Valerie Valentine in: ‘3 Solo’s by Jan Fabre’ / Laurent Philippe

Bram De Sutter

Leestijd 9 — 12 minuten

Don’t hassle me, I’m in transition

Dansers na hun danscarrière

Bram De Sutter sprak met Paul Bronkhorst van de Nederlandse Stichting Omscholingsregeling Dansers over de voorzieningen voor ‘gepensioneerde’ dansers.

Anders dan bij andere beroepsgroepen komt het fin-de-carrière bij dansers betrekkelijk vroeg: reeds op 35-jarige leeftijd wordt men ‘gedwongen’ zich te heroriënteren. Het is niet echt iets waarover gepraat wordt, in de eerste plaats door de danser zelf niet. Bovendien is er ook niets voorzien: elke vorm van ondersteuning of opvolging ontbreekt. Sedert enkele jaren komt daar verandering in: de Verenigde Staten, Canada, Groot-Brittannië, Finland en Nederland ontwikkelden enkele initiatieven ter begeleiding van de danser tijdens de transitieperiode. Hierbij valt vooral Nederland op met zijn omscholingsregeling. In geen enkel ander land krijgen dansers dergelijke financiële ondersteuning bij de overgang naar een tweede loopbaan.

Sinds 1986 stelt de Stichting Omscholingsregeling Dansers (SOD) de dansers financieel in staat om zich na hun danscarrière om te scholen. Sinds datzelfde jaar is Paul Bronkhorst werkzaam als loopbaanbegeleider bij het SOD, naast zijn taak als sociaal functionaris bij het Theater Instituut Nederland (TIN). Hoewel de Omscholingsregeling niet onder het tin valt maar onder de Stichting Sociale Regelingen Kunst en Cultuur, zijn beide functies nuttig te combineren.

Transitie, waarom?

Paul Bronkhorst benadrukt de noodzaak van transitie voor dansers. Dans heeft zeker zijn verdienste binnen de maatschappij, maar het is wel de danser die er de prijs voor moet betalen door de korte duur van de carrière en de specificiteit van de opleiding.

‘Veel dansers beginnen zeer vroeg met hun opleiding, wat betekent dat ze hun puberteit doorbrengen in het kader van de dans. De boodschap die ze hier meekrijgen is dat ze moeten streven naar het beste en dit gaat gepaard met een zekere discipline en gehoorzaamheid. Ze maken zich deze gedachten en waarden – je moet goed zijn en hard werken -reeds vroeg eigen, met een volledige overgave die als vanzelfsprekend wordt beschouwd binnen de danswereld. De persoonlijkheid van de danser wordt gevormd tussen de leeftijd van tien en achttien jaar en dan zie je dat de grens tussen wie een danser is en wat hij doet uitermate dun of zelfs onbestaand is. Je merkt een verschil tussen iemand die binnen het klassieke patroon is opgeleid en dansers die begonnen zijn toen ze 17-18 jaar waren. Die laatsten zijn kritischer en mondiger, hoewel ze ook het waarden- en normenpatroon van de ‘klassieke’ danswereld overnemen. De mensen die later beginnen met dansen hebben ook minder moeite om er mee te stoppen, omdat ze nadrukkelijk gekozen hebben voor het vak zelf, ze weten beter waar ze aan beginnen. Maar ook hier geldt dat je het danser zijn niet zomaar van je aflegt.’

Vooraleer een danser een nieuwe loopbaan kiest, moet hij eerst de knoop doorhakken om te stoppen. Paul Bronkhorst ziet beide beslissingen als evenwaardig. ‘Er is nooit één reden waarom de danser stopt, tenzij er een ernstige blessure is of een gezelschap iemand ontslaat. Als iemand een ernstige blessure heeft, dan is hij genoodzaakt om te stoppen, de reden is vrij duidelijk. Dansers die uit vrije wil stoppen hebben tijd nodig om tot die beslissing te komen. Ze komen bij mij om informatie en nemen die mee naar huis en dan zie ik ze een jaar niet, kennelijk hebben ze een jaar nodig om te besluiten te stoppen met dansen. Bij die beslissing speelt een combinatie van factoren: niet meer kunnen omgaan met de pijn, niet meer overweg kunnen met gezagstructuren, het feit dat ze buiten de danswereld een soort van houvast hebben gevonden,…’

Ook het bestaan van het Omscholingsfonds is voor de danser een reden om bewuster met het einde van de danscarrière om te gaan. Toch schat de danser de mogelijkheid om zich te heroriënteren en eventueel te herscholen heel laag in, hij meent enkel goed te zijn in hetgeen hij tot dan toe deed: dansen. ‘Het is belangrijk om dansers in de “overgang” opnieuw zelfvertrouwen te geven. Dansers zijn zich meestal bewust van de dingen die ze niet kunnen. Ze hebben snel een minderwaardigheidscomplex, zijn bang dat ze niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt. Maar de praktijk wijst uit dat dansers goed in staat zijn om gedisciplineerd te werken en met volledige toewijding grote prestaties te leveren.’

Eenmaal overtuigd van de mogelijkheden van een tweede carrière moet de ex-danser bepalen wat hij met de rest van zijn leven wil gaan doen. ‘Tijdens een eerste gesprek probeer ik na te gaan hoe zijn danscarrière is verlopen, waarom hij danser is geworden, waarom hij het volgehouden heeft. De motivatie van de danser gebruik ik als aanknopingspunt van wat zijn mogelijkheden voor een tweede carrière zijn. Iemand die danste om voor een publiek in een theater te staan zal een andere weg inslaan dan een danser die de fysieke uitdaging aan wil gaan. In een gesprek komt dat aan de orde. Ik kijk dan hoe de danscarrière is verlopen en ik probeer te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Eventueel kan de danser een beroepskeuzetest doen, maar in het algemeen ben ik daar niet zo een voorstander van. Een danscarrière is niet erg theoretisch en een beroepskeuzetest geeft dan niet altijd de meest betrouwbare oplossing. Wat ik wel eens wil gebruiken is een belangstellingstest, al was het alleen maar om de danser te confronteren met wat er buiten het dansvak bestaat. Maar meestal heeft de danser wel een idee van welke richting hij uit wil.’

In de loop der jaren heeft Paul Bronkhorst dansers op de meest uiteenlopende plaatsen zien terechtkomen: dat varieert van wijnimporteur tot buschauffeur, twee mensen die rechten studeren, schoonheidsspecialisten,…

Transitie, wat?

Het doel van het Omscholingsfonds is tweeledig: de dansers een behoud van inkomen verzekeren en een prikkel tot omscholing geven.

In de eerste plaats wordt het de danser financieel mogelijk gemaakt zich te heroriënteren en om in zijn levensonderhoud te voorzien tijdens de aanloop naar een tweede carrière. Reeds een half jaar voor het einde van de danscarrière kan de danser aanspraak maken op een soort ‘betaald verlof’. Zo heeft de danser met behoud van loon zes maanden de tijd om na te gaan wat hij wil gaan doen. Na het einde van de danscarrière valt de danser terug op een werkloosheidsuitkering, maar omdat deze uitkering niet voldoende blijkt, heeft het Omscholingsfonds het volgende voorzien: de eerste 6 maanden vult het Fonds de uitkering aan tot 85 procent van het laatste loon, het volgende jaar tot 75 procent en de daaropvolgende twee jaar tot 65 procent. Gedurende vier jaar garandeert het Omscholingsfonds de ex-danser een leefbaar inkomen. Toch betekent de koppeling van dit gewaarborgd inkomen aan de sociale zekerheid een probleem, want ook de sociale wetgeving ter zake moet nu worden nageleefd: zo wordt de werkloze verplicht een aantal keer per maand te solliciteren.

‘We hebben kunnen bereiken dat de ex-dansers worden vrijgesteld van de sollicitatieplicht vanaf het ogenblik dat ze zich herscholen, zo kunnen ze binnen de gehele uitkeringsduur ongestoord hun opleiding afmaken. Wat ik nog als nadeel zie is dat mensen, wanneer ze nog niet weten wat ze willen gaan doen, wel reeds aan de sollicitatieplicht onderworpen zijn. Maar totnogtoe kan je op het niveau van de bedrijfsregeling heel soepel opereren. Als ze zien dat wij heel veel investeren, dat de overheid investeert, dat de dansers en de gezelschappen bijdragen leveren, dan kan het ministerie van Sociale Zaken daar ook in tegemoetkomen, omdat de dansers op termijn minder gebruik zullen maken van de sociale zekerheid in haar geheel. Dan heb ik het niet over vijf jaar, maar over de rest van hun arbeidsrechtelijke carrière.’

Daarnaast kan de danser ook steeds een beroep doen op het Omscholingsfondsvoor het verkrijgen van een studiebeurs of rentelastenvergoeding tot 5000 gulden gedurende maximaal vier jaar. ‘Het Omscholingsfonds stelt geen eisen in verband met de opleiding. Iedere aanvraag wordt behandeld in het bestuur van de omscholingsregeling. In het verleden zijn wel eens wat aanvragen afgewezen, maar dat was eerder omdat men een opleiding in het buitenland wilde volgen die ook bij ons voorzien was. Anderzijds is de studiekostenvergoeding ook redelijk flexibel omdat het bestuur er alle begrip voor heeft dat niet iedereen als hij 34 is in een klas met 18-jarigen wil gaan zitten. Wat ook voorkomt is dat men een opleiding wil gaan doen voor iets waar geen opleiding voor bestaat. Dan worden studiereizen georganiseerd om te gaan kijken hoe het in de praktijk gebeurt. Ook dat wordt vergoed door het Omscholingsfonds. Het doel is de dansers te helpen bij heroriëntatie, na te gaan wat ze willen gaan doen, en dat wordt breed geïnterpreteerd.’

Hoewel beide voorzieningen vier jaar gelden, moeten deze los van elkaar worden gezien. Zo kan men reeds een studiebeurs of rentelastenvergoeding ontvangen tijdens de danscarrière, zolang men aan de voorwaarden voldoet.

Transitie, hoe?

In de tien jaar dat het SOD bestaat hebben zich zo’n zevenhonderd dansers aangesloten.

De helft daarvan is verbonden aan een structureel gesubsidieerd gezelschap. Voor hen is de regeling het voordeligst. Hun gezelschap is verplicht 2,5 procent van het bruto inkomen van hun werknemers in het fonds te storten, de dansers zelf betalen 1,5 procent. Ook freelancers kunnen toetreden tot het SOD, maar zijn dan verplicht ook het werkgeversgedeelte op zich te nemen, zij moeten de volle 4 procent afstaan. In een periode van 10 jaar moeten minimaal 60 bijdragen betaald worden (tenzij ze geblesseerd raken, dan moeten minimaal 48 bijdragen op een danscarrière van 8 jaar betaald worden). In praktijk blijkt dat, om die 60 premiebetalingen te halen, de danser gedurende 5 jaar in Nederland moet hebben gedanst, wat, gezien het internationaal karakter van de dans, niet altijd vanzelfsprekend is.

‘Daar hebben we in 1993 iets aan willen doen: dansers kunnen zich achteraf inkopen. Wanneer iemand vijf jaar heeft gedanst, betekent dit niet dat je die vijf jaar effectief in Nederland hebt gedanst, vijf keer een half jaar kan ook en dan betaal je naderhand de resterende bijdragen vanuit het buitenland. Dit hangt samen met de mogelijkheid voor dansers die er pas later achter komen dat je vrijwillig kan toetreden om zich met terugwerkende kracht aan te sluiten. Toch blijft het een zware beslissing omdat ze dan ineens een grote som moeten betalen.’

Toch belemmert de betrekkelijk lange inschrijvingsduur sommige dansers om zich aan te sluiten, voornamelijk voor freelancers blijkt die periode te lang: omdat ze vaak niet het hele jaar door zijn aangenomen moeten ze regelmatig maandelijkse premiebetalingen overslaan.

‘Toch blijkt in de praktijk de tien jaar wel haalbaar. Officieel is de formulering in tien jaar, dat kan dan ook negen jaar zijn: de meeste danser werken van augustus tot juni, dan hebben ze al in twee jaar gewerkt.’

De regeling beperkt zich slechts tot een financiële ondersteuning, voor de psychologische en emotionele begeleiding van de dansers die het einde van hun dansersloopbaan maar moeilijk kunnen verwerken, is niets voorzien. Paul Bronkhorst is zich daar terdege van bewust, maar de tijd en de middelen ontbreken hem. Maar ook hier merkt hij een verschil tussen klassiek geschoolde dansers en freelancers. ‘Freelancers moeten zelf veel meer dingen regelen. Zodoende zijn ze gewend aan de bureaucratie waar ze tijdens hun omscholing mee te maken krijgen. Bovendien zijn ze zich ervan bewust dat het werk niet altijd voor het oprapen ligt. Die ingesteldheid behoedt hen voor veel frustraties.’

De noodzaak om ex-dansers te begeleiden bij de reïntegratie in het arbeidsproces vindt hij minder groot. ‘Stoppen met dansen is een soort proces, het gaat gepaard met het opbouwen van nieuwe contacten, nieuwe mensen leren kennen. Hoe langer ze van de danswereld verwijderd zijn, hoe minder de noodzaak om daarop terug te komen. Dansers zijn heel gedreven mensen en zijn in de regel heel gemotiveerd en gedisciplineerd. Kennelijk slagen ze erin zonder extra hulp toch aan de bak te komen, althans dat is mijn ervaring. En dan doen ze eerder een beroep op familie en vrienden. We hebben wel ooit gedacht aan een vorm van arbeidsbemiddeling, maar tot nu toe krijg ik te weinig signalen dat daar nood aan is.’

De SOD heeft een behoorlijke reputatie opgebouwd bij de dansers. Inmiddels heeft de stichting al meer dan honderd dansers financieel gesteund. Het fonds is zo populair dat het succes het boven het hoofd groeit. Het aantal ‘gepensioneerden’ dat na tien jaar aanspraak doet op het fonds, is al jaren hoger dan het aantal dansers dat op dit moment zijn financiële bijdrage levert. Dit heeft de Stichting genoodzaakt de bijdragen te verhogen. Ook zijn inmiddels met de overheid onderhandelingen aan de gang om het Omscholingsfonds in de toekomst leefbaar te houden zonder de dansers nog extra te moeten belasten.

Transitie, waar?

Ook Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Canada en sinds kort Finland hebben hun eigen transitievoorzieningen, doch deze verschillen onderling heel sterk, vooral de vereiste financiële middelen om een vlotte transitie mogelijk te maken ontbreken vaak. ‘Groot-Brittannië komt tegemoet in de kosten van het levensonderhoud en voorziet de mogelijkheid van een studiebeurs, doch de sociale voorzieningen in Groot-Brittannië zijn niet van die aard dat je constructies zoals in Nederland kan verwezenlijken. In de Verenigde Staten en Canada is de situatie nog wat schriller: het accent ligt daar op de psychologische begeleiding. De dienstverlening heeft daar een bredere omvang gekregen dan in Europa, waar het accent meer op de financiële voorzieningen ligt.’

In 1993 hebben al deze landen zich verenigd in the International Organisation for Transition of Professional Dancers (IOTPD), met als doel het taboe dat rond transitie bestaat te doorbreken en een internationaal bewustzijn te creëren voor de nood aan begeleiding op het eind van de danscarrière. Een internationale aanpak is onontbeerlijk. ‘Absoluut, dans is door de aard van het vak letterlijk grensoverschrijdend. Je kan als Nederlandse danser in Frankrijk dansen zonder één woord Frans te kennen. Soms is het ook uit noodzaak, als je hier bij het Nationaal Ballet hebt gedanst en je wilt ergens anders heen, dan ben je voor klassieke dans automatisch aangewezen op het buitenland. Je ziet dus dat dansers een internationale carrière uitbouwen. Dan ontstaan er problemen, want er zijn maar vijf landen waar een soort omscholingsregeling voorzien is en ieder land heeft zijn eigen criteria. Als je een beetje pech hebt, val je overal tussenuit. Hoewel je een hele lange carrière kan gehad hebben, kom je nergens voor een omscholingsregeling in aanmerking. Dat maakt dat de noodzaak tot internationale samenwerking steeds groter wordt.’

Toch is een internationaal transitiesysteem niet vanzelfsprekend. ‘Dat is een geweldig probleem. Op Europees vlak zijn op sociaal zekerheidsniveau al dingen op elkaar afgestemd. Alleen geldt dat niet voor mensen die van buiten Europa afkomstig zijn. Vanaf het ogenblik dat je buitenlandse voorzieningen voor dansers wil creëren zitten er allerlei haken en ogen aan, wat niet wegneemt dat zo’n samenwerking noodzakelijk is. Inmiddels kan je binnen Europa je pensioen meenemen, zoiets moet je ook bewerkstelligen met het omscholingsprogramma: wanneer een danser van Amerika naar Nederland verhuist, dan zou de danser wat hij daar heeft opgebouwd moeten kunnen meenemen. Zo stel ik mij dat ongeveer voor, maar dat is niet van vandaag op morgen gerealiseerd, vooral niet omdat de verhoudingen internationaal anders liggen. Het Nederlandse Omscholingssysteem hangt heel erg samen met de sociale zekerheid, wat dansers zelf en dansgezelschappen bijdragen is niet zo heel veel, in Amerika is dat wel zo, de sociale zekerheid is meer afhankelijk van persoonlijke inbrengen.’

Inmiddels heeft het IOTPD in 1993 en 1995 een symposium georganiseerd, respectievelijk in Lausanne en Den Haag. Onder het moto ‘Don’t hassle me, I’m in transition’ wil men transitie meer bespreekbaar maken, ook onder de dansers. Voor 2002 is een derde symposium voorzien, dat plaats zal hebben in New York.

‘Het concrete doel van 2002 is het bewustzijn van de verantwoordelijken aan te spreken, en dan vooral op politiek niveau. We proberen naar de conferentie toe een onderzoek te starten naar de status van de danser in de verschillende landen. De bedoeling is dat de resultaten worden gepresenteerd op de conferentie. Die worden dan doorgezonden naar de politiek verantwoordelijken, opdat die daar kennis van zouden nemen en daar iets mee gaan doen. Ideaal zou zijn wanneer er voor ieder land een omscholingsregeling bestaat.’

 

gesprek
Leestijd 9 — 12 minuten

Bram De Sutter

gesprek