De Dansers © Geert Snoeijer

Leestijd 10 — 13 minuten

De strategie van de ‘embedded culture’: redding of ondergang van de kunst?

Bedenkingen naar aanleiding van Oerol

Jaarlijks bezoeken zo’n 55.000 cultuurliefhebbers het Oerolfestival op het Waddeneiland Terschelling. Evelyne Coussens is er dit jaar voor het eerst, en kijkt zich de ogen uit: ‘Het lijkt alsof ik in het mekka van de cultuurparticipatie ben beland. Nooit eerder zag ik op tien dagen tijd zo veel en zo veel ongeschoolde toeschouwers deelnemen aan het theatergebeuren. Hier wordt theater gered voor en door de massa.’ Of niet?

We zitten met z’n dertigen in zo’n pittoresk rood-en-geel oldtimerbusje. Broodje en drankje bij de hand, lekker bollen door het landschap. De sfeer zit er goed in. De bus voert ons de hele dag langs Atelier Oerol, het onderzoeks- en ontwikkelingsluik van Oerol. Op het programma staat jong, kwetsbaar, onaf werk. Een eerste maker komt zelf naar ons toe. Een Surinaamse jongen met een koffer stapt de bus op. Hij heeft iets te vertellen, daar kan je gif op innemen. Het is alleen moeilijk te achterhalen wat. Uitbarstingen van joligheid uit het publiek snoeren hem de mond. ‘Kom er gezellig bij, man! Weegt dat wat, zo’n koffer?’ Hij probeert een intieme brief aan z’n vader voor te lezen. De gein houdt aan. Ach, een mens is op vakantie. Dan kan hij al eens lachen. Niet?

Mijn eerste bezoek aan het Nederlandse Oerol werd meteen een serieuze eye-opener. Zelden werd ik zo overrompeld door de massale publieke belangstelling voor een theaterfestival. Het Oerolfestival bestaat sinds 1982 en speelt zich af op Terschelling, een waddeneiland in de provincie Friesland – niet direct bij de deur dus. Wat begon als een klein straat- en strandtheaterfestival, georganiseerd door cafébaas Joop Mulder en zijn buurman Piet Huisman, groeide in dertig jaar tijd uit tot het grootste festival voor landschapskunst en locatietheater van de Lage Landen. Theater, muziek, beeldende kunst, installaties en straattheater worden er ingebed in het Terschellinger bos- en polderlandschap. Veertig middelgrote en grote theatervoorstellingen, twintig kleinere voorstellingen, vijftig muziekoptredens, talloze performances en installaties spelen zich af in tenten, bunkers, schuren of onder de blote hemel. Jaarlijks bezoeken meer dan 55.000 cultuurliefhebbers het festival. Vijfenvijftigduizend: laat het getal goed tot u doordringen. Ter vergelijking: Theater Aan Zee, misschien wel het meest publieksvriendelijke theaterfestival van Vlaanderen, bereikte dit jaar in tien dagen tijd 25.000 bezoekers.

Op de 675 vierkante kilometer die Terschelling groot is, te midden van 4700 inwoners, betekent 55.000 man een invasie. Ik rekende dus op enige drukte, maar de zondvloed aan Oerolgangers die ik bij mijn aankomst op Terschelling aantrof had ik niet voorzien. Grappig: oerol betekent in het Terschellinger dialect ‘overal’ en verwijst naar een oud gebruik waarbij het vee in het voorjaar opnieuw buiten de dorpen werd gelost om te gaan grazen. Anno 2010 zwermen in juni niet de runderen, maar 55.000 bezoekers oerol over het eiland uit – ze doen dat met de fiets, het vervoermiddel bij uitstek op Terschelling. Ik vind het een heerlijke vaststelling: er bestaat wel degelijk nog een publiek voor theater, die ‘hoge’ kunstvorm die volgens cultuurpessimisten tot uitsterven gedoemd zou zijn. Theater een bedreigde diersoort? Niks van aan. Hier op Oerol bewijst men het tegendeel.

Een tweede verrassing volgt wanneer ik van dichterbij een blik werp op het volkje dat lustig van Oosterend over Midsland naar West peddelt. Wie zijn al deze theaterliefhebbers? Het zijn niet de typische cultuurgangers, niet de voor de hand liggende theatergezichten. De incrowd is er ook, maar in de voorstellingen zie ik vooral volk van alle slag: gezinnen met jonge kinderen, pubers, jonge koppels, medioren, senioren – een publiek dat ik zonder negatieve connotatie het ‘brede’ of’ongeschoolde’ publiek zou durven noemen. Vooral het grote aantal ouderen valt op. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zie je ze kwiek onderweg, in trainingsoutfit, thermos thee onder de arm en zitkussentje op de bagagedrager gebonden. Chapeau – ik zie het mijn eigen ouders niet doen.

Het lijkt alsof ik in het mekka van de cultuurparticipatie ben beland. Nooit eerder zag ik op tien dagen tijd zo veel en zo veel ongeschoolde toeschouwers deelnemen aan het theatergebeuren. Hier wordt theater gered voor en door de massa.

Hoe doen die Nederlanders dat toch?

Ik leg mijn oor te luisteren bij enkele bezoekers. Wat trekt hen naar Oerol, wat trekt hen naar Terschelling, een eiland dat je begot enkel na urenlang bussen, treinen en varen kunt bereiken? Waarom doen ze al die moeite om precies hier cultuur te komen opsnuiven? De antwoorden zijn verhelderend en ontnuchterend tegelijk. Veel Oerolgangers komen niet voor het festival alleen – het programma van Oerol is slechts een onderdeel van het plezier. Ze zijn hier in koppel of in groep, ze hebben een huisje gehuurd of zitten op de camping, ze genieten van de natuur, de zee, de fietstochten en daarbovenop is het mooi meegenomen dat er een uitgebreid pakket aan culturele activiteiten wordt aangeboden. Het geheim van Oerol zit hem met andere woorden in de inbedding van het cultuurgebeuren in een totaalconcept dat ‘vakantie’ heet. Deze mensen gaan voor de all in.

Kijkframe

De strategie is gekend. In Vlaanderen is CultuurNet Vlaanderen de voornaamste gangmaker van deze ’embedded’ gedachte. Wat een ongeschoold publiek immers in de eerste plaats weghoudt van ‘moeilijker’ kunstvormen als theater, dans of klassieke muziek zijn de codes: het geheel aan omgangsvormen, achtergrondkennis en ervaring dat nodig is om het begrip en daarmee ook het plezier van de kunstbeleving te vergroten. Het ongeschoolde publiek kent deze codes niet en wordt er bijgevolg door afgeschrikt. Wie deze ‘moeilijker’ kunstvormen echter inbedt in een ruimer aanbod aan vrije tijd, toerisme en entertainment laat de codes vervagen en stelt het publiek op zijn gemak: proef eens, het is niet erg dat je dit niet kent, je bent hier welkom. Tussen gezinsuitje en culinaire wandeling in loodsen de cultuurmarketeers het publiek zo en passant ook tot in het museum. De hele strategie van CultuurNet Vlaanderen draait om het wegnemen van de ‘dreiging’ die uitgaat van ongekende culturele codes. Het is in die optiek dat de organisatie in 2008 de ‘bedreigende’ naam van zijn cultuurdatabank Cultuurweb veranderde in UitinVlaanderen.be. De switch bleek een doorslaand succes: de naamsverandering leverde de site een verdubbeling op van zijn aantal unieke bezoekers per dag. Leek de doeltreffendheid van de inbeddingstactiek mij op Oerol aanvankelijk overtuigend bewezen, dan ontdekte ik toch snel een keerzijde aan de medaille.

Het begon met een groepje olijke vijftigers naast me dat maar bleef fluisteren door de monoloog van een jonge maker heen. Later, tijdens een intimistische avondvoorstelling, bleek een bezoekster zó enthousiast dat ze de ene foto na de andere nam. Mét flits. Toen een acteur tijdens een voorstelling enkele dennenappels in het publiek wierp, keilde een alerte toeschouwer de dingen keihard terug naar z’n hoofd.

Zijn dit nieuwe vormen van interactief theater en loop ik hopeloos achter? Is dit dan de zo geroemde Nederlandse spontaniteit en ben ik een Belgische seut? Of ben ik een elitaire cultuuraristocraat, onverdraagzaam en verzuurd beyond help? Dat ieder er het zijne van denkt, maar het gedrag van sommige toeschouwers tijdens Oerol stuitte me tegen de borst. Zelfs op locatie. Ik weet het: er is de laatste decennia een beweging op gang gekomen die kunst uit haar sacrale context haalt om haar naar de openbare ruimte te brengen: naar de stad, uit het museum, weg van de black box. Midden de mensen – prachtig! Maar het is een vergissing te denken dat een locatievoorstelling geen kijkframe meer heeft. Elke kunstbeleving is per definitie afgesneden van de sociale realiteit. Zelfs uit haar institutionele hengsels gelicht blijven voor theater – misschien met uitzondering van het straattheater? – bepaalde kijkcodes gelden. Een voorstelling verdraagt niet alles – en zeker geen prille productie.

Kaders. Codes. Daar hebben we ze weer. Behoorden die bewuste toeschouwers tot het ongeschoolde publiek en beseften ze niet dat er zelfs in een locatievoorstelling basisafspraken zijn – zwijgen, je gsm afzetten, geen foto’s maken? Wellicht. Maar eigenlijk speelt de vraag of de toeschouwers de codes überhaupt kenden weinig rol in het kader van de ’embedded’ context, die alle codes sowieso onzichtbaar maakt. De inbedding verbergt de codes, zonder ze uit te wissen, want voor de maker en voor de geschoolde kijker blijven de codes in voege. Het gevolg is dat er een spanningsveld ontstaat tussen de voorstelling, de maker en de geschoolde toeschouwer enerzijds en de ongeschoolde toeschouwer anderzijds. Wie mensen uitnodigt voor een barbecue moet vervolgens niet verwachten dat ze met de pink omhoog eten. Ik besef snel dat de storende attitude van sommige toeschouwers niet meer is dan normaal, gezien de context waarin ze zich bevinden. Het publiek gedraagt zich zoals te verwachten is van mensen die op vakantie zijn. lekker fietsen, lekker een terrasje, lekker een voorstelling, lekker een drankje na,… Op marketingniveau zou je het ‘consumentrisme’ (consument + centrisme) kunnen noemen, een model dat in de commerciële vrijetijdssector evident is en in de culturele sector steeds verder oprukt. De consument (in dit geval: de toeschouwer) plaatst zichzelf in het midden van het gebeuren. Het product (de kunst) moet hem dienen, en wel op maat van zijn individuele verlangens. Want wie wat wil verkopen moet dat tegenwoordig doen: de consument wordt graag aangesproken als unieke persoonlijkheid. Van autobekledingen tot vakantieformules: op maat. Maar je zou je kunnen afvragen of die ‘op maat’-formats wel geschikt zijn voor de kunstensector. Wordt theater gemaakt op maat van een publiek?

De strategie van de ‘embedded culture’ schept kaders op maat van het ongeschoolde publiek, door zoveel mogelijk codes voor dat publiek te verbergen. De strategie zegt: ‘Relax, je bent hier welkom, niets moet.’ Er is echter één belangrijk ding dat de voorstanders van de embedded strategie over het hoofd hebben gezien, namelijk dat er bij kunst wél iets moet. Er is wel degelijk een inspanning nodig. Kijken, bijvoorbeeld. luisteren. Aandacht hebben. Mentale ruimte vrijmaken. En in het verlengde daarvan: zwijgen, je gsm afzetten en geen foto’s maken. Je kunt van kunst geen snelle hap maken tussen andere snelle happen door. Je kunt niet doen alsof de codes er niet zijn, alsof een jeugdtheatervoorstelling hetzelfde is als een ritje op de kermismolen. Wie dat wel doet, kweekt een publiek dat zich op een theaterfestival gedraagt alsof het in Walibi rondloopt.

Een vreselijke paradox vind ik dat. Op Oerol stuit ik op een ongezien groot draagvlak voor theater, maar tegelijkertijd ook op de vaststelling dat het kwetsbare wezen van theater (of van andere ‘moeilijke’ kunsten) dat nieuwe, massale doch ongeschoolde publiek maar moeilijk verteert. Moet het wezen zich dan toch aanpassen? Moet theater zijn nieuwe publiek omhelzen op maat? Elke democratisering leidt tot een inhoudelijke verdunning – het is de prijs die je betaalt. Of niet?

Ik hoop van niet. Het hoeft niet zo te zijn. Niet als er bij de inbedding een cruciale stap in acht wordt genomen: toeleiding. Toeleiding, omkadering, begeleiding, noem het voor mijn part educatie – bweuk. Maar het volstaat niet om de kat bij de melk te zetten, je moet haar die melk ook leren drinken. Het confronteren van een ongeschoold publiek met een dansvoorstelling is onvoldoende om het die voorstelling te laten begrijpen en beminnen – er hoort op zijn minst wat tekst en uitleg bij. Zie het zo: het onzichtbaar maken van de afschrikwekkende codes van de ‘moeilijke’ kunstvormen dienen als aas om een breed publiek te lokken. Prima. Heeft het publiek in grote getale gebeten, doe er dan in godsnaam wat mee. Op dat moment is het tijd om, jawel, de codes te herinstalleren. Het kan de buschauffeur van onze oldtimer zijn, die bij het opstappen beleefd vraagt om de gsm’s uit te zetten. Het kan de kunstenaar zelf zijn, die voor het begin van zijn film/theatervoorstelling/dansstuk zijn werk kort komt duiden. Het kan de programmator zijn, die in- en uitleidingen, makersgesprekken of informatieve handouts voorziet. Al was het maar de juffrouw die de kaartjes scheurt die ons voor het licht uitgaat vraagt om absolute stilte in acht te nemen. Als je mensen niet leert kijken, zullen ze nooit zien.

Op Oerol, helaas, niets van dit alles. Op de koffietafelgesprekken na, een format van een uurtje dat dagelijks doorgaat in het festivalcentrum Westerkeyn, is er door de organisatie geen ruimte voorzien voor dialoog, omkadering of verdieping. Geen workshops, geen voor- of nagesprekken, geen makersontmoetingen. Het publiek moet het bij eender welke voorstelling – zowel bij de meest toegankelijke als bij de meest hermetische – doen met wat er aan summiers in het festivalboekje staat. Vooral in het geval van het ontwikkelingsgerichte Atelier Oerol ware enige voor- en nazorg geen overbodige luxe geweest, in het belang van het publiek en de jonge makers. Door dit aspect te verwaarlozen, door de potentie van dat massaal aanwezige publiek niet optimaal te benutten om intensief aan klanteninformering- en klantenbinding te doen, snijdt Oerol wezenlijk in eigen vlees, in dat van z’n makers en van het hele reguliere theaterlandschap. Het participatieve succes van Oerol geraakt immers niet van het eiland af. De aantrekkingskracht van het festival blijft lokaal en momentaan. Weinig Oerolgangers duiken dankzij hun snelle vakantiehap later op het jaar ook wel eens de Amsterdamse schouwburg in. En dus wint Oerol enkel zieltjes voor de eigen statistieken.

Participatie

Er hebben nooit meer mensen toegang gehad tot kunst en cultuur dan de laatste vijftig jaar, dat is een spectaculaire omwenteling. Het nieuwe en grotendeels ongeschoolde publiek is here to stay – maar we mogen het niet aan zijn lot overlaten. Paternaliserend? Het is eenvoudig: als we niet willen dat de moeilijke kunstvormen marginaliseren, moeten wegeenkunst maken voor een publiek, maar een publiek kweken voor de kunst. Het gaat uiteraard niet enkel over Oerol. Het gaat over het aanreiken van kijkstrategieën, het installeren van kijkcodes op grote schaal. Makkelijker gezegd dan gedaan, inderdaad. Een ding staat voor mij echter vast: de toeleiding is de taak van de omkaderende instituten – van de programmatoren, de productiehuizen, de festivalorganisatoren, de curatoren, de koepels, de journalisten, de steunpunten, de onderwijsinstellingen – van zowat iedereen behalve van de kunstenaar zelf.

Want dat is mijn grootste angst. Ik moet het u namelijk bekennen: ik ben bang. Ik ben bang dat de kunst zelf ‘mijn’ kunst, onder druk van de heersende publiekssmaak zal zwichten en muteren. Voor mij is kunst nog steeds sacraal – alweer zo’n vies woord. Ik ben bang dat de democratische verdunning zal plaatsvinden, met een kwaliteitsverlies van ‘mijn’ kunst tot gevolg. Het is wat de Italiaanse auteur Alessandro Baricco in zijn laatste boek De barbaren beschrijft: een angst voor het verlies van wat door een bepaalde groep als kostbaar wordt beschouwd, voor de overrompeling en vernietiging van dat kostbare door ‘de barbaren’ – de commercialisering, de ‘lage’ cultuur, de ongeschoolde massa. Baricco ziet het zo somber niet in: wat hij ‘zielsverlies’ noemt of ook wel ‘strategische aftocht’ – de democratische verdunning – is in zijn ogen een noodzakelijk kwaad om nieuwe mogelijkheden te scheppen. De overrompeling door de barbaren lijkt voor de elitaire kunstliefhebber rampzalig, maar het is slechts een deelaspect van een veel bredere beweging die uiteindelijk vooruitgang brengt. Ik wil graag geloven in Baricco’s vooruitgangsoptimisme.

Schokkend voor mezelf is de vaststelling dat mijn angstige reflex ter verdediging van wat me dierbaar is perfect spoort met wat op een ander maatschappelijk vlak de angst voor de vreemdeling heet – iets waarvan ik mezelf als weldenkende linkse intellectueel uiteraard vrij waan. Alleen beangstigt mij niet zozeer de vreemdeling zelf, als wat die vreemdeling in mijn wereld zal teweegbrengen. Natuurlijk wens ik de kunsten een zo groot mogelijk publiek toe. Alleen mag dat niet ten koste gaan van de kunst zelf. Kunst elitair? Laat ons van de kunst afblijven en de elite zo groot mogelijk proberen maken. De huidige beleidstendensen stellen participatie als sleutelcriterium voorop bij de subsidiering van het kunstenveld. Prima, maar zonder de nodige aandacht voor omkadering kweekt zo’n beleid makers op maat. Wat mij betreft is er naast het participatiebeleid een doorgedreven beleid van bemiddeling nodig, in de breedst mogelijke zin van het woord. Niet enkel via cultuureducatie in de scholen, maar via intense publieksbegeleiding door de kunstenhuizen, de festivalorganisatoren en de hele kunstensector zelf. Met uitzondering van de kunstenaar. Zijn enige taak is het om goede kunst te blijven maken, integere kunst. Dat is de beste verzekering voor zijn voortbestaan. Kunst kan de wereld niet redden, enkel zichzelf. Maar dan moet ze wel zichzelf blijven. ©

Oerol 2010 vond plaats van 11 tot 20 juni. De volgende editie loopt van 17 tot 26 juni 2011.

www.oerol.nl

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

reportage
Leestijd 10 — 13 minuten

#122

01.09.2010

30.11.2010

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!