Leestijd 7 — 10 minuten

Dodo – Giovanni Baudonck & Jonas Van Den Bossche

Een ode aan de dodo en andere vreemde vogels

Mauritius is het moederland van theatermaker en spoken word artiest Giovanni Baudonck. Als begenadigd verteller neemt hij ons in Dodo mee doorheen de turbulente koloniale geschiedenis van het Afrikaanse eiland terwijl hij deze linkt aan zijn eigen meervoudige identiteit als Belgo-Mauritiaan.

Dodo opent in een soort transportzone. Op een scherm worden treinsporen geprojecteerd die op de scène verderlopen. Muzikant Jonas Van den Bossche – met wie Baudonck de voorstelling maakte onder de vleugels van Antigone – zet een gezellig muzakje op. Gekleed in een tropisch (koloniaal?) linnen pak duwt hij een kleine goederenwagon met zand voort. Ook zijn muziekstation, afgewerkt met houten kistjes en jutten zakken, hint naar (koloniale) handel en transport.

Zachtjes komt Baudonck vanonder de berg zand gekropen met een dodomasker op. De treinkar symboliseert Mauritius. Baudonck is letterlijk uit die grond voortgekomen, lijkt hij te willen zeggen. Van den Bossche stopt hem een microfoon toe en Baudonck zet zijn keel open. De projectie toont nu The Slave Ship van William Turner, waarvan de volledige titel luidt: Slavers throwing overboard the dead and dyingTyphon coming on. De ongerepte vrede van het openingsbeeld is meteen verstoord. Het zal in deze voorstelling niet alleen over de handel in goederen gaan, maar ook over die in mensen.

In Dodo toont Baudonck zijn talent als performer en verhalenverteller. Als een wervelwind raast hij door de koloniale geschiedenis van Mauritius. Moeiteloos schakelt hij tussen Nederlands, Frans, Engels en Creools, tussen zang, rap of slam. Hij thematiseert de pijnlijke dynamieken van het neokolonialisme zonder zijn gevoel voor humor te verliezen. Zo zingt hij over zijn gespleten identiteit, dat hij van zijn vader de patatten, en van zijn moeder het bord rijst moest leegeten. In België is hij een buitenlander, maar ook in Mauritius wordt hij gezien als een Europeaan. Later grapt hij hierover dat hij in zo’n spreidstand staat dat hij precies Jean Claude Van Damme is.

“Als een wervelwind raast Baudonck door de koloniale geschiedenis van Mauritius.”

Vendelzwaaien

Door steeds meer rekwisieten toe te voegen in de zandbak op de treinkar verbeeldt Baudonck de meerdere koloniale lagen die door verschillende kolonisatoren over Mauritius zijn uitgestort. Elke nieuwe kolonisatie luidt een nieuw hoofdstuk in Dodo: eerst de Nederlanders, dan de Fransen, dan de Britten en tot slot de toeristen. In twee sterke scènes leggen Baudonck en Van den Bossche de mechanismen van kolonisatie bloot. In het Franse hoofdstuk speelt Van den Bossche een gezapige tv-kok met een sja-la-la-deuntje op de achtergrond. Hij legt Baudonck, gekleed in kookschort met de Franse vlag op, uit wat de ideale ingrediënten zijn voor een goeie kolonisatie. Het komt erop neer het land goed te kneden en te bewerken met ‘als belangrijkste ingrediënt op het einde: de slaven… En vergeet na afloop zeker niet je handen te wassen.’ Ondertussen volgt Baudonck de instructies op en plant hij zorgvuldig huisjes en (slaven)bootjes in de kleur van de Franse vlag in de zandbak.

Even later wanneer de Britten heersen over het eiland, herhaalt deze beeldtaal zich, alleen is het nu geen kookshow, maar eerder een ‘how to’-video over hoe je dat doet, onafhankelijk worden. Volgens Van den Bossche is dat met breed glimlachen en diep buigen voor de Queen en haar uitvoerig bedanken voor haar barmhartigheid. Van den Bossche manoeuvreert Baudonck letterlijk in een pose met de vlag van Mauritius in de hand alsof hij een echte vrijheidsstrijder zou zijn. Het geeft grimmig weer hoe wel meer postkoloniale onafhankelijkheidsverhalen achter de schermen in scène gezet of (niet zo) stiekem gesaboteerd werden.

Eerder nog had Baudonck met enkele gekleurde houten plankjes de Mauritiaanse vlag gevormd als een klein stukje grond voor zichzelf. Hij begint er fanatiek op te vendelzwaaien. Een oer-Vlaamse traditie. In tegenstelling tot de beheersing en sierlijkheid waarmee de vlaggen normaalgezien behandeld worden, is het bij Baudonck meer hakken en kappen alsof hij de vlag los probeert te zwaaien van de stok. Geen gratie, enkel rauwheid. Mauritius is sinds 1968 dan wel een onafhankelijk land binnen het Gemenebest en sinds 1992 een zelfstandige republiek, de malaise is absoluut nog niet voorbij.

© kurt van der elst

Bloed op de akkers

Hét centrale symbool in Baudoncks vertelling is de dodo, de oorspronkelijke bewoner van het eiland: ’s werelds meest bekende uitgestorven vogel en ook een iconisch slachtoffer van het roofzuchtige kolonialisme. Blijkbaar was het lange tijd onduidelijk hoe de dodo er exact uitzag. Verschillende kolonisatoren brachten telkens een andere beschrijving mee en men is er uiteindelijk nooit in geslaagd om de dodo wetenschappelijk te beschrijven. Voor Baudonck typeert dit hoe het altijd de mensen met macht zijn die in staat zijn om de realiteit vorm te geven. Zo legden de opeenvolgende kolonisatoren hun wil op aan Mauritius. Ze importeerden uitheemse diersoorten en gewassen en dropten er tot slaaf gemaakte mensen van over de hele wereld.

Als nakomeling van deze smeltkroes wil Baudonck zich niet zomaar laten beknotten. Hij vertelt hoe mensen met een migratieachtergrond zichzelf vaak onzichtbaar proberen maken om zo weinig mogelijk op te vallen, zoals de dodo uiteindelijk ook letterlijk werd uitgewist. Baudonck biedt weerstand tegen dit proces. Hij legt zich niet neer bij hoe anderen (i.e. witte mensen met macht) hem vertellen wat hij wel of niet kan doen, wie hij wel of niet moet zijn. Deze strijdvaardigheid hangt hij op aan de poëtisch rebelse daad van het terug tot leven wekken van de dodo. Het zou een taaie smakeloze vogel geweest zijn die de Nederlandse kolonisten niet kon bekoren en al snel ‘de walgvogel’ genoemd werd. Een geuzenaam die Baudonck nu voor zichzelf claimt. Leve de vreemde vogels!

Dit spel van vormgeven en jezelf verhullen of net tonen, komt het sterkst tot uiting in het gebruik van het dodomasker dat in drie verschillende variaties in de voorstelling zit. Het eerste masker is nog ruw en ongevormd, de volgende twee maskers zijn steeds met meer details afgewerkt. De dodo, en wat Baudonck ermee wil vertellen, krijgt steeds scherper vorm. Aan het einde van het Franse hoofdstuk zingt hij voor het middelste dodomasker de Marseillaise als slaapliedje. Wie de tekst van het Franse volkslied kent, voelt meteen de ongemakkelijkheid van deze scène. Als hij zingt dat ‘hun onreine bloed onze akkers zal doordrenken’ verstikt hij de dodo. Het is een knipoog naar hoe de Fransen, en bij uitbreiding elke kolonisator, het gekoloniseerde land leeggeperst hebben. De derde en laatste herhaling van de dodo is wit als een schedel. Uitgehold.

“Dodo is een energieke en activistische voorstelling. Maar ze blinkt niet uit in een teveel aan subtiliteit.”

Commodificatie van activisme

Dodo is een energieke en activistische voorstelling waarin Baudonck aan een hoog tempo verschillende facetten van het dekolonisatiediscours weet aan te raken. Hij combineert zijn persoonlijke ervaring als Belgo-Mauritiaan in Europa met de moeizame geschiedenis van zijn moederland om zo een universeel en invoelbaar verhaal te brengen over hoe het is om zonder duidelijke thuisbasis op te groeien in een witte westerse wereld die nog steeds worstelt met zijn koloniaal en imperialistisch verleden.

Waar de voorstelling echter niet in uitblinkt is een teveel aan subtiliteit. Het grote gebaar wordt niet geschuwd. Denk aan de opzwepende zangstukken of de snedige slams. Allemaal kundig gebracht, maar soms te letterlijk. Waar net door iets niet te benoemen, door leegte toe te laten, werelden kunnen opgeroepen worden, wordt Dodo soms te vol gepraat. Er blijft weinig over voor de verbeelding. Zo krijgen we op een gegeven moment een museale audioguide te horen die ons letterlijk uitlegt hoe we naar The Slave Ship van Turner moeten kijken en wat we daarbij zouden moeten voelen. Dodo kopt zo een goal binnen die eigenlijk al gescoord was.

Baudonck problematiseert deze spanning ook zelf wanneer hij bekent dat hij zowel artiest als activist wil zijn. Een lastige combinatie op het theater. Gelukkig weet Baudonck die bij momenten toch te overwinnen, vooral in het laatste, postkoloniale hoofdstuk over Mauritius: die van het massatoerisme en de massaconsumptie. Van den Bossche tovert Baudonck nu om tot een straatverkoper van Mauritiaanse prullaria – inclusief een replica van The Slave Ship. Commodificatie van dekoloniaal activisme, iemand?

Deze keer overlaadt Baudonck de zandbak met afval. Waar hij in de eerdere hoofdstukken nog rustig en bijna teder te werk ging om de lagen van kolonisatie bloot te leggen, smijt hij er nu woedend afval over uit. Zo lijkt hij te suggereren dat hoe interessant de lessen uit het verleden ook zijn, we er niet in hoeven blijven vasthangen. We moeten ons richten op de uitdagingen waar we vandaag mee geconfronteerd worden: hoe we in dit postkoloniale tijdperk nog steeds de oude kolonies, het globale Zuiden, blijven uitpersen ten koste van het klimaat en de plaatselijke bevolking. Het heeft geen zin om ons te blijven opsluiten in onze deelidentiteiten, besluit Dodo, zonder dit letterlijk uit te leggen. Het is belangrijker om ons te verenigen en samen te strijden tegen de nog steeds alomtegenwoordige mechanismen van het neokolonialisme.

De speellijst van Dodo vind je hier.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#176

01.06.2024

04.09.2024

Simon Knaeps

Simon Knaeps studeerde acteren aan het conservatorium van Antwerpen en theater- en filmwetenschappen aan de UA. Momenteel is hij werkzaam in het jeugdwerk. Hij is tevens lid van makerscollectief ilBrigata.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!