het menselijk gedrag.

Toch ben ik op mijn honger blijven zitten voor een aantal dingen. De acteur wordt er gevormd als een instrument dat aan alle standaardnormen van de goed bewegende en sprekende acteur voldoet, maar hij heeft geen mogelijkheden daarbuiten. Naar mijn gevoel gaat er te veel aandacht naar die technische ontwikkeling, en is er te weinig visie op theater, te weinig algemene culturele ontwikkeling. Dat is trouwens wat ik bij de evaluatie gezegd heb: ik kan het nu misschien wel, maar waar is de filosofie van dat alles? Het antwoord van Fons Goris was een antwoord van Teirlinck: het eclectisme, je moet van alles kunnen.

In de Studio wordt nog een sterrensysteem gehuldigd dat totaal niet overeenkomt met de realiteit waarin de afgestudeerden terecht komen. En er heerst een negatieve concurrentiestrijd die absoluut infect is: men probeert mekaar te overspelen. Dat sterrensysteem en die concurrentiestrijd zijn onnozel, want échte grandeur mist het dan ook weer, daarvoor is het te provinciaal. Het blijft een beetje een kweekschool voor de Antwerpse theaters. Er is te weinig alertheid voor het internationale theatergebeuren. Er is b.v. geen videotheek. Kijkervaring wordt er niet gestimuleerd.

Eigenlijk heb ik met mijn Studio-opleiding dus nog niet veel aangevangen. Natuurlijk blijft die technische bagage aanwezig – hoewel er door gebrekkig onderhoud wat sleet op raakt – maar ik heb ze nog niet gebruikt of kunnen gebruiken. Ik heb b.v. nog nooit ergens moeten zingen, hoewel ik dat graag eens zou doen.

Hoe zijn je ervaringen als acteur met Jan Decorte en Paul Peyskens?

Ik heb het gevoel met twee jaar Decorte en Peyskens meer geleerd te hebben dan met vier jaar Studio. Wat ontbreekt in de Studio, en dat is waar men in ‘t Stuc mee bezig is, is de meer persoonlijke, authentieke ontwikkeling van de acteur: leren persoonlijk als mens te reageren, wat een eerlijkheid en fragiliteit oplevert die interessanter zijn dan een vergrijsde imitatie. De Studio-opleidingsluit dat wel niet uit, maar er wordt minder belang aan gehecht.

Jan Decorte zet je voor Torquato Tasso in een decor en dat is af, in een kostuum en dat is af, hij geeft je een tekst en die is af en die ken je ook en je moet mét die tekst reageren op al die aanwezige impulsen. Je speelt op dat moment volledig vanuit jezelf. Dat is het fundamentele verschil met de van op voorhand gedachte spelsituaties en met de klassieke imitatie. Je wordt constant voor verrassingen geplaatst. De opdracht is dan de eerste reactie – die meestal de juiste is – technisch te herhalen, tenminste als de regisseur dat wil.

Eigenlijk wordt er dus ook geen gebruik gemaakt van je mogelijkheden. Werkt die vrijwillige beperking op de duur niet verarmend?

Ik ben nog niet uitgekeken op dat fragiele navelgestaar. Maar deze theatermakers zitten ook in een zeer persoonlijke evolutie. Zo denk ik dat Paul Peyskens meer belang zal hechten aan de ontwikkeling van technische kwaliteiten en die ook positief zal aanwenden, natuurlijk binnen de consequentie van de eigen optie. Het zoeken naar een nieuw evenwicht tussen techniek en authenticiteit vind ik interessant. Ik ben b.v. enorm gefascineerd door de magie van een barok spektakel. En daarin dan juist en subtiel acteren. . .

Je plannen?

Ik ga zo’n evenwichtsoefening aan met Marcel Delval in een Pinter. Verder doe ik een produktie van Crommelinck in Parijs en misschien een opera-assistentie, alletwee in regie van Moshe Leiser. Ik zou ook graag een monoloog doen. In elk geval ben ik geen acteur-voor-het-leven. Dat vind ik zo raar aan acteren: je staat voor een ‘regard des autres’ en op het ogenblik dat die er niet meer is, existeer je zo maar half. Ik zou dus graag ook regisseren, schrijven.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 3 — 6 minuten

#12

19851015

19860114

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!