‘Atelier d’Ora (Dora Kallmus, Arthur Benda), Tänzerin’, 1922, gelatine, zilverprint, uit het archief Setzer-Tschiedel, Wenen, 22,5 x 15,4 cm Dit beeld werd gemaakt kort na WO I, een tijd waarin de positie van een vrouw grondig werd geherdefinieerd. Fotografie werd gebruikt als middel om te experimenteren met rolpatronen.

Loan Ha

Leestijd 7 — 10 minuten

De performer als spion

Als het over kunst gaat, komt de performer vaak als laatste aan het woord. Meer dan een glimp van zijn denkproces krijgen we in de uiteindelijke voorstelling niet te zien. Maar wat gebeurt er in al die voorliggende  maanden: wanneer wordt iemand een performer? Hoe ontwikkelt hij/zij materiaal? Hoe staat hij of zij tegenover het publiek? Chrysa Parkinson en Loan Ha zoeken woorden voor een uiterst persoonlijk proces. Met vragen, metaforen en weerhaakjes.

Je ondergaat een zware training en evaluatie om klaar te zijn voor het werk. Je leert voortdurend te werken omtrent zelfobservatie en observatie van anderen. Om te leren omgaan met onzekerheid. Om duidelijk te zien welke informatie bruikbaar is voor de situatie en welke niet. Zodat je uiteindelijk je performstructuur kunt manipuleren om je opdracht tot een goed einde te brengen.

Je bent een veld dat in een veld ligt.

Je wilt gezien worden, maar dan wel om specifieke redenen en op specifieke manieren. Je moet je flexibele oog trainen: je vermogen om snel heen-en-weer te gaan tussen zelfobservatie en de observatie van anderen. We zien dingen, we vinden ze leuk, we imiteren ze, of we werken met mensen. Bewust en onbewust beïnvloeden ze je smaak. Je wordt verondersteld flexibiliteit en specificiteit te ontwikkelen. Jouw doel is het ontwikkelen van een vermogen om in verschillende werksituaties te stappen en je aan te passen, maar tegelijkertijd wil je je eigen stem bewaren in wat je doet. En jezelf op deze manier ‘onvervangbaar’ maken.

Worden en altijd in wording. Niet wat je bent, maar wat je bent geweest en wat je mogelijkerwijs kunt worden.

Je hebt er geen vat op of de buitenwereld je creatie zal geloven of niet, maar je probeert wel. Je wil hen intrigeren, hen laten nadenken over wat je zou kunnen zijn. Ze erop doen vertrouwen dat je een geldige reden hebt om daar te staan. Ze in je vermomming doen geloven door de eerlijkheid van je inspanning. Op de juiste manier gezien worden. Wat soms betekent dat je helemaal niet gezien wordt. Het is een mengeling van grondige voorbereiding en geluk (of moeten we dat talent noemen?). Er is altijd een risico verbonden aan het voortdurend evoluerende proces van worden (becoming) en de ‘in-wording zijnden’ (becomings). In staat zijn om van gedaante te veranderen, maar toch eerlijk genoeg lijken om geloofwaardig te zijn. Je verantwoordelijkheid ligt erin te weten wat je denkt dat je doet. De specificiteit van het werkproces zal specificiteit in de creatie scheppen.

Je bevindt je constant in een veld van veranderingen. Dingen die je ervaart, blijven je bij, of je daar nu voor kiest of niet. Je observatie van het samenkomen van de manier waarop mensen jou waarnemen en de manier waarop jij je eigen condition humaine als performer waarneemt, daar haal je de informatie die je meeneemt in je verschillende projecten.

Het publiek zal nooit al je werk zien. Je blijft alleen in deze ervaring. In het geheel van het werkproces en de performance. Van al je potentiële ideeën en potentiële perform-toestanden. Van de specifieke keuzes die je gemaakt hebt, en alle ongebruikte alternatieven zal het grootste deel binnen in jezelf blijven zitten. Het is een eenzaam lot, nooit buiten de ervaring van je eigen lichaam te kunnen bestaan, en de enige te zijn die die specifieke ervaring kan meemaken. Jij bent jezelf aan het trainen in een ondergrondse kunstvorm binnen de kunst van de performance.

Wat zien we uiteindelijk? Zoeken we naar de idee van de choreograaf, de boodschap van het stuk? De ‘subjectiviteit’ van de performer wordt een structuur in het stuk. Je wordt gecreëerd om een specifieke reden: de voorstelling. Je beschouwt jezelf als een bepaald wezen, met bepaalde eigenschappen en vermogens, terwijl de anderen je bekijken als een ander –het samenkomen van deze twee is de uitdaging van het werk– en je ontwikkelt je vermogens. Dat is het moment waarop je wordt.

Je bent nooit alleen ‘jezelf’ op een podium.

Betekent dit dan dat het echte zelf nooit op podium gezien kan worden?

De ‘authentieke’ zelfexpressie van de individuele performer is niet belangrijk. Daar zul je altijd gedeeltelijk blind voor blijven. Het is er of het is er niet. Het is een onvermijdelijk bijproduct van je lichaam. Hetzelfde geldt voor eender welke potentiële stijlen waaraan je lichaam vasthoudt. Het is geen doel op zich om ertoe te behoren of er vrij van te zijn. Je zult altijd al dan niet waargenomen patronen en stijlen in je lichaam hebben. Dit is doorgaans niet het einddoel van een performance. Je kan onmogelijk ‘jezelf’ zijn op het podium. Zodra je jezelf observeert als geobserveerd, is het onmogelijk om ‘authentiek’ te blijven. Je kan alleen authentiek zijn als je je daar niet van bewust bent. Als je het risico neemt ontdekt te worden door de kijker.

Maar je weet toch dat er geen basis kan zijn? Zei hij.

Er zijn geen standaarden. Je bent een veld van constant verschuivende structuren.

Wees niet bang om in ideologieën en werkstijlen te geloven en te duiken, zei ze.

Misschien wil je wel dat er een kennishiërarchie is.

Wees niet bang om in iets te geloven, zei ze, maar dan wel zó dat je je geloofspunten voortdurend laat verschuiven, telkens weer opnieuw. Doorgaans kunnen doelen en waarheden maar even in hun oorspronkelijke vorm blijven bestaan.

Hoe train je dat?

Je moet je uithoudingsvermogen laten werken, zei hij.

Wees superprecies, technisch zo je wilt, in wat je doet, zonder je te laten beperken door een stijl. Doe zoveel stijlen als je kunt, zei ze.

Wees een veld van identiteiten die performen, en niet één enkele persona.

Gebruik niet alleen je lichaam (mentaal en fysiek) in datgene waarin je goed bent – en laat ook niemand anders het doen. Je kiest waartoe en waarvoor je je lichaam ten dienste stelt, zei hij.

Technische informatie zou altijd functioneel moeten zijn, zodat je kunt leren hoe het werkt, hoe je het vooruit kunt helpen en indien nodig sterker maken. Leer het te doen zoals jij het doet. Je moet weten hoe je specifiek kunt zijn in je werk, zeiden ze.

Probeer verder te geraken dan enkel goed te willen zijn. Probeer beter te worden in de touwtjes niet in handen te hebben.

Overstijg de verwachtingen van het cliché. Blijf de ervaringen van je flexibele oog uitbreiden. Zelfs als je dat niet kunt.

Perform veel. Werk met zeer veel verschillende mensen, en voel het verschil in de manier waarop de eenheid van een stuk gecreëerd wordt tussen de dansers en de choreograaf, zei hij.

Je moet uitkijken naar details en metaforen.

Wat wilde ik weten?

Ik wilde praten over performen en wat het is om een danser te zijn. Ik wilde te weten komen wat ik eigenlijk wilde onderzoe-

ken, in een andere format dan dans. En misschien heb ik wel een omweg gemaakt.

Waarom wilde ik geen solo maken?

Dan zou ik proberen mezelf als voorbeeld te gebruiken. Daar was ik bang voor. Mijn schrijven en mijn realiteit als danser zijn nog steeds twee verschillende dingen.

Mijn zelfbeeld als performer verschuift voortdurend. Een verschuivend lichaam van specificiteit. Een lichaam is details. En vanuit de binnenkant van mijn lichaam zie ik het als een lichaam van gedetailleerde gewaarwordingen. Als performer ben ik in een structuur gecreëerd, vanuit bewuste en onbewuste keuzes, gemaakt sinds de dag dat ik ervoer dat mensen me zagen dansen. Dus is mijn gewaarwording van mezelf als ik perform een mengeling van het onvermijdelijke zelfgevoel en de fantasieën en projecties die ik probeer te beheersen, en degene die het publiek meebrengt in zijn kijken.

Waarom heb ik besloten een scriptie te schrijven?

Ik wilde dit onderzoek niet als een stuk voorstellen. Ik wilde concreet en letterlijk zijn in mijn bevraging. Ik wilde dat mijn gedachten concreter werden in woorden. Ik wilde uitzoeken hoe ik kon spreken over de kunst van het performen. Zodat ik kon zien wat er buiten de taal staat wanneer ik probeer te spreken over performen. Als er al een buiten is.

Waarom nu, nu ik nog maar een student ben? Voor ik zelfs nog maar aan een potentiële danscarrière begonnen ben? Het is een beginpunt. Zodat ik misschien weldra aan de slag kan. Ik zei het al: het kan een omweg zijn. Maar ik denk het niet.

Zal ik een betere danser worden nadat ik dit geschreven heb?

Tot dusver heeft het nog geen direct effect gehad.

Zie ik mezelf als een product?

Niet mezelf, wel mijn vermogens om te performen. Ik wil dat mensen betalen om ze te gebruiken bij de creatie van een stuk, maar op een manier die mij interesseert. Dat zou de ideale situatie zijn.

Als danser moet je nog altijd voorstellen en samenstellen, maar je rol is toch anders dan die van degene die het proces regisseert om een stuk te maken. Waar trek je de grens tussen de performer en de choreograaf in een creatieproces?

Wanneer steek je de grens van de auteur over? Wanneer gaat een stuk één persoon toebehoren? (Alsjeblieft, help me hierbij. Ik vind het moeilijk de juiste woorden te vinden.)

Het is wederzijdse manipulatie, zei hij.

Performen heeft zoiets opwindends. Een creatief proces opstarten, beginideeën krijgen, ze uitvoeren en experimenteren en speculeren over wat de ervaring van het publiek zal zijn. Falen in je controle. Het risico nemen om te slagen. Waar past dit lichaam in deze situatie? Wat moet het worden? Iets tonen en misschien mislukken, en dan blijven zoeken. Voor een publiek optreden/performen is de ultieme trip: je kunt niet terug, je kunt alleen maar volhouden. De zalige stress van proberen te blijven in wat je doet, en proberen het publiek met je mee te voeren. Of het nu werkt of niet. Je zo belangrijk voelen, en ook helemaal niet. Het is de paradox van het risico. Je loopt de kans gezien te worden, in een context waarin dat tegelijkertijd onwaarschijnlijk is. Ik ben niet alleen mezelf. Ik probeer mezelf trouw te blijven in een creatie waarin mijn privépersoon van geen bijzondere tel is. Ik heb specifieke verantwoordelijkheden, maar ook de vrijheid om te kiezen hoe ik zal denken in mijn handelen. Tot de voorstelling afgelopen is. Dan ben ik weer mezelf. Om herkend of genegeerd te worden. Nu kunnen mensen kiezen of ze dit lichaam zien of niet. Ik ben iemand, of ik ben gewoon lawaai. Als persoon. Hetzelfde gebeurt in het performen, maar dan ben ik niet alleen mezelf.

Wat denk ik over mijn opleiding? Voor mij gaat het om gewaarwordingen en bespiegelend denken over gewaarwordingen. Zonder dat gewaarwording hier emotie betekent. Kunnen herkennen om te herhalen, of om te kiezen dat niet te doen. Een repertoire van verschillende manieren om het lichaam te voelen. Patronen herkennen en proberen uit te breiden. Herhalen om de mogelijkheden te herkennen in de veranderlijkheid van de situatie. Om dan andere mogelijke reactiepatronen te programmeren. En steeds weer de vraag te stellen hoe de structuur van een bewegend lichaam kan worden geconstrueerd en gereconstrueerd.

Voor mij gaat het er om een vindingrijk lichaam te onderzoeken en te ontwikkelen. Een verbeeldingrijk en denkend lichaam.

Een performer-artiest die nergens aansluiting bij vindt of geen ontmoeting toelaat (of dat nu in een werkproces is, of bij het lesgeven of -krijgen, in taal of in beweging) zou enkel kunnen ronddrijven. Zonder herkend te worden. Zonder iets te worden. Uiteindelijk.

Met bijzondere dank aan Chrysa Parkinson, Andros Zinsbrowne, Elizabeth Corbett, Jan Ritsema, Bojana Cvejić, Salva Sanchis, David Hernandez, Anne Teresa De Keersmaeker, Alain Platel, David Bergé, Steven Debelder en Rudi Laermans.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#98

15.10.2005

14.01.2006

Loan Ha

artikel