‘Deceptive bodies’

Michiel Reynaert

Leestijd 5 — 8 minuten

Deceptive Bodies: Dolores Bouckaert & Charlotte Vanden Eynde

Een scène, twee vrouwen. De twee wis­selen blikken, discreet enkele woorden ook, flaneren rond, nu eens in zichzelf gekeerd, dan weer met aandacht voor elkaar, of voor hun omgeving, zelden voor het publiek. Dat alles terwijl het publiek nog zijn plaats zoekt. Geen bijzonderheid, ware het niet dat elke performer een rijdend platform voort­ trekt aan een koord. Wanneer ze even stilstaan naast hun platform, bejegenen ze het koord alsof er een dier aan zat. Of vloeit daar louter het plezier van de relatie met een fysisch verschijnsel? Het vibreren van het koord, wanneer je het opspant? Het vanzelf lopen van een golfslag wanneer je snel op en neer beweegt met het slappe koord?

De vrouwen bewegen soepel. Lange benen vloeien van onder hoog gesneden kleedjes. Dolores lichtblauw, Charlotte pastelzalm, beiden uit een dikke stof, die architecturale volumes drapeert omheen hun torso. In contrast lijken hun blote dijen onafhankelijke wezens. Exemplaren uit een zoo ontsnapt, getraind om met die volumes kunsten op te voeren. Om Dolores’ onderbenen zit een fijn verband, in huidkleur, bijna onzichtbaar.

Scène, blote enkels, platform op wielen, verband, benen… heupen onder dikke vouwen stof: een sobere opbouw geflankeerd door twee schoolstoelen aan de linkerrand van de scène, en een houten rechthoek aan de overzijde, manshoog- een klerenhanger? Orde, strakke lijnen, maar in een warm licht dat alles wat verzacht.

Charlotte en Dolores cirkelen nog steeds om elkaar. Afwisselend houden ze afstand en ontmoeten ze elkaar, nu eens in een hoek alsof ze weg van het nieuwsgierige publiek beraadslagen, dan weer in het midden als bij een duel… Fijne verschillen tekenen zich af. Soms houden ze het koord van hun platform kort in, meestal laten ze ‘het dier’ wat meer uit. Wil Dolores ons iets zeggen met die blik? … Charlotte oogt eerder verhullend naar ons, maar innemend. Hun aandacht voor elkaar gaat van voyeurisme, langs genegen­ heid, tot intiem.

De actie op de vloer versnelt. In grate cirkels zitten ze elkaar vrolijk achterna, zelfs een heel klein beetje wild -Char­lottes platform ketst een keer tegen de muur. Al lopend vinden ze elkaar in het midden van de ruimte en zwieren hun ‘dier’ aan het koord krachtig in het rond – een centrifuge waarin echt ple­zier en theater tegen elkaar afgewogen warden. Tegelijk blijft alles doordron­gen van een grote bedachtzaamheid.

Wanneer ze eindelijk elk hun platform betreden, en die laatste zich dus ontpoppen als podium, heerst er een territoriale spanning. De plat­ formen articuleren de relatie tussen de vrouwen. Elke pas erop wordt met omzichtigheid gezet. Alsof elk plat­form, ondanks zijn sobere afwerking, ondanks dat neutraal, werktuiglijk uiterlijk – twee identieke vlakken uit blank multiplex, een meter bij een me­ter- zeer persoonlijke projecties heeft ontvangen van zijn gebruiker.

In alles wat volgt, functioneert elk platform ook steeds als podium. Met de lange toenadering, boven beschreven, schijnen Charlotte en Dolores dan ook te willen zeggen, dat zulk werktuig niet louter een blanco ondergrond is, waarop het eigenlijke beeld beter tot zijn recht komt, maar net integraal deel is van wat ze opvoeren. Een rollend terrein voor een intieme economie, de biodiversiteit voor een persoonlijke cultuur. Een beeld toont een ketting­ reactie van ins panning en ondergaan, voor en van het verlangen te tonen en gezien te warden: Dolores trekt haar platform rond, met Charlotte erop tentoongesteld als een standbeeld recht voor zich uitkijkend; Charlotte trekt in die houding haar eigen platform nog mee, aangeschoven tegen dat van Dolores. De platformdiertjes werken ook goed samen.

Al rijdend, knielt Charlotte en vlijt zich met een zucht neer, uitgestrekt op de twee platformen. De benen dragen het niet meer, ze werpen hun rol van onafhankelijke, met architectuur getrainde wezens af. Met de nadruk van die zucht wordt Charlottes lichaam weer een, bijna alledaags. En tegelijk voelt die tussenkomst van de stem als een aankondiging, net doordat ze gekaderd is door zoveel nadrukkelijke stilte. Ze lijkt een eerste zet in een dramatische strategie, die gaat breken met de eerder ingehouden stemming tot hier toe.

Dolores laat als reactie de leiband val­len, om Charlotte eerst eenvoudig over het hoofd te strelen en, zonder merkbare overgang, de haren zo te draperen dat ze Charlottes gezicht verbergen. Van dan af volgen meer zulke beelden elkaar op in reeksen. Ze tonen contrasterende relaties: actief en passief, manipulatie en tederheid, medeplichtigheid en objectivering, pose en verlamming, … Vaak gaat dat zoals bij het strijken van de haren: een gebaar dat een bezigheid op zich lijkt, verschuift om dan toch een doel te krijgen.

Geleidelijk transformeert de han­deling tot een reeks beelden: wat een kledingrek leek, wordt ingezet als een kader; elke verplaatsing van de rollende platformen gebeurt nauwgezet, als om ons een precies perspectief te bieden. Zelfs wanneer de vrouwen een moment hun lijven schuddend en sidderend tonen, krijgt dat iets statisch. De beel­denstroom laat nooit af en schijnt op de duur ons oog te willen verzadigen. Zo uitdrukkelijk blijft die stroom vloeien, dat het wel een commentaar lijkt op de hedendaagse beeldenovervloed. Her­kenning en vervreemding gaan elkaar besmetten: ‘Zie ik wel wat ik zie? …

Heb ik dat niet eerder gezien?’ Tijd om een antwoord te vinden is ons nu niet gegund.

De vrouwen op hun rollend vakje verschijnen als figuren in een renaissan­ceperspectief gekaderd door een vloer met schaakbordpatroon- Dolores werd daarnet nog letterlijk als de zwarte koningin gekroond. Die vierkanten podia schijnen ons te willen zeggen: ‘Het is een schaakspel met eindeloos veel regels en niemand weet nog hoe de partij beslist wordt.’

Oogcontact tussen toeschouwer en performers, hoe sporadisch ook, betrekt allen in een gemeenschap­pelijke handeling. Onze rollende ogen vermenigvuldigen de trajecten van dat ander rollend materiaal. Bewust of onbewust improviseren we mee aan de dans van heen en weer kaatsende blik­ken, aan wat ‘echt’ hier en nu te zien is.

Het oog en de blik, het beeld en het kader, de eerste indruk en de intentie die later blijkt… daarmee zijn we dus bij ‘schijn en echt’, bij theater zelf. ‘Echt’ is dan geen gedetermineerd fenomeen dat ontdekt moet worden achter de schijn, achter mentale projecties. Het lichaam, het weefsel zelf van het projectiescherm, volstaatals waarheid. Een waarheid in opbouw, een theater waar echt en schijn termen zijn, om met dat weefsel verbanden tussen verleden, heden en toekomst te testen, tussen ik en jij…

Deceptive Bodies maakt zo een boeiend vraagstuk van het begrip lichaamstaal. We zien de paradoxale essentie van wat in het programma benoemd wordt als “de lichamelijke vertaling van wat in ons leeft”: dat we iemands lichaamstaal veeleer onbewust voelen, erdoor worden besmet voor we nog maar een taal gewaar zijn. Drukt die taal iets uit van ons intiem leven, of komt die stroom poses van de ander?

De finale gaat gebaad in dieprood licht: geen warme spots meer die scherpe randen watteren, maar een spoeling die de hele ruimte vult zonder helder­heid te brengen. Een rood waarin ons netvlies geen details kan vasthouden uit de nog lopende beeldenfabriek.’Zie ik we! wat ik zie?’ Misschien hoeft dat geen antwoord. Als de scene geen grip meer biedt, bewegen we in vergaarde referenties, op ons eigen podium, waar­ mee wij een eigen identiteit, een eigen ‘waarheidsgetrouw’ beeld trachten te produceren.

Toeschouwer aan zet dus. Voor de twee performers ‘is het af’, maar met het begrip ware resolutie maken ze in hun beeld komaf. Bij die nadrukkelijke productie van voorbijschuivende beelden, waarbij de beelden zelf elkaar verdringen tot alleen het schuiven blijft, worden onze oogbewegingen de impuls, om ons eigen laboratorium van de lichaamstaal in te rollen. Om aan de slag te gaan met de vraag, hoe wij onze stukken zouden schuiven, bij dit rode licht waarin Vanden Eynde en Bouckaert hun beelden  ontwikkelden?  De  vraag, wat dat nu juist betekent, dat ‘louter toeschouwen’ niet bestaat en wij dus theateronderzoeker zijn? Oog in oog met Deceptive Bodies, ontpopt onze blik zich tot een even virtuoos wezen als die ‘uit de zoo  ontsnapte benen-met-kleedjes’. Tijd voor theater dus, het theater genaamd uzelf.

www.margaritaproduction.be

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Michiel Reynaert

recensie