Outside eyes uit Iran: Nasim Ahmadpour
Als macht afwezigheid performt [NL]
Nasim Ahmadpour
Met Die Meistersinger von Nürnberg heeft Wagner een werk geschreven, waar een onoverzichtelijke veelheid aan motieven en betekenissen zich in elkaar verstrengelen. Sommige daarvan verwijzen naar mythische stof en tonen een inwijdingsritus. Andere hebben een politieke inhoud, en precies op dat vlak is dit geen onschuldige opera gebleven.
Het gedachtengoed van Wagner is de uitdrukking van een burgerij die zich nationalistisch bewust wordt, en nergens heeft Wagner dat scherper verwoordt dan in de laatste scène van deze ‘komedie’. Een jonge man van adellijke afkomst heeft de zangwedstrijd van de Meistersinger gewonnen en wordt meteen goed bevonden om ook meester te worden. Maar voor de ridder is dit onaanvaardbaar: meesters zijn burgers, en hij kan niet tot een lagere stand afdalen. Daarop antwoordt Hans Sachs verontwaardigd dat de meesters de Duitse kunst hebben laten voortleven, en dat het dus geen schande maar een eer voor een man van adel moet zijn om als kunstenaar door hen erkend te worden: het is het democratische moment van zijn monoloog. Maar dan voegt hij eraan toe dat Duitsland zich moet hoeden voor vreemde heersers, die ‘in het land der Duitsers onzuivere lucht en valse beuzelarij verspreiden.’ Wat Duits is, is echt, vervolgt Hans Sachs: het is het nationalistisch moment van zijn toespraak en zedenles. Het zijn natuurlijk deze woorden die in de geschiedenis een huiveringwekkende rol hebben gespeeld. Componist André Laporte herinnert zich b.v. nog hoe na de oorlog bij deze monoloog het Duitse publiek te Bayreuth rechtveerde en applaudisseerde: Wagner maakte het nog eens mogelijk om echte Duitse gevoelens te luchten, nu de gevolgen van een kwalijke oorlog dit anders onmogelijk maakten. Deze opera opvoeren is dus, onder meer, met de recente politieke geschiedenis bezig zijn.
Het probleem stelt zich natuurlijk heel anders, wanneer men dit werk in Brussel op de planken brengt. Maar zelfs hier moet het operahuis zich politiek toedekken, en dat wordt uitvoerig gedaan in de (prachtige) programmabrochure. Men leest er een gefingeerde dialoog tussen Wagner en Nietzsche (eerst zijn bewonderaar, dan zijn aartsvijand) over het begrip ‘Duits zijn’. De woorden van deze laatste werken verfrissend als hij zegt: ‘Goed Duits zijn betekent, zich van Duitse invloed bevrijden. Want als een volk vooruitgaat en groeit, verbreekt het telkens de gordel waaraan het tot dan toe zijn nationale aanzien ontleende. . . De gerichtheid op het on-Duitse is daarom altijd kenmerkend geweest voor de talenten onder ons volk.’ Wat zou men dat graag als tegenstem tijdens de monoloog van Hans Sachs horen! Helaas, met deze opera moest men dit in het programmaboek vinden.
De Duitse regisseur Kurt Horres heeft, onder impuls van Gerard Mortier, een sterk gedepolitiseerde versie van het werk gegeven. Zo is de opvoering een groot, vrolijk feest geworden, waarbij Sachs’ uitspraak zo ongemerkt mogelijk voorbijgaat. Zijn paar moeilijke zinnen mogen de pret niet bederven. Daarom heeft men hier gemikt op een bijna naïeve versie. Er wordt aan de toeschouwer zoveel mogelijk pure toneelpret geboden: dat begint reeds bij het eerste bedrijf wanneer de scène wordt afgedekt door een immens schilderij van Cranach (als voorbeeld van de geestelijke kunst), dat later wordt opengescheurd door de burgers (een wat zwaar symbolisch thema over de verburgerlijking en dus ontwaarding van de kunst, dat de strekking van Wagners gedachte omtrent de burgerij komt tegenspreken.) In het tweede bedrijf is het opstootje uitvergroot tot het toeslaan van de wilde chaos op een vredig stadsplein, waar weer een ander symbool van de Duitse kunst prijkt: Johan Sebastian Bach zelf. In het laatste bedrijf wordt de spektakellijn doorgetrokken. We bevinden ons op een open weide waar de gilden en hun meesters een zangwedstrijd zullen houden. In deze opvoering wordt het publiek in de zaal volledig in de actie opgenomen: de gilden stappen door de zijdeuren naar binnen, de meesters schudden de hand van de toeschouwers, gezellen gooien bloemen en broodjes, in de nok van de zaal klinkt trompetgeschal en van de balkons wapperen kleurrijke gildevlaggen. Dit is een ongecompliceerd feest, ter ere van de dichters en de zangers.
Deze zelfde naïeve benadering wordt ook nagestreefd in de aankleding: de kostuums zijn van de negentiende eeuw en vermijden elke verwijzing naar Nürnberg of naar Beieren. In dat opzicht is het uitzicht van de vertoning bijzonder onDuits. Op deze manier hoopt men het debat opnieuw te centreren op de vraag welke soorten van kunst er mogelijk en nodig zijn, en niet welke vormen van politiek er bedreven kunnen worden.
Kurt Horres toont zich een hele avond lang een bijzonder begaafd ambachtsman, die regelmatig doorstoot naar onvergetelijke momenten: de manier waarop hij de brutale chaos in het tweede bedrijf realiseert getuigt van een ongewone stielkennis, zodat de evoluties van het koor tot een theatraal hoogtepunt leiden. Ook in de behandeling van de acteurs erkent men voortdurend de geoefende hand, zodat iedereen overtuigend op de scène staat (we maken even abstractie van Robert Ilosfalvy, een Hongaarse tenor, die met zijn 57 jaar niet volledig in een jonge man kan doen geloven, maar die als inspringer van het laatste ogenblik zich uitstekend uit de slag trok).
Op één punt oversteeg deze opvoering ver het peil van de ‘geslaagde’ opvoering, en dat was dank zij de vertolking van Dale Duesing als Beckmesser, de bekrompen, ongetalenteerde, naijverige en domme criticus, die zelf graag de zangwedstrijd zou winnen. In het tweede bedrijf, waar Beckmesser een serenade onder het venster van de mooie Eva komt zingen, laat Duesing de mislukking en de frustratie uitgroeien tot een moment van wanhopige doordraverij, waarbij hij de rol volledig ‘belichaamt’, op een manier die niet alleen bij de opera maar ook bij het gesproken toneel uitzonderlijk is. Duesing staat op de scène met een totaal gespeelde vrijheid, want hoe wild en uitzinnig hij ook over de scène holt, toch mist hij geen enkele maatslag en volgt hij de partituur nauwkeuriger dan Van Dam, die op dat ogenblik, als plagende toeschouwer, een makkelijker partij heeft. Duesing als Beckmesser: adembenemend. Na afloop staat hij uitgeput en hijgend te groeten, want op dat ogenblik valt de controle weg. . .
Al deze elementen zorgen ervoor dat deze opvoering gunstig in het geheugen blijft trillen. Toegegeven dat de decors niet overal overtuigend zijn (ontwerp Andreas Reinhardt), toegegeven dat in de uittekening van Sachs weinig aandacht wordt geschonken aan diens donkere kanten, maar dat alles kan niet verhinderen dat de vertoning een heerlijke herinnering nalaat van licht, witheid, vreugde, plezier. Ze zinderde van leven.
Die Meistersinger von Nürnberg
auteur: Richard Wagner;
régie: Kurt Horres;
décors en kostuums: Andreas Reinhardt;
dirigent: John Pritchard;
zangers: José van Dam, Karita Mattila, Dale Duesing, Robert Ilosfalvy, Veit Pogner, Jef Vermeersch, François Van Eetvelt, Martin Finke, Roger Heyen e.a.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.