Leestijd 10 — 13 minuten

De RITCS-treurzangen

DOSSIER OPLEIDING

Het Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding bestaat binnenkort 25 jaar. Geen reden tot feesten, want de toneelopleiding op het RITCS evolueerde van kwaad tot erger. Luk Van den Dries veegt de geschiedenis van het RITCS bij mekaar en aanhoorde de treurzangen van Rudi Van Vlaenderen (oud-directeur), Arne Sierens (oud-student) en Charles Janssens (docent).

De regisseur is in de geschiedenis van het theater een recente uitvinding. Vóór de twintigste eeuw hoefde je een acteur niet te vertellen hoe hij zijn tekst moest zeggen, dat wist hij zelf wel; een regisseur was ook beperkt in de keuze van het decor: hij had een drietal geschilderde locaties ter beschikking; en voor lichtorgels en het spelen met audiovisuele techniekjes was het nog te vroeg. De regisseur was een soort agent die het verkeer regelde tussen cóté cour en cóté jardin, tussen tekst en conventie.

De eerste regisseur, in de betekenis die we vandaag aan deze functie toeschrijven, was Georg ll, hertog van Meiningen, een stadstaatje met 8 000 inwoners, zes politieagenten en een toneelgezelschap van zeventig mensen. Deze vorst-artiest was de eerste om serieus aandacht te besteden aan de voorbereiding van een stuk – zo trok hij voor de enscenering van Ibsen naar Noorwegen – hij doorbrak ook het sterrensysteem en poogde zo van theater een organisch, levend geheel te maken. Het gezelschap bouwde een enorme faam op via tournees doorheen heel Europa. Ook andere theatermakers, Stanislawsky in Rusland, Antoine in Frankrijk zagen het gezelschap aan het werk en werden er door beïnvloed.

De regisseur was geboren. Volgens Copeau omdat de grotere complexiteit van het theater een specialisatie vereiste. Bernard Dort zoekt een sociologische verklaring in de diversificatie van het publiek dat zich niet meer tevreden stelde met het conventionele toneelbeeld. J.M. Piemme trekt een parallel met de verschijning aan het eind van de 19de eeuw van de professionele criticus die zoals de regisseur zijn autoriteit vestigt op een “weten” (savoir): iemand als Antoine b.v. zal minutieus veldwerk verrichten bij de voorbereiding van zijn regie: het interieur van een armoedig gezin zal er uitzien als het interieur van een armoedig gezin (1).

Merkwaardig is de vaststelling dat de regisseur verschijnt samen met de opkomst van het naturalisme, wanneer de toneelconventie opnieuw aangepast wordt aan de veranderde realiteit, op een moment dus dat het theater het minst nood heeft aan verbeelding. Maar de regisseur als opzichter van het naturalistisch detail wordt al snel afgelost door andere soorten regisseurs die het toneel als autonome artistieke discipline erkennen en/of het hanteren als wapen in de politieke strijd (b.v. Meyerhold, Piscator, Brecht). Met de diversificatie van de regisseursfunctie waaieren ook de toneelrichtingen in de twintigste eeuw zich verder uit. Je hebt de regisseur-tekstbewaker, steeds zoekend naar de Waarheid van een tekst; de regisseur-choreograaf, geïnteresseerd in houdingen/verhoudingen van lichamen op de scène; de regisseur-architect, gefascineerd door de structurering van de ruimte; je hebt de geborgen regisseur, die enkel kan werken met zijn vaste ploeg, of de reizende regisseur die zich voor veel geld verhuurt aan het meest biedende gezelschap; je hebt de lezende, beeldende, cynische, ethische, esthetische, etc. regisseur. Zoveel soorten regisseurs, zoveel werkwijzen ook: er zijn er die alles voorspelen of die eerder afwachten; mét of zonder vastomlijnd concept; er zijn er die eindeloos repeteren en zij die repetities tijdverlies vinden. Dé regisseur bestaat niet, de regisseursfunctie bestaat nog maar net, en wordt steeds anders ingevuld naargelang de omstandigheden waarin gewerkt wordt en het temperament van de man (het zijn bijna altijd mannen) in kwestie. Vraag: hoe leid je dan regisseurs op en moeten, kunnen regisseurs wel opgeleid worden?

Clash

Praktisch geen enkele regisseur in Vlaanderen heeft een diploma regie. Dat kan ook moeilijk, de enige school met een regie-opleiding, het Rijksinstituut voor toneel- en cultuurspreiding (RITCS), levert slechts sinds 1966 diploma’s af. Voordien (1940-1942) was er wel het Hoger Instituut voor Toneel en Regie o.l.v. Odiel Daem en Joris Diels. In de terminologie van de tijd wilde de school regisseurs en acteurs opleiden voor een “gemeenschapskunst” en “een nieuwe orde op toneelgebied” (2). De school bestond slechts twee jaar en vormde mensen als Dora Van der Groen, Tine Balder, Alice Toen, Rik Jacobs, Tone Brulin.

Het merendeel van de regisseurs werkzaam in het beroep zijn dat bij de gratie van zichzelf of de economie. Hoe werd je, en hoe word je nog steeds, regisseur, als je er niet voor naar school kon? Gewoon, omdat je je geroepen voelde, of omdat het nu eenmaal de gewoonte is dat een eersteplan acteur met x jaren dienst ook denkt te moeten regisseren (3), of uit economische noodzaak die het voor een directeur goedkoper maakt een vaste acteur iets te laten regisseren dan een extraregisseur te moeten aanwerven. Op zich is daar niets op tegen, dat men regisseur wordt na het handwerk geleerd te hebben op de scène en het theaterbedrijf van onder tot boven doorlopen te hebben, maar al te vaak zie je dat dat resulteert in aanpassing aan het bestaande, in gemakzucht en minimum-eisen. De clash met het onbekende, wat theater moet zijn, ontbreekt. Men heeft te lang op mekaars gezicht staan kijken, de verliefdheid is weg.

Kan een school goede minnaars maken, of beperkt men zich tot standjes, de blote techniek? De verbeelding in de liefde, de passie voor een tekst, de passie voor lichamen, voeling met de hartklop van vandaag, dat kan je in elk geval niet leren. Dat moet er gewoon zijn, anders kan je het regisseren beter vergeten. Een opleiding moet de aanwezige passie, het talent, zorgvuldig cultiveren, het doen articuleren in een persoonlijke vormentaal. Dat betekent dat men vertrekt van de persoonlijkheid, de inbreng van de kandidaat-regisseur en die confronteert met nieuw materiaal, verschillende versies. Brede culturele bagage is daarbij voorondersteld: je hoeft de tijd niet te verliezen met “begrippen van film”, “begrippen van toneel”, “begrippen van literatuur”. Leren lezen en leren kijken, daar komt het op aan. Tekstanalyse en voorstellingsanalyse moeten in een regie-opleiding centraal staan. Plus, dat spreekt vanzelf, de praktijkervaring: in serieuze produktie-omstandigheden leren werken met acteurs, in ruimte, met licht, geluid. Hoe dat er concreet moet uitzien in een leerplan, in lesopdrachten en een uurrooster, daar bestaan verschillende voorstellen voor (Carlos Tindemans: Regisseursopleiding. Mogelijkheden in Zuid-Nederland (4); Alex van Royen: Herstructurering 1976(5)); hoe het er niet moet uitzien leert, al bijna 25 jaar de toneelafdeling van het RITCS.

RITCS

Het Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding werd in 1962 op zijn Belgisch gesticht. De impuls ging uit van het franstalige “Institut Solvay”, waar een werkgroep o.l.v. Raymond Ravar een opleiding voorbereidde voor film, radio, tv en toneel. Vlaanderen kon daarbij niet achterblijven en op aandringen van Richard Declerq (gouverneur van Antwerpen, voorzitter van de BRT, de adviesraad voor toneel en het filmfestival van Antwerpen) en Julien Kuypers, werd ook een vlaamse tegenhanger bepleit. De voorbereiding werd toevertrouwd aan Rudi Van Vlaenderen (toen leider van Toneel Vandaag, nu BKT) die ook de eerste directeur zou worden. Belgische oplossingen zijn altijd gebouwd op drijfzand, zo ook hier moesten tussen de franstalige en Vlaamse afdeling en de reeds bestaande instituten compromissen worden gesloten die de school al bij voorbaat hypothekeerden. Zo werd aan het INSAS (het franstalige RITCS) een acteeropleiding toegevoegd, maar voor de vlaamse afdeling kon dat niet, want er was al de Studio Herman Teirlinck. Nu, het Conservatorium Brussel lag op vijf minuten, en een samenwerking lag dus voor de hand, maar zo simpel gaat dat dus niet: Conservatoria behoren tot de bevoegdheid van de Minister van Cultuur (katholiek), het RITCS resorteerde onder onderwijs (vrijzinnig). Men wou het RITCS wel onderbrengen bij het kunstonderwijs in ruil voor de architectenschool, maar die koehandel ging uiteindelijk niet door. Een eis van Rudi Van Vlaenderen dat het RITCS slechts toegankelijk zou zijn voor mensen met een kandidatuursdiploma sneuvelde op een veto van de franstaligen die de opleiding wilden aansluiten op het middelbaar onderwijs.

Het geklungel met het RITCS begon al met de benaming. Rudi Van Vlaenderen: “De Franse benaming was er eerst: Institut National des Spectacles et des Arts de Diffusion. Dat werd dan: Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreidingstechnieken. Een foute vertaling dus.” Rudi Van Vlaenderen beseft de mankementen van het RITCS en zijn eigen tekortkomen hierbij. Zijn oorspronkelijke bedoelingen om studenten in contact te brengen met zeer verschillende visies op toneel en met verschillende disciplines, werden al snel ondermijnd door allerlei administratieve bepalingen en hervormingen, opgelegd van bovenaf. Docenten moesten in de eerste plaats een universitair diploma hebben, liefst ook interesse voor toneel. Daarbovenop kwam het machtsspel van de politieke pistons. Er was geen theaterzaal waarin gerepeteerd kon worden, er waren geen acteurs. Dat werd dus behelpen: stages hier en daar, studenten die mekaar regisseren of de directeur, enz.

Rudi Van Vlaenderen: “Ik hoopte daar altijd uit te geraken. Je geeft dat niet zo vlug op, ik heb daar toch zes à zeven jaar voor geijverd, maar uiteindelijk besef je dat repareren niets meer helpt. Ik ontbrak ook de politieke relaties om mijn bedoelingen waar te maken. Ik was wel met steun van de socialisten daar geplaatst, maar heb het persoonlijk verkorven omdat ik in 1968 opgekomen ben op de Trotskistische lijst. Van dan af heb ik niets meer kunnen verkrijgen: ik was politiek onbetrouwbaar. Leraars verdwenen, anderen bleven, en ik stond daar bij te kijken. Ik heb dan ook besloten om te stoppen, want ik kon niets meer doen voor de school. Er moest iemand komen die meer krediet kreeg.”

Ondanks een gebrekkig leerprogramma–met veel te weinig aandacht voor de essentie van regie- en dramaturgie-opleiding -, ondanks een rivaliserend en politiek samengesteld docentenkorps, ondanks de slechte structuur – men werkt zonder acteurs en er zijn geen middelen om b.v. tijdelijk gastdocenten uit te nodigen – ondanks het RITCS eigenlijk, zijn er de eerste jaren een aantal mensen uitgekomen die hun weg in en rond het toneel gemaakt hebben, enkelen zelfs die theater gemaakt hebben: Jo Decaluwe, Gil-bert Deflo, Franz Marijnen, Bert Verhoye, Frans Redant, Dirk Buy-se, Marc Van Wesemael, Jan Decorte, Jan Devos.

Alles moet kapot

In 1973 werd Maurice Denayer ad interim aangesteld. Onder zijn directeurschap werd in 1976 een verregaande programmahervorming ingevoerd die een reeds manke toneelopleiding helemaal de benen afsneed. De twee eerste jaren werden gelijkgesteld voor alle afdelingen, waarbij welgeteld vier uren voor toneel voorzien werden; in de licenties kreeg je dan wat losstaande theoretische vakken en praktijk, nog steeds zonder acteurs of theater. Al vrij snel werd op deze afbraakopleiding heftig gereageerd zowel door de buitenwacht als in de toneelafdeling zelf. Carlos Tindemans somt in een essay in Dramatisch Akkoord de fouten nog eens op: “geïmproviseerd opleidingsprogramma, politieke docentenselectie, onoordeelkundig afstemmen van theorie en praktijk, argwaan van de zittende gezelschappen, fluitsercampagnes over de intenties, bureaucratische rompslomp, menselijke tekorten. (…) De pedagogisch én artistiek meest verantwoorde beslissing zou zijn de hele zaak, althans in de huidige gedaante, op te doeken” (6). Ook de leerlingen zelf komen in het verweer: in 1976-77 boycot het derde jaar de lessen van Charles Janssens. Samen met oud-leerlingen wordt een vzw “Drama en theater” gesticht, er wordt een persconferentie georganiseerd, de RITCS-etter wordt in de kranten uitgesmeerd. In het docentenkorps steekt enkel Alex Van Royen de nek uit: in zijn Analyse van de herstructurering 1976, gaat hij frontaal tegen de hervorming in. Hij vraagt zich af “of het hier gaat over herstructureren of over slopen” en stelt een alternatief programma voor. Nog in 1984 doet hij een nieuwe oproep tot een constructieve discussie over de herziening van het cirriculum. Te lang, vindt hij, is het RITCS op zijn gat blijven zitten, waardoor het dreigt geruisloos te sterven, terwijl het instrument RITCS toch veel mogelijkheden biedt. “Men is sinds jaren getraind in het in stand houden van een dodend immobilisme en men hanteert daarbij meesterlijk het denkpatroon dat in het land misschien het best gekend is: nl. de beveiliging van de eigen situatie. Want iedere verandering maakt de toestand ongunstiger, alleszins in de zin dat een grotere inzet zal gevraagd worden van directie, van docenten en van studenten. Maar stilstand is achteruitgang en zo bevinden we ons nu aan de rand van de afgrond” (7). Redenen voor het failliet situeert hij eveneens in het van in den beginne ontbreken van een gefundeerd programma, in de onkunde van de directie, bij de cumulerende docenten aan wie elke vakkennis ontbreekt en die enkel uit zijn op “het in stand houden van een superprofitariaat”. Met zulke uitspraken, al zijn ze waar, maak je je natuurlijk bij directie en collega’s niet geliefd. Via een tuchtprocedure werd Van Royen het zwijgen opgelegd: nog één keer piepen en hij staat op straat, zonder pensioen. Ten slotte was er nog de eenmansactie van student Eddy Clinckspoor die in een “open brief” de toneelopleiding aanklaagde en via de weg van de inspectie iets probeerde los te weken, maar ook daartegen had het RITCS zich ingeritst. Ach, en er is nog een volle doofpot, met daarin o.a. een Veys, de miljoenoplichter die eminent lid was van de jury; een student die grote onderscheiding haalde hoewel zijn eindwerk afgepend was van de thesis van Pol De Bruyne; een andere student werd gebuisd omdat zijn werk te theoretisch was. Daarop volgde klacht bij de Raad van State en het gelijk van de student.

Maar het RITCS boerde voort. Op schrale grond en zonder opbrengst. Van de 58 afgestudeerden van de toneelrichting zijn er slechts tien als regisseur werkzaam, een paar dramaturgen, BRT- en filmmensen, een enkele recensent en acteur, de meerderheid is nooit in het beroep terecht gekomen of haakte snel af. Sinds 1973 werden drie regisseurs afgeleverd: André Vermaercke, Arne Sierens en Ivo Van Hove. Alle drie zijn ze aangewezen op de marge, al is dat niet hun schuld, noch die van de school.

Arne Sierens: “Wij behoren tot de ‘lost generation’. Mensen als Ivo Van Hove, Jan Fabre, René Van Gijsegem, ikzelf, kunnen niet in het bestel terecht, want dat zit vol. Maar toch is er een enorme drive tot het maken van theater, dat doen we dus met zeer beperkte middelen. Het is geen bewuste keuze voor de marge, ik wens ook in grote zalen te werken, met professionele mensen, in goede omstandigheden, ik zou ook graag opera regisseren.”

Opmerkelijk in de gesprekken met oud-studenten is dat de “cohabitation” met andere afdelingen als film, tv, sociale communicatie, als positief wordt ervaren. Arne Sierens: “Je ontmoet mensen uit de cinema, mensen van INSAS, en dat breekt je wereld open, dat levert een vruchtbare dialoog. In het grote pakket filmcursussen leer je ook begrippen als montage, ritmiek van montage, cadrage, die ook bruikbaar zijn voor toneel. Een uitsluitende theaterschool, ergens geïsoleerd in Antwerpen, daar zou ik niets voor voelen.” “Waar het het RITCS aan mankeert zijn goede pedagogen die een inhoud kunnen overbrengen. De praktijkmensen die er nu les geven hebben geen inhoud, en kunnen niet les geven. Dat geeft dan fragmentjes, kleine ideetjes, hier en daar een visie op een deelprobleempje. Methodiek nihil. En wat ook typisch is voor het RITCS: de acteur was er een vies woord, de acteur behoorde tot de melaatsenplaneet. Acteurs moest men ‘benaderen’, de acteur was het ‘mysterie’. En ik behoorde dan nog tot de weinigen die met acteurs heeft kunnen werken, maar weer zonder voorbereiding, of methode.”

En dan

Niemand is tevreden met de school: de studenten niet, sommige docenten niet, de professionele wereld heeft het vonnis al lang geleden getekend. Wat doe je met al die kritiek? Charles Janssens, docent-eerste-uur: “Ik denk dat ik mij zeer goed bewust ben van de tekortkomingen, zowel qua structuur als qua opleiding, maar wat kan je er aan doen? Ik denk dat men in de eerste plaats mensen uit het vak zelf rond de tafel moet brengen. Wij hebben in de tijd hopen docentenvergaderingen gehad om voorstellen te formuleren, maar daar is niets mee gebeurd. Dat is dus vechten tegen de bierkaai. Ik moet acteurs smeken om een regie-oefening te doen. Ze krijgen per prestatie 450 fr.- hetzelfde als in 1962-63. Wat doe je eraan? Niets. Ik loop met mijn bakkes tegen de muur. Ik kan niet meer. Maar over twee jaar ga ik met rust.”

Na 25 jaar RITCS is er niets veranderd. Nog steeds wordt Vlaanderen geregisseerd door gepromoveerde acteurs, de enkele diplomaregisseurs waren er ook wel gekomen zonder RITCS, de nieuwe impulsen komen vooral van buitenstaanders. Ondertussen is er binnen de nieuwe regering een commissie samengesteld om het kunstonderwijs te hervormen. De werkgroep toneel bestaat er uit Fons Goris (Studio Herman Teirlinck), Maurice Denayer (RITCS) en Johan Huys (Kabinet Ministerie van Cultuur, Conservatorium Gent). Binnen de werkgroep bestaat een concensus om de regieopdracht in de Studio onder te brengen, men doktert nog aan technische kwesties in verband met graad, derde cyclus e.d. Hopelijk gaat men daarbij niet voorbij aan de eerste vraag: de vraag naar de leerinhoud, een concept en een oriëntering van de regie-opleiding. Want positief aan 25 jaar RITCS is dat het getoond heeft dat men daarzonder niet kan.

 

(1) J.M. Piemme, Le Souffleur Inquiet, Alternatives Théâtrales nr. 20 – 21.
(2) Informatie uit Mieke De Jaegher, De geschiedenis van het toneelonderwijs in Vlaanderen sinds 1860, ongepubliceerde thesis, Gent 1983 – 84.
(3) Arne Sierens: “Ieder acteur denkt op een bepaald moment te moeten regisseren. Alsof dat de vergrotende trap van theater is: acteur, acteurder, regisseur, regiseurder, directeur. Waarschijnlijk heeft dat te maken met een frustratie van de auteur, dat men zich binnen dit bestel niet kan ontplooien. Er wordt hier zoveel talent verspild.”
(4) Carlos Tindemans, Regisseursopleiding. Mogelijkheden in Zuid-Nederland. In Dramatisch Akkoord 77-78, pp. 36-57.
(5) Alex Van Royen, Herstructurering 1976, Programma Toneelafdeling: Analyse.
(6) Carlos Tindemans, op.cit., p. 37.
(7) Alex Van Royen, Herstructurering 1976, herziene versie 1984, p. 10.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

institutionele kritiek
Leestijd 10 — 13 minuten

#14

15.07.1986

14.10.1986

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!