Leestijd 3 — 6 minuten

De Sapeurloot – De Verrukking & De Theaterassociatie

Kroniek – Het jeugdpuistje van het cultureel proces

Zeggen dat de toneelschrijfkunst in een impasse verkeert is een gemeenplaats geworden. Op het Duitse taalgebied na, hoor je er dan onmiddellijk bij te zeggen.

Auteurs als Sam Shepard en David Hare kunnen de grijsheid van het Angelsaksische drama met moeite verbergen, en dan enkel in die mate dat ze ontsnappen aan de ambachtelijkheid die hun theater zo lang zo degelijk heeft doen zijn. In Frankrijk slaagt enkel Bernard-Marie Koltès erin een niet-voorbijgaande uitdaging voor theatermakers te vormen, in Wallonië weet Jean Louvet, als hij zelf wil, én maatschappelijk doorleefd én poëtisch theater te schrijven, en bij ons is een slechte Claus nog altijd beter dan het beste van om het even wie. Enkel in Duitsland en Oostenrijk, inderdaad ja, vinden geschiedenis, actualiteit, poëzie en beeldende kracht af en toe hun neerslag in een opwindende theatertekst. Hoewel ook daar de helden moe zijn: Thomas Bernard raaskalt maar door, Botho Strauss verdrinkt in zijn pessimisme, bij Heiner Müller leidt de Duits-Duitse schizofrenie tot immobilisme. Hoewel, ik blijf er ontzettend van houden, in tegenstelling tot de meeste schriftuur elders. Zelfs Lars Norén, het nieuwe Zweedse troetelkind, bezorgt me af en toe wat twijfels: waar zit die hooggeprezen overschrijding van het naturalisme, vraag ik me soms af.

Uit arren moede – of zijn de auteurs echt masochistisch geworden – halen de theatermakers een “écht heel slecht stuk” (dixit de auteur) in als dé revelatie van de jaren 80 in de toneelschrijfkunst. Een stuk bovendien in het zwaar gecompromitteerde genre van de boulevardkomedie, en een komedie die echt niet meteen uitnodigt tot een psycho-analytische her-lezing, zoals een Feydeau of een Labiche. Le Saperleau, het stuk met het bijhorende golfplaten prefab-theatertje, geschreven en in 1982 gecreëerd door Gildas Bourdet, artistiek leider van het Théâtre de la Salamandre (Lille), is in het “Nederlands” vertaald.

Nadat Hugo Brandt Corstius, Battus voor dit soort werk niet bereid bleek (of geen tijd had), heeft Pjeroo Roobjee zich tot deze schier onmogelijke vertaling laten verleiden. Mijn indruk van Pjeroo Roobjee als toneelauteur was niet zo goed – zijn Het Offer is te kort voor Jan Decleir was van een ondramatische verveling – maar De Sapeurloot is perfect in overeenstemming, zowel talig als dramatisch met Bourdets origineel. Ook in de enscenering, zowel qua spel-dispositief als in acteerstijl en -ritme, is De Sapeurloot een bijna letterlijke parafrase op de produktie uit Lille. Gespeeld wordt in een speciale kooi-achtige constructie met een vijftal “zithoeken” rond een klein speelvlak. Ook rond de kooi wordt er gespeeld. Het Rijsselse golfplaten theatertje (dat in Avignon, waar ik het zag, onuitstaanbaar heet was) had in een hoek, afgegrensd aan twee zijden door vensters (er werd ook buiten gespeeld), een speelvlak en aan de andere twee zijden waren tribunes gebouwd. De Belgisch-Nederlandse produktie (geregisseerd door Wim Meuwissen) was dus ruimtelijk iets vrijer, vooral door de figuur van de Verteller (Herman Verbeeck) die wel overal tegelijk present leek. De kostuums – extreem-modisch en tegelijk tijdloos in hun absurde kleuren- en vormcombinaties – werden op dezelfde manier als bij Bourdets voorstelling aangedikt met pols-, kuit- en bilprotheses. De Sapeurloot (Rik Hancké) en zijn minnaressen Apostasie (Lisette Mertens) en Espermanza (Lydeke Härschnitz) bewegen en schreeuwen zich met hels ritme door dit taaigedrocht, even vinnig begluurd en gecounterd door de Verteller, alias de hond Fabliauw.

Kortom, deze Sapeurloot zit even knap in elkaar, is even professioneel opgevoerd als Bourdets eigen Saperleau. Maar het blijft voor mij vooralsnog onbegrijpelijk hoe dit stuk zoveel intelligente theatermakers weet te verleiden. Voor mij is De Sapeurloot, samen te vatten als een komedie over een op “ontrouw” betrapte man die dit incident verbaal uitvecht met zijn twee vriendinnen, met als finale vaststelling hun gezamenlijke impotentie, een abdicatie van de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat het kunsttaaltje, samengesteld uit dialecten, anderstalige invloeden en grammaticaal “ongeoorloofde” mutaties in woord- en zinsstructuur een maatschappijkritische of anderzins sociale commentariërende werking zou hebben, is onzin. Er bestaat veel beter in dit genre: Gertrud Stein, Raymond Quéneau, of bij ons Cees Buddingh en de al genoemde Battus. Deconstructie van de taal is an sich niet subversief, enkel in relatie met de verwarring, het ongemak omtrent de verhoudingen, menselijk en politiek, die in de tekst aan de orde zijn. En in dat opzicht is Bourdets (Roobjees) Sapeurloot even onbeduidend, even tijdsgebonden, als Walter Van den Broecks Wemelbed. Het thema van de frustratie over de verworvenheden van de sexuele vrijheid, of van het a-morele van het im-morele, is aanwezig in De Sapeurloot maar niet voelbaar in verband gebracht met de deconstructie van de taal. Woorden verzinnen met “pis” en “poep” erin stellen de morele orde even weinig in vraag als een AIDS-stuk op Broadway vragen oproept over de heterosexuele normen van onze samenleving. Een tekst als de Hamletmachine b.v. gaat veel verder, omdat de taal materieel als machtsapparaat gehanteerd wordt, en niet enkel door middel van een vreemd klinkende taal iets over macht vertelt wat iedereen al weet.

Eén regel uit Brechts lm Dickicht der Stadte– “Ihr krachtzt noch im Champagner von Strumpfauszie-hen”, om iets willekeurigs te citeren-maakt heel De Sapeurloot volstrekt overbodig. En als je per se de komedie opnieuw uit wil vinden, is Jan Decortes Kleur is alles een stuk leuker.

DE SAPEURLOOT auteur: Gildas Bourdet; vertaling: Pjeroo Roobjee; regie: Wim Meu-wissen; decor: Peter Wittockx; kostuums: Frieda Dauphin; acteurs: Rik Hancké, Lydeke Härschnitz, Lisette Mertens, Herman Verbeeck.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#13

15.04.1986

14.07.1986

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!