Roos is een Roos is een Roos / Sanne Peper

Marleen Baeten

Leestijd 10 — 13 minuten

Doink!

ABC, de kat gaat mee, de hond blijft thuis, wat is er te zien in het spelehuis? Klein alfabet van het kleutertheater.

Dit ABC over kleutertheater is niet hét ABC van hét kleutertheater. Het kwam tot stand na het zien van de volgende voorstellingen: Uil door Anna’s Steen (vanaf 3 jaar), Rozeke, mijn Dozeke door Ultima Thule, een samensmelting van de vroegere poppentheaters Joris Jozef en Wannepoe (vanaf 3 jaar), De dagen door IOTA Theaterwerkgroep (voor 5-6 jarigen), Het Fluwelen Konijn door Speeltheater Holland (vanaf 5 jaar), roos is een roos is een roos door Stichting Hussaarts & Van Lohuizen (vanaf 4 jaar), Het verhaal van paard Parel en boer Dees door Theater Artemis (vanaf 4 jaar), Babel door Teatro dei Piccoli Principi (vanaf 4 jaar).

De eerste drie zijn Vlaamse produkties. De volgende drie zijn Nederlandse. De laatste is van Italiaanse makelij. Rozeke, mijn Dozeke en Het Fluwelen Konijn zijn poppentheaterprodukties.

Associatief Veelbelovend toverwoord voor kwaliteitsvol theater, dat door zijn niet-logische ordening kinderen én volwassenen zou aanspreken. Het wordt gewoonlijk gehanteerd in oppositie tot ‘belerend’. Dame in de kast (door Blauw Vier, vanaf 4 jaar) was een goed voorbeeld van de artistieke mogelijkheden van dergelijk theater. De humorvolle fantasie werkte aanstekelijk. Kinderen en volwassenen laadden zich op tijdens de voorstelling,

Van de hoger genoemde produkties is Rozeke, mijn Dozeke misschien wel het meest associatief opgebouwd. De voorstelling ontstond vanuit het verlangen om met het gedicht Berceuse Nr. 2 van Paul Van Ostaijen te werken. De uit improvisatie-oefeningen ontstane klankassociaties werden met de poppen-personages verbonden. De verbeelding van het publiek wordt echter ondermijnd door de eindeloze herhaling van een beperkt aantal klanken, de dwingendheid van de geluidsband als technisch hulpmiddel en de weinig originele tekst en intonatie van de (live) actrice. Associatief werken is inderdaad geen tovermiddel.

Dat omgekeerd kwaliteit niet zonder meer synoniem is voor ‘associatief’ bewijst Het Fluwelen Konijn. Het gaat hier om zeer traditioneel poppentheater, maar dan zo consequent volgehouden dat het sterk wordt. Kwaliteit heeft hier eerder te maken met ambachtelijkheid dan met vernieuwing. In overeenstemming met de keuze voor een verhaal uit het begin van deze eeuw is de inhoud ronduit moraliserend.

Babel is de meest subtiele produktie van de genoemde reeks. De voorstelling wordt opgebouwd als een les over theater. De actrice vertelt achtereenvolgens over het gebruik van duisternis en licht, decor en kostuums, geluid, acteurs en tekst. Bij elk theaterelement horen een tafeltje en enkele voorwerpen. Naargelang de voorstelling vordert stapelt de actrice de alsmaar kleiner wordende tafeltjes op elkaar tot een toren. Bij het laatste tafeltje gebeurt het onvermijdelijke. De keuze van en de manier waarop visuele en auditieve elementen hier worden aangebracht, maakt dat de produktie geen exposé wordt. Ze doen niet dienst als illustratiemateriaal, maar vormen in al hun eenvoud en vele gelaagdheden de essentie van de voorstelling. Het harmonieuze samengaan van informatie en associatie brengt moeiteloos een grote betrokkenheid en verwondering bij jong en oud teweeg. Een vleugje relativerende ironie belet dat de voorstelling belerend zou worden.

Conclusie: kwaliteit kan vanuit diverse criteria beoordeeld worden. Essentieel lijkt mij dat de makers een duidelijk uitgangspunt kiezen en ver durven doorgaan in de uitbouw ervan, (zie ook G)

Bijsturen Het kleutertheater staat nog in de kinderschoenen. Voor de makers betekent het een nieuwe ervaring en een uitdaging. Het is opvallend hoeveel er nog bijgestuurd wordt tijdens de eerste weken dat een produktie loopt. Zo haalde IOTA na enkele voorstellingen alle retorische vragen uit De dagen, want de kinderen schreeuwden antwoorden door de zaal terwijl dat niet de bedoeling was. Jos van Kan, regisseur van Paard Parel en boer Dees, zegt in dit verband: ‘Theater voor kinderen is voor mij niet anders dan voor volwassenen. Het blijft theater. Maar ik houd wel meer try-outs. Want ik ben niet meer klein. Pas als de zaal vol kleintjes zit, kan ik echt met hun ogen kijken.’

Champignons bij de biefstuk Als dusdanig typeerde Henny Van Schaik het fenomeen van lesmappen bij een theatervoorstelling. In zijn inleiding tot de workshop publieksbegeleiding voor leerkrachten op het Signaalfestival stelde hij dat lesmappen niet nodig mogen zijn, maar dat ze wel een meerwaarde kunnen betekenen. Sommige theatermakers distanciëren zich bewust van deze pedagogische opdracht. Anna’s Steen stelde in antwoord op de grote vraag wél een map samen. Bij elk van de vijf verhalen hoort een opsomming van thema’s (bijv. bij De gast: wind, storm, winter, sneeuw, vriezen, koude, vuur, warmte, gezelligheid, gast zijn, beleefdheidsvormen, rommel, opruimen), dramatische verwerkingsopdrachten (bijv. het verhaal uitbeelden of tegengestelde begrippen uitbeelden) en manuele expressie-opdrachten (bijv. een tentoonstelling over verdriet organiseren). Als de kleuterleid(st)ers hierop zaten te wachten, dan is het droevig gesteld met het onderwijs.

Ultima Thule slaagde er wel in om een stimulerende map samen te stellen bij Rozeke, mijn Dozeke. In het informatieve deel is er aandacht voor het ontstaansproces van de voorstelling en voor leven en werk van Paul Van Ostaijen. Enkele van zijn gedichten sluiten dit deel af. Het verwerkingsdeel behandelt drie expressievormen (taal, muziek en beweging) en het thema samenwonen. Vooral de opdrachten rond taal en muziek stimuleren de creativiteit en het spelplezier. Ze situeren zich zowel op het semantische als op het semiotische niveau (zie S), bijv. ‘Verzin onzinwoorden zoals hoepelde kloek, koekeloerekijken, bangerdebang, verschaamderik… ‘

Doink Een van de vele klankwoorden uit Rozeke, mijn Dozeke. Suggestief en creatief taalgebruik heb ik veel te weinig gehoord. De meeste theatermakers lijken ervan overtuigd te zijn dat theater het geschikte middel is om de woordenschat van deze nog taalarme kindertjes uit te breiden.

Eng Nogal wat gezelschappen verwerken voor kleuters herkenbare gevoelens -met angst als topper – in hun voorstelling. Aan goede bedoelingen geen gebrek, maar juist emoties bestrijken waarschijnlijk wel het moeilijkst in te schatten domein. Bovendien kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de kinderen op dit vlak dikwijls weinig ernstig genomen worden óf dat de volwassen theatermakers hun eigen beleving van bijv. angst uit de weg gaan. Paard Parelen boer Dees vormt hierop een uitzondering. Angst wordt er niet afgezwakt tot ‘iets engs’. Integendeel, de ijskoude vormgeving van de nachtmerrie van boer Dees doet het bloed in de aders stollen. Blijft de vraag hoe kinderen op het toneel gethematiseerde emoties waarnemen. Bovendien hangt de emotionele beleving minstens even nauw samen met de persoon als met de leeftijd, (zie W)

Flash-back Een verhaallijn met flashbacks, zoals bij Paard Parel en boer Dees, is moeilijk te volgen voor kleuters. Kleuters hebben helemaal geen behoefte aan een lineaire verhaallijn, maar als die er is willen ze ze kunnen volgen.

Het verwondert me trouwens dat er zo weinig geëxperimenteerd wordt met een cyclisch tijdsverloop. De keuze voor een lineaire verhaallijn betekent meestal een gemiste kans tot het centraal stellen van verbeelding. Beelden en klanken worden nu al te dikwijls gedegradeerd tot illustratie of opsmuk van het verhaal.

Geheugen ‘Het plezier dat iemand doorgaans aan een voorstelling beleefd heeft, speelt een zeer belangrijke rol bij het vinden van sporen in het geheugen,’ stelt Roger Deldime (directeur van het Centre de Sociologie du Théâtre, Universiteit van Brussel) in een lezing over Hedendaags theater en haar specifieke uitwerking op jonge toeschouwers op het Assitej Wereldcongres van mei 1990. Hij vervolgt: ‘Het plezier van de toeschouwer vindt zijn oorsprong in zijn emotionele bagage, in de dichtheid en de theatrale bijzonderheden van de getoonde beelden. De kracht van het theater zit meer in de vorm dan in de inhoud.’

Vorm en emotie hebben meer impact dan inhoud en logica. Met dit gegeven wordt ook in voorstellingen voor volwassenen weinig rekening gehouden, maar het verwondert me dat zoveel kleutertheatermakers zich opstellen als jongere broertjes en het gehanteerde schema kritiekloos overnemen. Rekening houden met het publiek wordt dan al snel: de voorstelling ‘aanpassen’ aan het publiek. De vertaalslag betreft dikwijls niet alleen taal en inhoud, maar trekt zich ook door naar acteerstijl (stem en bewegingen), muziekkeuze en pauzes in de gevergde concentratie (zie ook I, T, U, V). Dat het veel interessanter is om te vertrekken van de ‘opbouwgedachte’ dan van de ‘versimpelingsgedachte’ – uitdrukkingen van Theo Van Rompay – toont Babel. Tegelijk kunnen dergelijke voorstellingen een nieuwe impuls geven aan het theater voor volwassenen.

Hoe? Kleuters hebben veel oog voor hoe een voorstelling gemaakt wordt. ‘Van waar komt het licht? Wie maakt het geluid?’ Het is opvallend hoe dikwijls ze hun aandacht over en weer laten gaan tussen het spel en de materiële voorwaarden. In Babel maken lamp, decor, en bandopnemer essentieel deel uit van de voorstelling. Voor Alessandro Libertini, stichter van het Teatro dei Piccoli Principi valt het maakproces samen met de uiteindelijke vorm. Juist daarom beschouwt hij kinderen als zijn ideale bondgenoten: ‘Kinderen kunnen perfect alles ineens zien, de vorm en hoe hij gemaakt is bijvoorbeeld, de magie en de truc, het eindprodukt en het werkproces.’

Irritant Wanneer volwassen acteurs kinderen imiteren. Een voorbeeld: de twee ruziënde actrices in De dagen.

Ja Dit moesten wij als kleuters nogal eens roepen in antwoord op een vraag van Jan Klaassen of Katrijn. Deze manier van enthousiasme en betrokkenheid opwekken en/of meten ben ik gelukkig niet tegengekomen.

Krokodilletranen In Uil zet Uil tranenthee door te denken aan ‘heel verdrietige dingen’: stoelen met kapotte poten, liedjes die je niet meer kan zingen omdat niemand de woorden nog weet, een heel bord spaghetti dat niemand opeet, kleurpotloden die zo klein geworden zijn dat je ze niet meer kan vasthouden… Al die verdrietige dingen noemt hij op onder alsmaar theatraler gesnik. Ondertussen houdt hij een theepot onder zijn ogen om de tranen op te vangen. Het is wat mij betreft het enige noemenswaardige fragment uit een voorstelling die twijfelt tussen cabaret en opvoedend theater. Belerende verhaaltjes, opgesmukt met kiekeboe- en taartenhumor, worden afgewisseld met meezingertjes die nog maanden ongevraagd in het gehoor blijven hangen.

Dat de Samson-kinderen dit geweldig vinden hoeft geen commentaar. Het merkwaardige is echter dat ze met evenveel plezier naar andere voorstellingen kijken. Jonge kinderen hebben nog niet de behoefte om te categoriseren en min of meer rechtlijnige keuzes te maken. Het maakt de taak van ouders en leerkrachten er niet eenvoudiger op. Vanaf wanneer mag/kan je kinderen helpen bij het beoordelen van kunst? En hoe doe je dat dan zonder hun ontvankelijkheid voor diversiteit te schaden?

Leeftijdsgrens De mooiste voorstellingen voor kleuters – Babel buiten beschouwing gelaten – zag ik op het Poppenfestival in Neerpelt. Het ging om kwalitatief hoogstaande familievoorstellingen (zonder vermelding van minimumleeftijd) waarin muziek en bewegende voorwerpen centraal stonden.

Machientjes Zo noemt IOTA de decorstukken in De dagen. Knutseltoes-tanden als decor, we zien het wel meer in het kleutertheater. Vooral als ze weinig ter zake doen is dat ergerlijk. In het geval van roos is een roos … en Paard Parel en boer Dees echter kan de scenografie de vergelijking met het theater voor volwassenen doorstaan. Ook de ‘decors’ van de twee poppenvoorstellingen, Rozeke, mijn Dozeke en Het Fluwelen Konijn, getuigen van professionaliteit.

Noodzaak Ik heb bij lang niet alle genoemde voorstellingen het gevoel dat ze ontstaan zijn uit een artistieke noodzaak van de makers. Op zijn minst is het zo dat de meeste produkties – al dan niet expliciet – doorkruist worden met een pedagogische doelgerichtheid, zoals de tijd leren ordenen (De dagen), omgaan met gevoelens (Uil), echtheid als waarde onderkennen tegenover schoonheid en rijkdom (Het Fluwelen Konijn), kennismaken met het boerenleven zoals dat haast niet meer bestaat (Paard Parel en boer Dees), leren genieten van taal (Rozeke… en roos…), kennismaken met het theater als kunstvorm (Babel).

De pedagogische gerichtheid kan zich dus op verschillende manieren uiten: van ordenend en betuttelend over moraliserend en bewustmakend tot verheffend en optillend tot ‘kunst’. Waar eindigt de artistieke noodzaak en waar begint de pedagogische doelgerichtheid? Zijn sommige vormen van pedagogische doelgerichtheid beter te verzoenen met een artistiek produkt?

Op en neer Zo bewegen klapstoelen in een schouwburg, zeker wanneer er pluimgewichtjes van kinderen op zitten. Vooral voor de kleinste kleuters is een theaterzaal niet de meest geschikte plek om van theater te genieten. De scène is te ver. Het podium is te hoog. Niet te verwonderen dat de klapstoelen alle aandacht opeisen. Een geschikte ruimte is een niet te onderschatten voorwaarde om betrokkenheid op de voorstelling mogelijk te maken. De theaterbus van Speeltheater Holland is op dat vlak niet te overtreffen. De bus is echter niet alleen functioneel, maar ook bijzonder sfeervol ingericht.

Professionalisering Uit de lijst van medewerkers blijkt dat genoemde pro-dukties tot stand zijn gekomen uit een samenwerking van ‘specialisten’. In hoeverre deze mensen ook een professionele opleiding hebben genoten of op jarenlange ervaring kunnen bogen, is meestal moeilijk uit te maken. Toch enkele vaststellingen: de Vlaamse produkties komen minder professioneel over dan de buitenlandse; minder afgewerkt, minder helder, als in een experimentele fase. Anderzijds zijn ze meer multidisciplinair. Zou er een verband zijn tusen beide vaststellingen?

Quadrafonie ‘Vorm van stereofonie met een geluidsweergave via vier kanalen’ (Van Dale). Een dergelijke geluidsweergave veronderstelt composities die de moeite waard zijn. Door Ultima Thule en IOTA werden lovenswaardige pogingen in die richting ondernomen. In Uil en roos… wordt de begeleidende muziek zo luid de zaal ingestuurd dat lied of tekst eronder bedolven raken.

Roos is een roos is een roos Deze beroemde zin uit Gertrude Steins enige kinderboek The World is Round (1938) staat model voor Steins proza, dat opgebouwd is met lange, trage zinnen vol herhalingen. In de voorstelling die de beroemde zin als titel draagt staat het poëtische taalgebruik centraal maar komt er niet tot zijn recht. Ik mis er de kwalitatieve tekstzegging van een gezelschap als De Tijd. Ik mis vooral wat humor. Een tiental jaar geleden zag ik een voorstelling voor volwassenen, gebaseerd op dezelfde tekst. Daar werd taal op zulk een inventieve manier gecombineerd met een spel met voorwerpen dat de poëtische mogelijkheden van het alledaagse kwamen bovendrijven. Een gemiste kans dus. Kinderen zullen weer maar eens het idee krijgen dat poëzie per definitie saai en moeilijk is.

Semiotisch – symbolisch Julia Kristeva stelt dat beide modaliteiten van communicatie (via klank, kleur, ritme, lichamelijke gewaarwordingen enerzijds en via betekenis van woorden en wetten van zinsbouw anderzijds) essentieel onderdeel zijn van het betekenisproces waardoor taal tot stand komt. Volgens haar denkt onze cultuur in de eerste plaats vanuit het symbolische, vanuit het wetmatige, het vaststaande. Het semiotische met zijn potentieel tot verandering komt weinig aan bod.

Ook in de meeste kleutervoorstellingen is het symbolische dominant aanwezig (zie ook A, D, F en G). Een tweeslachtige voorstelling op dit vlak is Het Fluwelen Konijn. Een aantal mooie aanzetten op semiotisch niveau (bijv. de ‘onweermuziek’ met cello, ‘donder-plaat’ en zang) worden gedegradeerd tot momenten van afwisseling in een geheel dat de kinderen moet wegwijs maken in de wereld van de volwassen tijdsordening. Ironie: juist Het Fluwelen Konijn van de week zijn door de meeste 5-6 jarigen gekend.

Tik Tak Een televisieprogramma voor peuters waarvan de makers van Uil en De dagen vooral het devies ‘afwisseling’ schijnen onthouden te hebben. Coherentie wordt hier verward met presentatie binnen een overkoepelende structuur.

Uil In drie van de zeven titels komt een dier voor. Dierenpersonages zijn erg populair in kleutervoorstellingen. Op zich is daar niets op tegen, maar soms stel ik me wel vragen naar de meerwaarde van de dierkeuze (zoals bij Uil). Een groter probleem is de acteerstijl die het vertolken van dieren met zich meebrengt. Dit was het meest problematische aspect aan Paard Parel en boer Dees.

Versjes Ze komen in heel wat voorstellingen voor. Hun poëtische kwaliteit is zeer ongelijk.

Waarneming ‘De veronderstellingen van de volwassenen komen systematisch niet overeen met de waarnemingen van de kinderen. Deze conclusie geldt vooral wanneer het gaat om zaken die door de volwassenen als angstaanjagend zijn ingeschat – agressie en slechtheid -, maar positief ervaren worden door de kinderen. Het betreffen ook clichés en populaire mythen die tegenwoordig door de publieke opinie negatief beoordeeld worden, maar door de kinderen als positief beoordeeld worden.’ Aldus Roger Deldime over een onderzoek van zijn instituut naar de affectieve weerslag van een toneelstuk op 10-12 jarigen.

Dat ook de waarneming van 3- tot 5-jarigen onvoorspelbaar is, ervaar ik als moeder van twee kleuters regelmatig. Een voorstelling opbouwen vanuit een doelgerichtheid naar het jonge publiek toe lijkt me dus niet alleen niet wenselijk, maar ook onhaalbaar. Net zoals bij een volwassen publiek zal de waarneming bovendien nog individuele verschillen vertonen naargelang de culturele bagage en eventuele theater-ervaring, de voorkennis, beweegredenen en verwachtingen, lichamelijke toestand, samenstelling van de zaal, enzovoort.

X-as Waarom bewegen zo weinig voorstellingen zich op het semiotische, associatieve vlak, in een cyclisch tijdsverloop en vanuit een gelijkwaardige opstelling ten opzichte van het kleuterpubliek?

Y-as Waarom nemen zoveel kleutervoorstellingen zonder nadenken het symbolische, ordenende, lineair verlopende communicatiepatroon over van de meerderheid van de voorstellingen voor volwassenen? Moet hier ook de oorzaak gezocht worden van de vaak neerwaartse relatie met het jonge publiek, hetzij belerend en betuttelend, hetzij optillend?

Zingen In de drie Vlaamse voorstellingen wordt er gezongen: van op het randje van vals en soms wat bibberig in Uil (let wel: het ging om een vervangende actrice) tot zeer professioneel in beide andere voorstellingen. Ronduit ergerlijk is de manier waarop de mooie zangpartijen in De dagen worden ‘ingepast’. Het kan niet anders dan dat ze op de lachspieren van de kinderen werken. Of: hoe heen en weer schipperen tussen artistieke aanzetten en zich aanpassen aan het doelpubliek ook door de kinderen niet ernstig genomen wordt.

 


 

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#44

15.02.1994

14.05.1994

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

artikel