Choy Ka Fai

Choy Ka Fai

Mia Vaerman

Leestijd 4 — 7 minuten

December Dance Platform

December Dance Platform brengt elk jaar korte werken van een aantal aanstormende Aziatische dansers. Dat intrigeert om twee redenen. Eén: Je kan er nieuwe choreografen ontdekken, een gegeerd genoegen voor een nieuwsgierig publiek. Twee: dans uit Azië confronteert met een andere wereld. Frie Leysen wees naar het belang ervan met haar notie van ‘perspectiefwissel’: in de podiumkunsten wordt een ander (wereld)beeld aangereikt – een gegeven dat je meer (emotioneel) aanvoelt dan wel (rationeel) begrijpt.

In de kleinschalige en intieme voorstellingen van het December Dance Platform ervaar je in ‘levende lijve’ (je eigen levende lijf als toeschouwer) hoe andere culturen en werkelijkheden met hun lijf omspringen (het lijf van de danser). De meeste voorstellingen zijn solo’s, en wat opvalt: bijna allemaal nemen ze lichamelijkheid als uitgangspunt.

Precisie

Kim Jae Duk uit Zuid-Korea vangt de voorstelling aan met een nonsensicale tekst waarin hij woorden uit verschillende talen vermengt: ‘music please’ dringt door, maar hij zou ook ‘Kentucky Fried Chicken’ hebben gezegd, en Duitse en Italiaanse zinnen. Daarmee bouwt hij een uitgesproken ritmische soundscape op in 3/4-maat (in Zuid-Korea gangbaar in popmuziek, hier gekend van wals en tango), waarin zijn diepe stem regelmatig doorschiet tot falset. Tussendoor verweven zich in zijn secure bewegingen motieven van Michael Jackson en de ‘Gangnam Style’ van de Zuid-Koreaanse rapper PSY. Een vibrerend fysieke beheersing, maar vijftien minuten is wel erg kort om de impact er van te voelen.

De andere Zuid-Koreaanse choreografe, Kim Bora, komt op in een doorzichtig plastic pakje en werkt zich naar voren als een behendig insect of precieus articulerende robot – enkel met frontale bewegingen. Daar staat een micro (met opzet te hoog) waardoor ze geen woord gezegd krijgt. In de film op de achtergrond vertelt een andere vrouw een verhaal over de bloes van haar grootmoeder die vuur vatte zonder dat ze er iets kon aan doen. Een herinnering verbeeld in film, op scène vertaald in een beweging van machteloosheid. Ook bij deze solo zien we een extreme lichaamscontrole, en wat eveneens verrast: geen enkele gêne voor haar blootheid – zelfs bij het groeten geen kamerjas om.

Lustobject

Daniel Kok uit Singapore reist al een tijdje de wereld rond, en volgt nu de opleiding a.pass (advanced performance and scenography studies) in Brussel. Met The Gay Romeo brengt hij een performance die veel weg heeft van wat performance-kunstenares Sophie Calle doet: haar intieme leven uitvergroten en uitdragen. Op een tafel stalt Kok één voor één de geschenken uit die hij kreeg bij ontmoetingen, opgezet via zijn gaydatingsite in Berlijn. Via nummers op een scherm laat hij de toeschouwer het relaas lezen van die rendez-vous (die al of niet uitmondden in vrijpartijen), uit een boekje dat uitgedeeld werd bij de ingang. Daarmee etaleert The Gay Romeo zich volkomen ongedwongen en ongegeneerd als lustobject, daar is het hem uitdrukkelijk om te doen. Best verwarrend om zijn gebalde spiermassa te bekijken terwijl je de pikante verhalen in stilte verorbert. Het paaldansen waarmee hij daarna uitpakt heeft echter niks te maken met het eerste deel van zijn performance en is bovendien zoveel sterker dan de vertoning ervoor: met één bovenarm klemt hij zijn hele lijf horizontaal de lucht in. Geen spier die trilt (hij won dan ook de Singapore Pole Challenge 2012). Het spektakel van deel twee haalt het van het kunstzinnig bedoelde eerste luik omdat het zoveel spectaculairder is: een vreemde tweespalt.

Eisa Jocson, een jonge, klassiek geschoolde danseres uit de Filipijnen, leerde in het red light district van Manilla de mannelijke verleidingstechnieken van het Macho-dansen : niet de borsten, maar het kruis vooruit. In Macho Dancer neemt ze als vrouw de mannelijke danstaal over, en vertolkt stripacts die in de Filipijnse nachtclubs mannen én vrouwen moeten bekoren. Het mannelijke lichaam als economisch uitgebuit kapitaal: Jocson haalt er met opzet de vertrouwde genderpatronen mee onderuit.

Elektro-impulsen

Maar de meest controversiële presentatie komt van Choy Ka Fai. De opzet van zijn performance is om met digitaal aangevoerde spierstimulatie de choreografieën van enkele van de grootste hedendaagse choreografen over te zetten op een ander lichaam – voor de gelegenheid een jonge Italiaanse danseres. In een didactische, met humor doorspekte show legt hij het principe uit. Toont eerst op zijn eigen spiermassa hoe elektrische impulsen tot samentrekking en dus beweging leiden – zo accuraat is hij dat hij er een heus geschiedenislesje over opzet, met powerpoint toe. Tussendoor demonstreert hij een knap stukje Butoh-dans. Daarna introduceert hij, in realistische televisieshow-stijl, de danseres, en oppert de idee om haar via elektro-impulsen de exacte bewegingen te laten uitvoeren van Isabella Duncan, Yvonne Rainer, Pina Baush, Jerôme Bel en een aantal grootheden uit de Oosterse dansscène. Prompt gaan de twee aan de slag.

Het zogezegde spontane proberen is opvallend fake, en bovendien komt er weinig overtuigend materiaal uit voort. Niet alleen zijn de dansbewegingen mechanisch en allesbehalve doorleefd, de innerlijke drijfveer ontbreekt, en daarbij word je als toeschouwer automatisch meer gezogen naar de beelden van de oorspronkelijke choreografen op het scherm achteraan. Een scherpere keuze voor slechts een aantal beroemde choreografen en een beter uitgewerkte sessie zou dat euvel kunnen verhelpen. Maar bij navraag blijkt dat zo’n digitaal gegenereerde reconstructie technisch gezien helemaal niet kan. Vooral de presentatie zelf, met de jonge danseres die ‘argeloos” vragen stelt en zich ‘onschuldig’ overgeeft aan het ‘experiment, leidt tot een vreemde constructie die vragen oproept: waarom de grootste hedendaagse choreografen en hun materiaal presenteren in combinatie met een spektakel dat alles wegheeft van een goochelact? Is het niet meer dan een show, een schijnvertoning? Ka Fai lijkt daar echter niet het minst om bekommerd. Wat is er overigens mis met een mix tussen hoge en lage cultuur?

Dat is precies het intrigerende: Aziatische dansers lijken extreem bezig met de controle van lichaam en techniek. Met een product, eerder dan met artistiek onderzoek. Waarom kiezen ze voor die manier van performen? Onze Westerse blik heeft het daar moeilijk mee. Onze uiteenlopende perspectieven clashen. Dat is uiteindelijk het verrijkende aan December Dance. Deze solo’s confronteren ons met andere ideeën over performance en onze verwachtingen als publiek. Het confronteert ons met wat we niet zonder meer kunnen begrijpen en omarmen. Twijfel wordt gezaaid rond divergente mens- en lichaamsbeelden. Dat maakt de ontmoeting tussen Europa en Azië – in een context van fysieke excellentie – toch erg de moeite waard.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#138

15.09.2014

14.12.2014

Mia Vaerman