Aafke Bruining en Julien Schoenaerts in ‘Oidipoes in Kolonos’ – foto Herman Selleslags

Leestijd 4 — 7 minuten

Dossier opleiding: Aafke Bruiling

‘Ik vind theater eigenlijk niet iets wat je echt van iemand kan leren.’

Als je de lijst van oudstudenten van de Studio bekijkt, valt op hoeveel Nederlanders daartussen zitten. Aafke Bruining is er één van. Ze studeerde af in 1984, speelde daarna in Oude banden, lege handen en Zwarte Pony (David Mamet) in regie van Walter Tillemans, De bink (Lisette Mertens) in regie van Jan Gruyaert en Oidipoes in Kolonos (Claus) met en in regie van Julien Schoenaerts. Hoe word je actrice, vroegen we haar.

Aafke Bruining: Dat is een mooi klassiek verhaal. Mijn moeder was een schrijfster, die teksten schreef voor o.a. Herman van Veen, Wim Sonneveld, Wim Kan. Die mensen kwamen bij ons ook allemaal over de vloer, als kind kijk je daarbij je ogen uit. Ze schreef ook kindermusicals en daar speelde ik als achtjarig meisje in mee. Op een dag zat ik opzij van het podium en het jongetje dat de hoofdrol speelde vroeg wat ik later wilde worden. Verpleegster, had ik altijd gedacht. Maar ik zei ‘toneelspeelster’, en dat ben ik dan maar geworden.

Mijn grootvader was Jozef Cohen, een schrijver van Nederlandse sagen en legenden en van mensen met sterren en andere boeken over de oorlog. Een wat levensvreemde man naar wie ik graag luisterde. Pas later heb ik begrepen waarom ik actrice wilde worden: ik denk dat het te maken had met die verhalen van mijn grootvader. Ik hou van vertellen. Dat alles wat je ziet, hoort, denkt en meemaakt niet voor niets is. Dat je het ten minste aan de mensen in de zaal kunt ‘vertellen’.

Hoe kwam je dan in de Studio terecht?

Toen mijn moeder stierf, raakte ik een beetje op de dool. Ik speelde wel bij allerlei amateurgezelschappen in Eindhoven, maar dat boeide mij niet echt: er werd altijd zo veel gepraat, sensitivity-achtige toestanden en zo. Iemand raadde mij toen aan naar de Studio te gaan en dat heb ik dan gedaan.

In het begin wou ik meteen weer weg. Ik wist niet wat ik meemaakte: grote klassen, heel autoritair. Ik wou zo gauw mogelijk een retourkaartje naar huis. Maar ik vond dat ik me eindelijk maar eens moest leren aanpassen en ik heb mezelf overtuigd en doorgezet. En na een tijd vond ik het heerlijk. Vooral die improvisaties: je begint met natuurelementen, dan mag je de maan spelen, de zee, de aarde, zelfs de hele kosmos als je wil. Daarna komen de dieren, leeftijden. In het tweede jaar de dromen, dat was een feest: je mocht over de hele school een plek uitzoeken om je droom te ensceneren. Ik heb toen in een vieze kelder een droom gemaakt over Carmen van Bizet. Daarna werkten we met maskers. In het derde jaar hebben we Vondel gedaan en ik heb ontdekt hoe interessant en actueel die wel is.

Die improvisaties volgen een geleidelijk opbouw: je begint met natuurelementen om ten slotte personages te spelen.

Het is goed met simpele dingen te beginnen. Want wat je in een maan ziet kan je ook projecteren op mensen, al zijn die natuurlijk veel complexer, een combinatie van de maan, de zee, en nog veel meer. Die vermenging van gevoeligheden is precies ook zo boeiend om te spelen.

Werkplaats

Ik heb de Studio beschouwd als een werkplaats waar je heel veel dingen onderzoekt: constant ben je op zoek naar nieuwe mogelijkheden, naar wat voor jou de beste methode is. Die ruimte krijg je ook omdat je zo veel kan improviseren. In het vierde jaar wanneer je enkel produkties speelt, word je natuurlijk wel gecast op een bepaalde rol, maar dat waren interessante rollen, dus voor mij was dat geen probleem.

Hoe kijk je op die vier jaar Studio terug. Waar lagen de accenten in je opleiding en wat ervaar je als een tekort?

Je leert natuurlijk je stem ontdekken en je lichaam te gebruiken. Van Alain Louafi b.v. heb ik heel goed leren dansen. Ook het spelen met je verbeelding is erg belangrijk. Ik had nog wel graag wat meer met eigen teksten willen doen. Maar ik heb het gevoel voldoende bagage gekregen te hebben, een werkmethode om verder te kunnen. Ik beschouw de school dan ook niet als een afgerond geheel waar je alles moet leren, je leert ook in de praktijk.

Ik vind theater eigenlijk niet iets wat je echt van iemand kan leren. Er is niet een waarheid over het spelen die iemand je kan doorgeven. Je leert van iedereen wat. Er zijn natuurlijk accenten. Alain Louafi is een erg goede dansleraar en van Fons Goris heb ik veel geleerd op gebied van theater. En er zijn er nog vele anderen, ieder op zijn manier. Van één regisseur in het vierde jaar heb ik zelfs geleerd dat je er beter helemaal niet naar kunt luisteren. Dan vraag je je af, waarom is Jeröme Savary hier nu niet, dat zou schitterend zijn. Daarom is het in essentie een werkplaats: je zoekt je mogelijkheden uit.

Na de Studio ben je onmiddellijk aan de slag kunnen gaan, zonder stempelen.

Gelukkig maar, want ik haat paperassen en van loketten word ik ziek. ‘In orde’ zijn, zoals ze dat noemen. Maar ik geloof dat iedereen van mijn jaar werk heeft, dus dat valt best mee.

Hoe valt het mee om, pas afgestudeerd, met grote acteurs als Bert André en Julien Schoenaerts te werken?

Schoenaerts was naar de Studio komen kijken en had mij gevraagd voor Mamet. Maar drie weken voor de première, moest hij wegens ziekte vervangen worden door Bert André. Onmiddellijk ervaar je dan de hardheid van het beroep. Het is boeiend om te zien hoe een ervaren speler als Bert André dat dan aanpakt. Julien Schoenaerts is een totaal ander soort acteur. Iemand waar je op gebied van klassieke teksten heel veel van opsteekt: muziek maken met teksten, zoals hij dat noemt.

Zowel de opleiding als het werken met Ivonne Lex, Français Beuckelaers, Zdenck Kraus, Tillemans, Jan Gruyaert, Claus, Bert André, Julien Schoenaerts, enz., zelfs de ontmoeting met de gek hier om de hoek, biedt een opeenstapeling van ervaringen. Je komt in contact met nieuwe impulsen, andere visies. Je doet mee, observeert, kijkt af. Zo gaat dat.

Wat zijn je plannen?

Ik speel Oidipoes door tot in februari en ik werk ook mee met de serie Het Pleintje op de BRT. En verder nog wat losse schnabbels hier en daar.

Na afloop van het gesprek wordt er hard aan de deur gebeld. De wijkagent, ‘ ‘t Is voor papieren’ roept hij van beneden.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 4 — 7 minuten

#12

19851015

19860114

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!