Heiner Müller

Leestijd 30 — 33 minuten

DE OPDRACHT

Heiner Müller

Op 13 november 1982 speelde ARCA-NET in Gent de première van De Opdracht van Heiner Müller in een vertaling van Eric De Smedt en een regie van Herman Gilis en Pol Dehert. Het copyright van deze vertaling berust bij Almo, Frankrijklei 128, Antwerpen.

Galloudec aan Antoine, Ik schrijf deze brief op mijn sterfbed. Ik schrijf uit eigen naam en uit naam van burger Sasportas, die gehangen werd in Port Royal. Ik deel u mee dat we de opdracht, die de Conventie ons door uw bemiddeling had toegewezen, terug moeten geven, daar we haar niet hebben kunnen uitvoeren. Misschien bereiken anderen meer. Van Debuisson zult u niets meer horen, hij maakt het goed. Het is waar dat de verraders een goed leven hebben als de volkeren door het bloed waden. Zo zit de wereld in elkaar en het is niet goed zo. Verontschuldigt u mijn geschrift, ze hebben me een been afgezet en ik schrijf met koorts. Ik hoop dat deze brief u in goede gezondheid bereikt en verblijf met republikeinse groet.

Matroos Bent u de burger Antoine. Dan is dit hier een brief voor u. Van een zekere Galloudec. Het is mijn schuld niet als de brief al oud is en misschien is de kwestie al opgelost. De Spanjaarden hebben ons vastgehouden op Cuba dan de Engelsen in Trinidad, tot jullie consul Bonaparte vrede heeft gesloten met Engeland. Dan hebben ze me leeggeplunderd in Londen – op straat –, omdat ik bedronken was, maar de brief niet gevonden. A propos Galloudec: die zal niet ouder meer worden. Hij is gecrepeerd in een hospitaal op Cuba, half gevangenis, half hospitaal. Hij lag daar met koudvuur, ik met koorts. NEEM DEZE BRIEF HIJ MOET AANKOMEN AL IS DAT HET LAATSTE WAT JE DOET DIT MOET JE VOOR ME DOEN was het laatste wat hij tegen mij heeft gezegd. En het adres van een kantoor en uw naam, als u die Antoine bent. Maar op die plaats is er geen kantoor meer en over u, Antoine, als dat uw naam is, weten ze daar waar het kantoor was ook niets. Een man die daar achter stellingen in een kelder woont heeft me naar een school gestuurd, waar een Antoine als leraar zou gewerkt hebben. Maar daar wisten ze ook niets over hem. Dan heeft een werkvrouw mij gezegd dat haar neef u hier gezien heeft. Hij is voerman. En hij heeft me beschreven hoe u eruit ziet, als u hem bent.

Antoine Ik ken geen Galloudec.

Matroos Ik weet niet wat er voor hem zo belangrijk was aan die brief. Iets met een opdracht. Die hij moet teruggeven zodat anderen zijn arbeid kunnen voortzetten. Wat voor werk dat ook geweest is. Op het laatst sprak hij over niets anders meer. Behalve als hij brulde van de pijn. Die kwam op in golven. En het heeft lang genoeg geduurd, voor hij klaar was met sterven. De dokter zei: zijn hart is te sterk, hij moest al tien keer dood zijn. Soms houdt een mens te weinig uit, soms te veel. Het leven is een smerige zaak. De andere, over wie hij in zijn brief schrijft, een zwarte, heeft een snellere dood gehad. Hij heeft me de brief voorgelezen. Galloudec, opdat ik hem van buiten zou kennen, mocht hij verloren gaan. En als u hem nog altijd niet kent, zal ik u vertellen wat ze met hem gedaan hebben en hoe hij gestorven is, u was er niet bij. Eerst hebben ze hem een been afgesneden tot aan zijn knie, dan de rest. Het was het linker. Dan

Antoine Ik weet niets af van een opdracht. Ik geef geen opdrachten, ik ben geen heer. Ik verdien mijn geld met privélessen. Het is niet veel. En slachterijen heb ik genoeg gezien. Ik ken mijn weg in de anatomie van de mens. Galloudec.

Vrouw met wijn brood kaas.

Vrouw Je hebt bezoek. Ik heb een ereteken verkocht. Dat voor de Vendée, waar jullie de boeren hebben doodgeslagen terwille van de republiek.

Antoine Ja.

Matroos Voor zover ik zie, hebt u alles nog. Een verschil met die Galloudec, die u niet kent, en die zo dood is als een steen. De andere heette Sasportas. Hem hebben ze opgehangen in Port Royal, als u het weten wil, omwille van die opdracht waarvan u niets afweet, op Jamaica. De galg staat op een klip. Als ze dood zijn, worden ze eraf gesneden en vallen in zee. De haaien doen de rest. Dank u voor de wijn.

Antoine Sasportas. Ik ben de Antoine naar wie je gezocht hebt. Ik moet voorzichtig zijn, Frankrijk is geen republiek meer, onze consul is keizer geworden en verovert Rusland. Met een volle mond is het gemakkelijker praten over een verloren revolutie. Bloed geronnen tot blikken eretekens. De boeren wisten het ook niet beter, hé. En misschien hadden ze gelijk, hé. De handel floreert. Die op Haïti krijgen nu van ons hun aarde te vreten. Dat was de zwarte republiek. De vrijheid voert het volk op de barrikaden, en als de doden wakker worden, draagt ze een uniform. Ik zal jou een geheim verklappen: zij is ook maar een hoer. En ik kan er al om lachen. Hahaha. Maar hier is iets leeg dat heeft geleefd. Ik was erbij toen het volk de Bastille bestormde. Ik was erbij toen de kop van de laatste Bourbon in de mand viel. Wij hebben de koppen van de aristocraten geoogst. Wij hebben de koppen van de verraders geoogst.

Vrouw Mooie oogst. Ben je weer dronken. Antoine.

Antoine Het past haar niet, als ik over mijn grote tijd praat. Voor mij heeft de Gironde gebeefd. Bekijk haar, ma douce France. Haar borsten uitgedroogd. Tussen haar dijen een woestijn. Een dood schip in de branding van de nieuwe eeuw. Zie je hoe ze schrokt. Frankrijk heeft een bloedbad nodig en de dag zal komen.

Antoine giet rode wijn over zijn hoofd.

Matroos Daar begrijp ik niets van. Ik ben matroos, ik geloof niet in politiek. De wereld is overal anders. Hier is de brief.

Gaat weg.

Antoine Roept Matroos, wees voorzichtig als je mijn huis uitgaat. De politie van onze minister Fouché vraagt niet of je in politiek gelooft. – Galloudec, Sasportas. Waar is je been, Galloudec. Waarom hangt je tong uit je bek, Sasportas. Wat willen jullie van mij. Is je beenstomp mijn schuld. Is die strop mijn schuld. Zal ik mij een been afsnijden. Wil je dat ik erbij kom hangen. Galloudec, vraag je keizer waar je been is. Sasportas, laat de keizer je tong zien. Hij zegeviert in Rusland, ik kan jullie de weg tonen. Wat willen jullie van mij. Ga. Ga weg. Verdwijn. Vrouw, zeg jij het hun. Zeg hun dat ze moeten weggaan, ik wil hen niet meer zien. Zijn jullie er nog. Je brief is aangekomen, Galloudec. Hier is hij. Jullie zijn er in elk geval van af. LEVE DE REPUBLIEK. Lacht. Jullie denken dat ik het goed heb, hé. Hebben jullie honger. Hier.
Gooit eten op de doden.

Vrouw Kom in bed, Antoine.

Antoine DAS IST DIE HIMMELFAHRT
FUR WENIG GELD
IM GITTERWERK DER BROST
SOLANG ES HALT
DAS HERZ DER HUND

Tijdens de coïtus treedt de engel van de wanhoop op.

Antoine Stem Wie ben jij.

Vrouw Stem

Ik ben de engel van de wanhoop. Met mijn handen deel ik de roes uit, de verdoving, het vergeten, het genot en de kwelling van de lijven. Mijn spreken is het zwijgen, mijn gezang de schreeuw. In de schaduw van mijn vleugels woont de verschrikking. Mijn hoop is de laatste adem. Mijn hoop is de eerste slachting. Ik ben het mes waarmee de dode zijn kist openbreekt. Ik ben die zijn zal. Mijn vlucht is de opstand, mijn hemel de afgrond van morgen.

Wij waren aangekomen op Jamaica, drie afgezanten van de Franse Conventie, onze namen Debuisson Galloudec Sasportas, onze opdracht een slavenopstand tegen de heerschappij van de Britse kroon in naam van de Franse republiek. Die het moederland van de revolutie is, de schrik van elke troon, de hoop van alle armen. Waarin alle mensen gelijk zijn onder het bijl der gerechtigheid. Die geen brood heeft tegen de honger van haar voorsteden, maar handen genoeg om de fakkel van vrijheid gelijkheid broederlijkheid uit te dragen over de hele wereld. We stonden op het plein aan de haven. Midden op het plein was een kooi neergezet. We hoorden de wind vanuit de zee, het harde ruisen van de palmbladeren, het vegen van de palmbezems waarmee de negerinnen het stof van het plein keerden, het kreunen van de slaaf in de kooi, de branding. We zagen de borsten van de negerinnen, de bloedende striemen op het lijf van de slaaf in de kooi, het paleis van de gouverneur. We zeiden: dit is Jamaica, schande van de Antillen, slavenschip in de Caraïbische zee.

Sasportas Tot ons werk gedaan is.

Galloudec Je kunt meteen beginnen. Je bent toch naar hier gekomen om de slaven te bevrijden. Dat daar in de kooi is een slaaf. Als hij vandaag niet wordt bevrijd, zal hij er morgen een geweest zijn.

Debuisson Wanneer ze geprobeerd hebben weg te lopen of voor een ander misdrijf worden ze in de kooien tentoongesteld, om de anderen af te schrikken, tot de zon ze verdort. Dat was al zo toen ik wegging uit Jamaica, tien jaar geleden. Kijk er niet naar, Sasportas, één man kunnen we niet helpen.

Galloudec Het is altijd maar één man die sterft. Geteld worden de doden.

Debuisson De dood is het masker van de revolutie.

Sasportas Als ik hier wegga, zullen er anderen in de kooien hangen, met een witte huid, tot de zon ze zwart blakert. Dan zullen er velen geholpen zijn.

Galloudec Misschien kunnen we beter een guillotine opstellen. Dat is properder. Geen betere schoonmaakster dan de Rode Weduwe.

Debuisson Het lief van de voorsteden.

Sasportas Ik blijf erbij dat een kooi een goede zaak is voor een withuid, als de zon hoog genoeg staat.

Galloudec We zijn hier niet om mekaar onze huidskleur voor te houden, burger Sasportas.

Sasportas We zijn niet gelijk, zolang we mekaar de huid niet hebben afgestroopt.

Debuisson Dat was een slecht begin. Laten we onze maskers opzetten. Ik ben wie ik was: Debuisson, zoon van slavenhouders op Jamaïca, met erfrecht op een plantage met vierhonderd slaven. Teruggekeerd in de schoot van de familie om zijn nalatenschap te aanvaarden. Weg vanonder de bewolkte hemel in Europa, troebel door de brandwalm en de bloeddamp van de nieuwe filosofie, terug naar de zuivere lucht van de Caraïben. De verschrikkingen van de revolutie hebben hem de ogen geopend voor de eeuwige waarheid dat al het oude beter is dan al het nieuwe. Trouwens, ik ben dokter, een helper van de mensheid zonder aanzien des persoons, of het een meester is of een slaaf, Ik genees de een voor de ander, opdat alles blijft zoais het is, zolang het duurt, mijn gezicht het roze gezicht van de slavenhouder, die op deze wereld niets anders hoeft te vrezen dan de dood. Sasportas En zijn slaven.

Debuisson Wie ben jij, Galloudec.

Galloudec Een Bretoense boer, die de revolutie heeft leren haten in de bloedregen van de guillotine, ik wou dat er meer regen gevallen was, en niet alleen over Frankrijk, trouwe dienaar van de geachte heer Debuisson, en ik geloof in de heilige orde van de monarchie en van de kerk, Ik hoop dat ik dat niet te dikwijls zal moeten bidden.

Debuisson Je bent twee keer uit je rol gevallen, Galloudec, Wie ben je.

Galloudec Een Bretoense boer, die de revolutie heeft leren haten in de bloedregen van de guillotine. De trouwe dienaar van de geachte heer Debuisson. Ik geloof in de heilige orde van de monarchie en van de kerk.

Sasportas Parodieert Ik geloof in de heilige orde van de monarchie en van de kerk. Ik geloof in de heilige orde van de monarchie en van de kerk.

Debuisson Sasportas, Jouw masker.

Galloudec Voor jou zou het niet lastig moeten zijn de slaaf te spelen, Sasportas, in je zwarte huid.

Sasportas Op de vlucht voor de zegevierende zwarte revolutie op Haïti heb ik me aangesloten bij de heer en meester Debuisson, omdat God me voor de slavernij heeft geschapen. Ik ben zijn slaaf. Is dat voldoende.

Galloudec applaudisseert.

Sasportas De volgende keer zal ik je met het mes antwoorden, burger Galloudec.

Galloudec Ik weet dat jij de moeilijkste rol hebt, Sasportas, Hij is je op het lijf geschreven.

Sasportas Met de zwepen die op andere lijven een nieuw alfabet zullen schrijven, als wij ze in handen hebben?

Debuisson Zegevierende revolutie is niet goed. Zoiets zeg je niet in het bijzijn van meesters. Zwarte revolutie is ook niet goed. Zwarten doen aan oproer, hooguit, niet aan revolutie.

Sasportas Heeft de revolutie niet gezegevierd op Haïti. De zwarte revolutie.

Debuisson Het schuim heeft gezegevierd. Op Haïti is het schuim aan de macht.

Sasportas spuwt.

Debuisson Je spuwt in de verkeerde richting: ik ben je meester, Zeg het nu

Sasportas Op de vlucht voor het schuim. Dat van Haïti een riool heeft gemaakt.

Galloudec Riool is goed. Je leert vlug bij, Sasportas.

Debuisson Neem je handen van je gezicht en kijk naar het vlees dat in deze kooi aan het sterven is. Jij ook, Galloudec. Het is jouw en jouw en mijn vlees. Het gekreun ervan is de Marseillaise van de lijven waar de nieuwe wereld op wordt gebouwd. Leer die melodie. We zullen ze nog lang horen, of we willen of niet, het is de melodie van de revolutie, van onze arbeid. Velen zullen sterven in deze kooi, voor ons werk gedaan is. Velen zullen sterven in deze kooi, omdat we ons werk doen. Dat is wat we voor ons gelijken met ons werk bereiken, en misschien alleen maar dat. Als onze maskers te vroeg scheuren, is onze plaats de kooi. De revolutie is het masker van de dood. De dood is het masker van de revolutie.

Een reusachtige zwarte komt op.

Debuisson Dat is de oudste slaaf van mijn familie. Hij is doof en stom, iets tussen mens en hond. Hij zal in de kooi spuwen. Misschien kun je dat ook beter doen, Sasportas, om je zwarte huid te leren haten voor de tijd dat we het kunnen gebruiken. Dan zal hij mijn schoenen kussen, kijk, hij likkebaardt al, en hij zal mij, zijn oude en nieuwe meester, knorrend van plezier op zijn rug binnendragen in het huis van mijn vaderen. De familie opent haar schoot, morgen begint onze arbeid.

De reusachtige zwarte spuwt in de kooi, kijkt naar Sasportas, maakt een buiging voor Galloudec, kust de schoenen van Debuisson en draagt hem op zijn rug weg. Galloudec en Sasportas volgen achter elkaar.

DE REVOLUTIE IS HET MASKER VAN DE DOOD DE DOOD IS HET MASKER VAN DE REVOLUTIE DE REVOLUTIE IS HET MASKER VAN DE DOOD DE DOOD IS HET MASKER VAN DE REVOLUTIE DE REVOLUTIE IS HET MASKER VAN DE DOOD DE DOOD IS HET MASKER VAN DE REVOLUTIE DE REVOLUTIE IS HET MASKER VAN DE DOOD DE DOOD IS HET MASKER VAN DE REVOLUTIE DE REVOLUTIE IS HET MASKER VAN DE DOOD DE DOOD IS HET MASKER VAN DE REVOLUTIE DE REVOLUTIE IS HET MASKER VAN DE DOOD DE DOOD IS HET MASKER

Terugkeer van de Verloren Zoon. Vader en moeder in een open kast. Op een troon Eersteliefde. Debuisson Galloudec Sasportas door slaven ontkleed en gekostumeerd; Debuisson als slavenhouder, Galloudec als opzichter met zweep, Sasportas als slaaf.

Eersteliefde Kleine Victor heeft revolutie gespeeld. Nu keert hij terug in de schoot van de familie. Terug bij papa met z’n hersenpan vol wormen. Terug bij mama met haar reuk van verrotte bloemen. Heb je je pijn gedaan, kleine Victor. Kom nader en toon je wonden. Ken je me niet meer. Je hoeft niet bang te zijn, kleine Victor. Niet voor mij. Niet voor je eerste liefde. Die je bedrogen hebt met de revolutie, jouw door bloed besmeurde tweede. Met wie je tien jaar lang in de goot hebt gerold, het gepeupel als concurrent. Of in de lijkenhuizen, waar ze haar buit telt. Ik ruik haar parfum van stalmest Traantjes, kleine Victor. Hield je zo veel van haar. Och Debuisson. Ik heb het je gezegd, ze is een hoer. De slang met de bloedslurpende schaamspleet. De slavernij is een natuurwet, zo oud als de mensheid. Waarom zou ze voor haar ophouden. Kijk naar mijn slaven, en naar de jouwe, onze eigendom. Hun hele leven zijn ze beesten geweest. Zouden het opeens mensen zijn, toch niet omdat het in Frankrijk op een papier staat. Nauwelijks leesbaar door al het bloed, veel meer dan er hier voor de slavernij gevloeid is, op dit mooie Jamaïca van jou en van mij. Ik zal je een verhaal vertellen: Op Barbados hebben ze een planter doodgeslagen twee maanden nadat de slavernij was afgeschaft. Ze zijn naar hem gekomen, zijn bevrijde mensen. Ze gingen op hun knieën als in de kerk. En weet je wat ze wilden, Terug in de geborgenheid van de slavernij. Zo is de mens: zijn eerste thuis is de moeder, een gevangenis. Slaven heffen de moeder in de kast haar rok boven haar hoofd. Hier staat het open, het stulpje, hier gaapt hij, de schoot van de familie. Je hoeft maar te zeggen dat je terugwil en ze stopt je erin, het idiote wijf, de eeuwige moeder. De arme man op Barbados heeft het niet zo goed getroffen. Met knuppels hebben ze hem doodgeklopt, zijn niet meer slaven, als een dolle hond, omdat hij hen niet terug wou nemen, uit de kouwe lente van hun vrijheid terug onder de geliefde zweep.

Bevalt het verhaal je, burger Debuisson. De vrijheid woont op de rug van de slaven, de gelijkheid onder het bijl. Wil je mijn slaaf zijn, kleine Victor. Hou je van me. Dit zijn de lippen die je hebben gekust. Slavin schildert haar een grote mond. Ze kennen je huid nog, Victor Debuisson. Dit zijn de borsten, kleine Victor, die je verwarmd hebben. Slavin schminkt haar tepels enz. Ze zijn je mond en je handen niet vergeten. Dit is de huid die je zweet heeft gedronken. Dit is de schoot die je zaad heeft ontvangen, dat mijn hart verbrandt. Slavin schildert haar een blauw hart. Zie je de blauwe vlam. Weet je hoe ze op Cuba de weggelopen slaven vangen. Ze maken er jacht op met bloedhonden. En zo, burger Debuisson, zal ik terugnemen wat je hoer, de revolutie, me heeft afgepakt, mijn bezit. Slaven als honden maken jacht op Debuisson, met de zweep aangevoerd door Galloudec, met HASSA-geroep door het vader spook. Met de tanden van mijn honden zal ik uit je bevlekte vlees bijten het spoor van mijn tranen, mijn zweet, mijn kreten van genot. Met de messen van hun klauwen uit je vel mijn bruidskleed snijden. Je adem, die naar de dode lichamen van de koninginnen smaakt, zal ik omzetten in de taal van de kwelling, die de slaven spreken. Ik zal je geslacht opeten en een tijger baren die de tijd verslindt, waarmee de horloges mijn lege hart kwellen. Slavin zet haar een tijgermasker op. GISTEREN BEN IK JE BEGINNEN/DODEN MIJN HART/NU HOU IK/VAN JE LIJK/ALS IK DOOD BEN/ZAL MIJN STOF OM JE ROEPEN. Ik zal je deze teef cadeau geven, kleine Victor, dan kun je haar vullen met je verdorven zaad. En vooraf zal ik haar laten afranselen, zodat jullie bloed zich kan vermengen. Hou je van me, Debuisson. Je moet een vrouw niet alleen laten.

Slaven nemen Galloudec de zweep af, doen de kast dicht, schminken Eersteliefde af zetten Debuisson op de troon, Eersteliefde als voetbank, dossen Galloudec en Sasportas uit als Danton en Robespierre. Het Theater van de Revolutie is geopend. Terwijl de twee spelers en het publiek zich naar hun plaats begeven, is uit de kast de dialoog tussen de ouders te horen.

Vader Dat is de verrijzenis van het vlees. Want de worm knaagt eeuwig en het vuur dooft niet uit. Moeder Zit hij weer bij de hoeren. Krikkrak, zien jullie, nu is mijn hart gebroken. Vader Ik geef ze je cadeau, mijn zoon. Ik schenk je ze allebei, zwart en of blank. Moeder Neem dat mes uit mijn buik. Jullie geschilderde hoeren. Vader Op je knieën, schoft, en vraag mama dat ze je zegent. Moeder DAARGINDS OP DE BERGEN/DAAR WAAIT DE WIND/ DAAR SLACHT MARIA/HET HEMELSE KIND. Terug naar Groenland. Kom kinderen, daar geeft de zon elke dag warmte. Vader Sla dat idiote wijf haar smoel dicht.

Sasportas Robespierre Op je plaats, Danton, aan de schandpaal van de geschiedenis. Ziet de parasiet die het brood van de hongerigen opvreet. De woesteling die de dochters van het volk onteert. De verrader, die de neus ophaalt voor de reuk van het bloed, waarmee de revolutie het lichaam van de nieuwe samenleving wast. Danton, zal ik je eens zeggen waarom je geen bloed meer kunt zien. Revolutie, zei je. Naar de vleespotten grijpen, dat was jouw revolutie. Een gratis plaats in het bordeel. Daarvoor heb je je op de tribunes laten zien en succes geoogst bij het gepeupel. De leeuw, die de aristocraten hun laarzen likt. Smaakt het speeksel van de Bourbons. Is het lekker warm in het gat van de monarchie. Durf, zei je. Schud maar met je gepoederde manen. Langer dan tot je hoofd valt onder het bijl der gerechtigheid zal je niet spotten met de deugd. Je kunt niet zeggen dat ik je niet gewaarschuwd heb, Danton. Nu zal de guillotine met je spreken, de nobele uitvinding van de nieuwe tijd, die over je heen zal trekken zoals over alle verraders. Haar taal zul je wel verstaan, je kon ze goed spreken in september. Slaven slaan Galloudec zijn Danton-hoofd af, gooien het naar elkaar. Galloudec kan het te pakken krijgen, hij steekt het onder zijn arm. Waarom klem je je mooie hoofd niet tussen je benen, Danton, waar, bij de luizen van je uitspattingen en de zweren van je ondeugd, je verstand zit.
Sasportas duwt het hoofd van Danton onder Galloudecs arm weg. Galloudec kruipt achter het hoofd aan, zet het op.

GalloudecDanton Mijn beurt nu. Kijk naar die aap met zijn kapotte kaak. De bloedzuiger, die zijn kwijl niet kan inhouden. Heb je teveel in je muil gestopt. Onkreukbare met je deugdentrommel. Voila de dank van het vaderland: de vuist van een gendarm.
Slaven trekken het verband van Robespierre zijn hoofd, de onderkaak valt op de grond. Terwijl Sasportas naar onderkaak en verband aan het zoeken is.
Is er wat gevallen. Ben je iets kwijt. Eigendom is diefstal. Voel je de wind in je hals. Dat is de vrijheid. Sasportas heeft onderkaak en verband teruggevonden en maakt het hoofd van Robespierre weer compleet. Pas op, Robespierre, dat je je slimme kop niet helemaal kwijtraakt, door de liefde van het volk. Revolutie, zei je. Het bijl der gerechtigheid, hé. De guillotine is geen broodfabriek. Economie, Horatio, economie. Slaven slaan Sasportas het hoofd van Robespierre af en gebruiken het als voetbal. Dat is de gelijkheid. LEVE DE REPUBLIEK. Heb ik je het niet gezegd: jij bent de volgende. Begint mee voetbal te spelen met de slaven. Dat is de broederlijkheid. SasportasRobespierre huilt. Wat heb je tegen voetbal. Entre nous: zal ik je vertellen, waarom je zo nodig mijn mooie hoofd moest hebben. Laat je broek eens zakken – wedden dat er stof uitkomt. Dames en heren. Het theater van de revolutie is geopend. Attractie: de man zonder onderlijf. Maximiliaan de Grote. Brave Max. De azijnpisser. De aftrekker van Arras. De bloedige Robespierre.

SasportasRobespierre zet zijn hoofd weer op Mijn naam staat in het pantheon van de geschiedenis.

GalloudecDanton IN HET BOS DAAR STAAT EEN MANNETJE HEEL STIL EN STOM
HET HEEFT VAN ZUIVER PURPER EEN MANTELTJE OM

SasportasRobespierre Parasiet syfilislijder aristocratenknecht

GalloudecDanton Huichelaar eunuch lakei van Wallstreet

SasportasRobespierre Varken

GalloudecDanton Hyena

Vechten tot hun hoofden weer op grond liggen. Debuisson applaudiseert. Slaven sleuren hem van de troon, zetten Sasportas erop, Galloudec als voetbank. Kroning van Sasportas.

Sasportas Het theater van de blanke revolutie is ten einde. Victor Debuisson. We veroordelen je ter dood. Omdat je huid blank is. Omdat je gedachten onder je blanke huid blank zijn. Omdat je ogen de schoonheid van onze zusters hebben gezien. Omdat je handen de naaktheid van onze zusters hebben beroerd. Omdat je gedachten van hun borsten hebben gegeten van hun lijf van hun schaamstreek. Omdat je een bezitter bent, een meester. Daarom veroordelen we je ter dood. Victor Debuisson. De slangen zullen je stront opvreten, de krokodillen je reet, de piranha’s je kloten. Debuisson schreeuwt. De ellende met jullie is, jullie kunnen niet sterven. Daarom doden jullie alles wat jullie tegenkomen. Voor jullie dode systemen, waarin geen plaats is voor extase. Voor jullie revoluties zonder geslacht. Hou je van deze vrouw. We nemen ze je af, dan sterf je gemakkelijker. Wie niets bezit, sterft makkelijker. Wat is nog van jou. Vlug wat, onze school is de tijd, hij komt niet weer. En geen zier voor didactiek, wie niet leert, sterft ook. Je huid. Van wie heb je ze afgestroopt. Je vlees onze honger. Je bloed zuigt onze aders leeg. Je gedachten, hé. Wie zweet er voor jullie gefilosofeer. Zelfs je pis en je drek zijn uitbuiting en slavernij. Om niet te spreken van je zaad: gedistilleerd uit dode lichamen. Nu is er niets meer van jou. Nu ben je niets. Nu kun je sterven. Begraaf hem.

Ik sta tussen mannen, die me onbekend zijn, in een oude lift. De metalen staven rammelen terwijl hij de hoogte ingaat. Ik ben gekleed als een bediende of als een arbeider op zondag. Ik heb zelfs een das omgedaan, de boord schuurt mijn hals, ik zweet. Als ik het hoofd beweeg, snoert de boord mijn keel dicht. Ik heb een afspraak met de chef (in gedachten noem ik hem Nummer Eén), zijn bureau is op de vierde etage, of was het de twintigste; als ik er over nadenk, ben ik al niet meer zeker. Het bericht van mijn afspraak met de chef (die ik in gedachten Nummer Eén noem) heeft me in de kelderverdieping bereikt, een uitgestrekt areaal met lege betonnen kamers en instructieborden in geval van bombardement. Ik neem aan dat het over een opdracht gaat, die men mij wil geven. Ik controleer of mijn das goed zit en trek de knoop vast. Ik zou graag een spiegel hebben om ook met mijn ogen te kunnen controleren hoe mijn das zit. Onmogelijk, een vreemde te vragen, hoe je das zit. De dassen van de andere mannen in de lift zitten onberispelijk. Enkelen onder hen lijken elkaar te kennen. Ze praten stil over iets, waar ik niets van versta. Toch moet hun gesprek mij afgeleid hebben: bij de volgende halte lees ik op de etagewijzer boven de liftdeur ontsteld het cijfer acht.
Ik ben te ver gestegen, of ik heb nog meer dan de helft van het traject voor me.
Beslissend is de tijdsfactor. VIJF MINUTEN VOOR TIJD/IS PAS ECHTE STIPTHEID. Toen ik het laatst op mijn polshorloge heb gekeken, wees het tien aan. Ik herinner me mijn opluchting: nog vijftien minuten tot mijn afspraak met de chef. De volgende keer dat ik keek was het maar vijf minuten later. Als ik nu, tussen de achtste en negende etage, weer op mijn horloge kijk, geeft ze precies veertien minuten en vijfenveertig seconden na het tiende uur aan: met de echte stiptheid is het gedaan, de tijd werkt niet meer voor mij. Vlug overdenk ik mijn situatie: ik kan bij de eerstvolgende halte uitstappen en de trap aflopen, met drie treden tegelijk tot op de vierde etage. Als het de verkeerde etage is, betekent dat natuurlijk een misschien niet meer in te halen tijdverlies. Ik kan verder gaan tot de twintigste etage en als het bureau van de chef zich daar niet bevindt terug tot de vierde etage, op voorwaarde dat de lift niet uitvalt. Of anders de trap aflopen (drie treden tegelijk), waarbij ik mij mijn nek of mijn benen kan breken, juist omdat ik zo gehaast ben. Ik zie me al uitgestrekt op een draagberrie, die, op mijn verzoek, naar het bureau van de chef gebracht wordt en neergezet voor zijn schrijftafel, nog steeds paraat maar niets meer waard. Voorlopig spitst alles zich op die ene vraag toe, die ik door mijn eigen slordigheid niet op voorhand kan beantwoorden: op welke etage de chef (die ik in gedachten Nummer Eén noem) met een belangrijke opdracht op mij zit te wachten. (Het moet een belangrijke opdracht zijn, waarom laat hij ze anders niet door een ondergeschikte geven). Een snelle blik op mijn horloge maakt me onweerlegbaar duidelijk dat het ook voor gewone stiptheid al lang te laat is, hoewel de lift, dat zie ik met een tweede blik, de twaalfde etage nog niet heeft bereikt: de uurwijzer staat op tien, de minutenwijzer op vijftig, de seconden hebben al sedert lang geen belang meer. Er schijnt iets niet te kloppen met mijn uurwerk, maar ook voor een tijdvergelijk is het te laat Ik ben, zonder dat ik gemerkt heb, waar de andere heren uitgestapt zijn, alleen in de lift. Met een afgrijzen, dat tot in mijn haarwortels grijpt, zie ik de wijzers op mijn uurwerk, waar ik de blik nu niet meer kan van afhouden, met toenemende snelheid rond de wijzerplaat cirkelen, zo dat er bij iedere oogopslag steeds meer uren verlopen. Het wordt me duidelijk dat er al lang iets niet klopte: met mijn uurwerk, met deze lift, met de tijd. Ik begin in het wilde weg te speculeren: de zwaartekracht neemt af, een storing, een hapering in de aardrotatie, zoals een kramp in de kuit bij het voetballen. Ik betreur dat ik zo weinig afweet van natuurkunde om de schreeuwende tegenspraak tussen de snelheid van de lift en het tijdsverloop op mijn horloge in wetenschap te kunnen oplossen. Waarom heb ik op school niet opgelet. Of de verkeerde boeken gelezen: poëzie in plaats van natuurkunde. De tijd is uit zijn voegen, en ergens op de vierde of op de twintigste etage (dat ‘of snijdt als een mes door mijn slordige hersens) zit de chef (die ik in gedachten Nummer Eén noem) in een waarschijnlijk ruim vertrek met een zwaar tapijt achter zijn schrijftafel, die waarschijnlijk achteraan aan de smalle zijde van het vertrek recht tegenover de ingang staat, met mijn opdracht op mij te wachten, ik mislukkeling. Misschien valt de wereld uit elkaar en is mijn opdracht, die zo belangrijk was dat de baas me ze persoonlijk wou geven, al zinloos geworden door mijn slordigheid, VERJAARD/VERVALLEN/ONGEGROND in de taal van de administratie, die ik zo goed geleerd heb (overbodige wetenschap), AD ACTA, die niemand meer zal inzien, omdat mijn opdracht juist de laatste maatregel betrof tegen de ondergang waarvan ik nu het begin meemaak, opgesloten in deze op hol geslagen lift met mijn op hol geslagen polshorloge.
Wanhopige droom in de droom: ik kan, gewoon door mij op te rollen, mijn lichaam veranderen in een projectiel dat door een gat in het dak van de lift te slaan, de tijd inhaalt. Kil ontwaken in de trage lift, de blik op het razende horloge.
Ik stel me de wanhoop van Nummer Eén voor. Zijn zelfmoord. Zijn hoofd, waarvan het portret alle officiële kantoren siert, op de schrijftafel. Bloed uit een zwartgerand gat in de (waarschijnlijk rechtse) slaap. Ik heb geen schot gehoord, maar dat bewijst niets, de wanden van zijn bureau zijn natuurlijk geluidsdicht, bij het bouwen is er rekening gehouden met incidenten, en wat er in het bureau van de chef gebeurt, gaat de bevolking niets aan, de macht is eenzaam. Ik verlaat de lift bij de volgende halte en sta zonder opdracht, nog altijd met mijn overbodig geworden, belachelijke das onder mijn kin, op een dorpsstraat in Peru. Opgedroogd slijk met autosporen. Langs beide kanten van de straat grijpt een kale vlakte met wat schaarse grasnerf en grauw struikgewas vaag naar de horizon, waarboven in de nevel een berg drijft. Links van de straat een barak, ze ziet er verlaten uit, de vensters zwarte gaten met stukken glas.
Voor een paneel met reclame voor produkten van een vreemde beschaving staan twee reusachtige inwoners. Van hun rug gaat een dreiging uit. Ik overleg of ik niet teruggaan zal, ik ben nog niet gezien geworden. Ik had nooit gedacht tijdens mijn wanhopige tocht, dat ik nog eens heimwee zou kunnen krijgen naar die lift, die mijn gevangenis was. Hoe zal ik mijn aanwezigheid in dit niemandsland verklaren. Ik kan geen valscherm aantonen, geen vliegtuig, geen autowrak. Wie zal geloven dat ik met een lift in Peru beland ben, voor en achter mij een straat, omgeven door een vlakte die naar de horizon grijpt. Hoe zou ik me trouwens verstaanbaar kunnen maken, ik ken de taal van het land niet, ik zou evengoed doofstom kunnen zijn. Was ik maar doofstom; misschien bestaat er medelijden in Peru. Ik kan enkel nog wegvluchten naar het hopelijk mensledige, misschien van de ene dood de andere in, maar nog liever de honger dan het mes van de moordenaar. In elk geval heb ik de middelen niet om me vrij te kopen, met zo weinig contanten in de vreemde munt. Het lot gunt me niet eens in dienst te sterven, mijn zaak is een verloren zaak. Ik ben een bediende van een gestorven chef, mijn opdracht opgesloten in zijn hersens, waar niets meer uitkomt, tot de kluizen van de eeuwigheid geopend worden – die brandkasten waarvan de wijzen van de wereld zo graag de combinatie zouden kennen, aan deze zijde van de dood. Ik maak, hopelijk niet te laat, de knoop van mijn das los, die me zoveel zweet heeft gekost op weg naar mijn chef, en laat het opvallende kledingstuk in mijn colbert verdwijnen. Bijna had ik het weggeworpen, een spoor. In het omdraaien zie ik voor de eerste keer het dorp; leem en stro, door een deuropening een hengmat.
Koud zweet als ik bedenk dat ik van daaruit gezien zou kunnen zijn, maar er is geen teken van leven te bekennen, het enige bewegende een hond, die rondwoelt in een rokende hoop afval. Ik heb te lang geaarzeld: de mannen maken zich los van het reclamepaneel en komen dwars over de straat op mij af, voorlopig zonder mij aan te kijken. Ik zie hun gezichten boven mij, het ene vaag zwart met witte ogen, de blik is niet te definiëren: het zijn ogen zonder pupillen. Het hoofd van de andere is van grauw zilver. Een lange rustige blik uit ogen, waarvan ik de kleur niet kan bepalen, er glinstert iets roods in. (Zijn rechterhand, die ook van zilver lijkt, hangt log naar beneden. Er gaat een trilling door zijn vingers, de bloedbaan glanst in het metaal). Die van zilver gaat achter mij voorbij de zwarte achterna. Mijn angst vervliegt en maakt plaats voor ontgoocheling: ben ik niet eens een mes waard of een wurggreep van metalen handen. Lag er in die rustige blik, die vijf passen lang op mij gericht was, niet iets als verachting. Wat heb ik misdaan. De wereld is niet ondergegaan, in de veronderstelling dat dit hier geen andere wereld is. Hoe voer je een onbekende opdracht uit. Wat kan mijn opdracht zijn in deze onherbergzame streek, ver van alle beschaving. Hoe kan een bediende weten wat er omgaat in het hoofd van de chef. Geen wetenschap ter wereld zal mijn verloren opdracht uit de hersencellen van de overledene kunnen loswrikken. Samen met hem wordt ze begraven, de staatsbegrafenis, die nu misschien al aan de gang is, garandeert geen verrijzenis. Er komt iets als opgewektheid over me, ik hang mijn jas over mijn arm en knoop mijn hemd los: mijn gaan wordt wandelen. Voor mij loopt de hond over de straat met dwars in zijn muil een hand, de vingers zijn naar mij toegekeerd, ze zien er verbrand uit. Met een dreiging die niet voor mij bestemd is, kruisen jonge mannen mijn weg. Op de plaats waar de straat overgaat in de vlakte staat, in een houding alsof ze op mij heeft gewacht, een vrouw. Ik steek de armen naar haar uit, hoe lang al hebben ze geen vrouw meer beroerd, en hoor een mannenstem zeggen DEZE VROUW IS DE VROUW VAN EEN MAN. De toon is definitief en ik ga verder. Als ik omkijk, steekt de vrouw de armen naar me uit en ontbloot haar borsten. Op een spoordijk, overwoekerd met gras, knutselen twee jongens aan een kruising tussen een stoommachine en een locomotief die op een afgebroken spoor staat. Ik Europeeër, zie meteen dat hun moeite verloren is: dit voertuig zal nooit in beweging komen, maar ik zeg het de kinderen niet, arbeid is hoop, en ga verder in het landschap, dat niets anders te doen heeft dan te wachten op het verdwijnen van de mens. Ik ken nu mijn bestemming. Ik werp mijn kleren af, het uiterlijke speelt geen rol meer. Eens zal DE ANDER me tegemoet komen, de antipode, de dubbelganger met mijn gezicht van sneeuw. Eén van ons zal overleven.

Debuisson. Galloudec. Sasportas.
Debuisson geeft een papier aan Galloudec. Galloudec en Sasportas lezen. De regering die ons de opdracht heeft gegeven hier op Jamaïca een slavenopstand te organiseren, is niet langer in functie. Generaal Bonaparte heeft het Directoire ontbonden met de bajonetten van zijn grenadiers. Frankrijk heet Napoleon. De wereld wordt wat hij was, een thuis voor meesters en slaven. Galloudec verfrommelt het papier. Waarom kijken jullie zo. Onze firma staat niet meer in het handelsregister. Ze is bankroet. De waar die we moeten verkopen, betaalbaar in de munt bloed zweet tranen, wordt op deze wereld niet meer verhandeld. Scheurt het papier in stukken. Ik ontsla ons uit onze opdracht. Jou, Galloudec, de boer uit Bretagne. Jou, Sasportas, zoon van de slavernij. Mij, Debuisson.

Sasportas zacht Zoon van slavenhouders.

Debuisson Ieder terug naar zijn eigen vrijheid of slavernij. Ons theaterstuk is afgelopen. Sasportas. Let op als je je afschminkt, Galloudec. Misschien gaat je huid mee. Jouw masker, Sasportas, is je gezicht. Mijn gezicht is mijn masker. Bedekt zijn gezicht met zijn handen.

Galloudec Dat gaat mij te vlug, Debuisson. Ik ben een boer, ik kan zo snel niet denken. Meer dan een jaar lang heb ik mijn hals geriskeerd, m’n bek kapot gepreekt op geheime bijeenkomsten, wapens gesmokkeld door hun cordons van bloedhonden, haaien en spionnen, ik heb als je hond aan tafel bij die Engelse moordenaars de idioot gespeeld, verbrand door de zon en kapot van de koorts op dit verdomde continent zonder sneeuw, allemaal voor die luie massa zwart vlees, waar geen beweging in komt als er geen laars achter zit, en wat kan mij de slavernij op Jamaïca, als je het goed bekijkt, eigenlijk schelen, ik ben een Fransman, wacht Sasportas, maar ik wil direct zwart worden als ik begrijp waarom dat allemaal ineens niet meer waar zou zijn, een streep erdoor en niks geen opdracht meer, omdat in Parijs een generaal een slag van de molen heeft gekregen. Het is nog niet eens een Fransman. Maar als men jou bezig hoort, Debuisson, zou men denken dat je alleen maar hebt gewacht op die generaal Bonaparte.

Debuisson Misschien heb ik inderdaad gewacht op die generaal Bonaparte. Zoals half Frankrijk op hem heeft gewacht. Revolutie maakt moe, Galloudec. Terwijl de volkeren slapen, staan de generaals op en breken het juk van de vrijheid dat zo zwaar te dragen is. Voel je hoe je schouders er krom van trekken, Galloudec.

Sasportas Ik geloof dat ik je ook niet begrijp, Debuisson. Niet meer. De wereld een thuis voor meesters en slaven. Slaven hebben geen thuis, burger Debuisson. En zolang er meesters en slaven bestaan, zijn we niet ontslagen uit onze opdracht. Wat heeft de putsch van een generaal in.Parijs te maken met de bevrijding van de slaven op Jamaïca, die onze opdracht is. Tienduizend mannen wachten op ons bevel, op jouw bevel, als je wil. Maar het moet niet per se jouw stem zijn, die het bevel geeft. Zij slapen niet, zij zitten niet op een generaal te wachten. Ze zijn bereid om te doden en te sterven voor jouw juk van de vrijheid. Hun leven lang, die dagelijkse dood hebben ze ervan gedroomd, als van een onbekende geliefde. Ze vragen zich niet af wat voor borsten ze heeft en of ze nog maagd is. Wat kan die mannen Parijs schelen, een verre steenwoestijn die korte tijd lang de metropool van hun hoop was. Wat kan hen Frankrijk schelen, een land waar de zon niet kan doden, waar het bloed een korte tijd de kleur van het morgenrood had, op een bleek continent achter het graf van Atlantis. Van jullie generaal, ik ben zijn naam al vergeten, zal geen sprake meer zijn als de naam van de bevrijder van Haïti in alle schoolboeken staat. Debuisson lacht.

Sasportas Je lacht.

Debuisson Ik lach Sasportas, vraag me niet waarom.

Sasportas Het kan zijn dat ik je alweer niet begrepen heb. Ik weet niet of ik je nu moet doden of me bij je moet verontschuldigen.

Debuisson Doe wat je wil, Sasportas.

Sasportas Lacht. O Debuisson. Een ogenblik lang heb ik geloofd dat je meende wat je zei. Ik had het moeten weten. Ik had moeten weten dat het een test was. Ik heb de proef niet doorstaan, hé. Het is niet angst die mijn zenuwen doet trillen maar de vreugde om de dans. Ieder van ons moet zo koud zijn als een mes, als het sein wordt gegeven en de slag begint. Ik hoor de trommels voor erop geslagen wordt. Ik hoor door mijn poriën, mijn huid is zwart. Maar ik heb je niet vertrouwd en dat is niet goed. Vergeef het me, Debuisson. Je hebt je handen in bloed gedrenkt voor onze zaak. Ik heb gezien dat het moeilijk voor je was. Daarom hou ik van je, Debuisson, want hij die gedood moest worden, opdat hij onze zaak niet zou verraden, was mijn gelijke, en hij moest dood zijn voor hij opnieuw werd gefolterd, en jij moest hem genezen van de gevolgen van de eerste foltering, als dokter en als helper van de mensheid, maar hij zei: dood me, dat ik jullie niet verraad, en je hebt hem gedood voor onze zaak, als dokter en als revolutionair.
Sasportas omhelst Debuisson.

Debuisson Je hoeft je niet te verontschuldigen, Sasportas, het was geen test. Onze namen zullen niet in de schoolboeken staan en je bevrijder van Haïti, waar nu de bevrijde zwarten op de bevrijde mulatten aan het kloppen zijn of omgekeerd, je bevrijder zal nog lang moeten wachten op een plaatsje in het boek van de geschiedenis. Intussen zal Napoleon van Frankrijk een kazerne maken en van Europa wellicht een slagveld, de handel floreert in elk geval, en vrede met Engeland zal er ook wel komen, wat de mensheid samenhoudt is zaken doen. De revolutie heeft geen thuisland meer, dat is niks nieuws onder de zon, die misschien nooit zal schijnen op een nieuwe aarde, de slavernij heeft vele gezichten, het laatste hebben we nog niet gezien, jij niet, Sasportas, en wij ook niet, Galloudec, en misschien was wat wij voor het morgenrood van de vrijheid hielden alleen maar het masker van een nieuwe nog verschrikkelijker slavernij, waarbij vergeleken de heerschappij van de zweep op de Caraïben en elders een lekker voorsmaakje geeft van de gelukzaligheden van het paradijs, en misschien heeft je onbekende lief, de vrijheid, als haar maskers zijn opgebruikt, niet eens een ander gezicht dan het verraad: wat je vandaag niet verraadt, wordt morgen je dood. In de ogen van de geneeskunde is de revolutie een miskraam, Sasportas: van de Bastille naar de Conciërgerie, de bevrijder wordt cipier. DOODT DE BEVRIJDERS heet de laatste waarheid van de revolutie. En wat mijn moord ter wille van onze zaak betreft: de dokter als moordenaar is geen nieuwigheid in het theater van de maatschappij, voor de helpers van de mensheid heeft de dood niet zoveel te betekenen: een andere chemische toestand, totdat de woestijn zegeviert, is elke ruïne een bouwgrond tegen de tand des tijds. Misschien heb ik alleen maar mijn handen gewassen, Sasportas, toen ik ze voor onze zaak in bloed heb gedrenkt. Poëzie, mijn zwarte vriend, is altijd al de taal der vergeefsheid geweest. Nu hebben we andere lijken op onze nek en ze zullen onze dood betekenen, als we ze niet afwerpen voor de put. Jouw dood heet vrijheid, Sasportas, jouw dood heet broederlijkheid, Galloudec, mijn dood heet gelijkheid. Het was goed rijden op ze, toen ze nog onze paarden waren, de wind van morgen om onze slapen. Nu waait de wind van gisteren. De paarden zijn wij. Voelen jullie de sporen in het vlees. Onze ruiters nebben bagage bij: de lijken van de terreur, piramides van de dood. Voelen jullie het gewicht. Hoe meer twijfels er door onze hersenkronkels gaan, hoe zwaarder ze wegen. Een revolutie heeft geen tijd om haar doden te tellen. En wij hebben onze tijd nu nodig om de zwarte revolutie op te doeken, die we zo grondig hebben voorbereid in opdracht van een toekomst die al weer verleden is zoals andere tevoren. Waarom komt ‘toekomst’ in onze taal alleen in het enkelvoud voor, Galloudec. Bij de doden is het misschien anders, als het stof kan spreken. Denk daar eerst eens over na, Sasportas, voor je je hals riskeert voor de bevrijding van de slaven, in een afgrond die geen bodem meer heeft sinds dit bericht, dat ik nu zal inslikken om geen spoor van ons werk achter te laten. Willen jullie ook een stuk. Dat was onze opdracht, ze smaakt alleen nog naar papier. Morgen zal ze de weg van alle vlees zijn gegaan, elke hemelvaart heeft een richting, en misschien is de ster al op weg uit de kilte van het heelal, een klomp ijs of metaal dat definitief een gat slaat in het fundament van de feiten, waarop we altijd weer opnieuw onze broze hoop vestigen. Of de kilte zelf, die ons verleden en onze toekomst bevriest tot een vandaag zonder einde. Waarom zijn we niet als bomen geboren, Sasportas, die dat alles niets aangaat. Of wil je liever een berg zijn. Of een woestijn. Wat vind jij, Galloudec. Waarom gapen jullie me aan als twee stenen. Waarom zijn we er niet gewoon om toe te kijken op de strijd der landschappen. Wat willen jullie van me. Sterf je eigen dood, als het leven jullie niet smaakt. Ik zal jullie niet in het graf helpen, mij smaakt het ook niet. Gisteren heb ik gedroomd dat ik door New York liep. De streek was vervallen en niet door blanken bewoond. Voor mij op het voetpad rees een gouden slang op, en toen ik de straat overging, of liever me een weg baande door de jungle van kokend metaal die de straat was, op het andere voetpad een andere slang. Ze was schitterend blauw. Ik wist terwijl ik droomde: de gouden slang is Azië, de blauwe slang, dat is Afrika. Toen ik wakker werd, vergat ik het weer. We zijn drie werelden. Waarom weet ik nu. En ik hoorde een stem die zei; ZIE ER BRAK EEN HEVIGE AARDBEVING LOS WANT DE ENGEL VAN DE HEER DAALDE AF VAN DE HEMEL KWAM NADER WENTELDE DE STEEN WEG EN GING DAAROP ZITTEN ZIJN AANGEZICHT WAS ALS DE BLIKSEM EN ZIJN KLEED WIT ALS SNEEUW.
Ik wil het allemaal niet meer weten. Duizend jaar lang is er gelachen met onze drie liefdes. Overal hebben ze zich in het slijk gewenteld, alle goten van de wereld zijn ze afgezwommen, door alle bordelen getrokken, onze hoer de vrijheid, onze hoer de gelijkheid, onze hoer de broederlijkheid. Nu wil ik daar zitten waar gelachen wordt, vrij om te doen waar ik zin in heb, de gelijke van mezelf, mijn eigen broer en van niemand anders. Je vel blijft zwart, Sasportas. Jij blijft een boer Galloudec. Ze lachen met jullie. Mijn plaats is waar er met jullie wordt gelachen. Ik moet lachen met jullie. Ik moet lachen met de neger. Ik moet lachen met de boer. Ik moet lachen met de zwarte die zich wit wil wassen met de vrijheid. Ik moet lachen met de boer die gaat,wandelen met het masker van de gelijkheid. Ik lach met die onzin over broederlijkheid die mij, Debuisson, die meester ben over vierhonderd slaven, ik moet maar ja zeggen, ja en nog eens ja tegen het heilig systeem van de slavernij, die onzin die mij blind heeft gemaakt voor jouw, Sasportas, jouw smerig slavenvel, en voor jouw hondse boerengang, Galloudec, je hebt het juk op je nek, waarmee de ossen in de voor lopen op je akker, die niet eens van jou is. Ik wil mijn stuk van de wereldkoek. Ik zal mijn stuk wegsnijden uit de honger van de wereld. Jullie, jullie hebben geen mes.

Sasportas Je hebt mijn vlag kapotgescheurd. Ik zal er mij een nieuwe snijden uit mijn zwarte vel. Snijdt met het mes een kruis in zijn handpalm. Dit is het afscheid, burger Debuisson. Drukt zijn bloedende hand op Debuissons gezicht. Hoe smaakt mijn bloed. Ik heb gezegd dat de slaven geen thuis hebben. Dat is niet waar. Het thuisland van de slaven is de opstand. Ik ga de strijd in, gewapend met de vernederingen van mijn leven. Je hebt me een nieuw wapen aan de hand gedaan, en ik ben er je dankbaar voor. Kan zijn dat mijn plaats de galg is. Misschien groeit de strop al rond mijn hals, terwijl ik met je praat in plaats van je te doden. Ik ben je niets meer schuldig dan mijn mes. Maar de dood is zonder betekenis, en aan de galg zal ik weten dat mijn handlangers de zwarten van alle rassen zijn, wier aantal groeit met elke minuut die jij doorbrengt aan je slavenhouderstrog of tussen de dijen van je blanke hoer. Als de levenden niet meer kunnen vechten, zullen de doden vechten. Bij elke hartslag van de revolutie groeit er opnieuw vlees aan hun knoken, bloed in hun aders, leven in hun dood. De opstand van de doden zal de strijd van de landschappen zijn, onze wapens, de bossen, de bergen, de zeeën, de woestijnen van de wereld. Ik zal bos zijn, berg, zee, woestijn. Ik, dat is Afrika. Ik, dat is Azië. De twee Amerika’s ben ik.

Galloudec Ik ga met je mee, Sasportas. Sterven moeten we allemaal, Debuisson. Dat is het enige wat we nog met elkaar gemeen hebben. Na het bloedbad in Guadalupe hebben ze midden in een hoop lijken, allemaal zwarten, één blanke gevonden: hij was zo dood als de rest.

Dat kan jou niet meer overkomen, Debuisson. Jij ligt eruit.

Debuisson Blijf. Ik ben bang, Galloudec, voor de schoonheid van de wereld. Ik weet goed dat ze het masker van het verraad is. Laat me niet alleen met mijn masker, dat al in mijn vlees groeit en geen pijn meer doet. Doodt me voor ik jullie verraad. Ik ben bang, Sasportas, voor de schande, op deze wereld gelukkig te zijn.

Sprak fluisterde riep Debuisson. Maar Galloudec en Sasportas gingen samen weg en lieten Debuisson alleen met het verraad, dat naar hem was gekomen als de slang vanonder de steen die het verraad was. Debuisson sloot de ogen voor de verleiding zijn eerste liefde in het gezicht te kijken. Het verraad danste. Debuisson drukte zijn handen tegen zijn ogen. Hij hoorde dat zijn hart het ritme van de danspassen sloeg. Ze werden sneller met zijn hartslag. Debuisson voelde zijn oogleden tegen zijn handpalmen knipperen. Misschien was de dans al opgehouden en was het alleen nog zijn hart dat bonsde, terwijl het verraad, misschien met de armen voor zijn borsten of met de handen op de heupen of al in zijn schoot, met een schaamdeel dat misschien al schokte van begeerte naar hem keek met kwijnende ogen, naar hem, Debuisson, die zijn ogen met zijn vuisten in hun holten duwde, uit vrees voor zijn honger naar de schande van het geluk. Misschien had het verraad hem al verlaten. Zijn eigen begerige handen lieten het afweten. Debuisson sloeg de ogen op. Het verraad liet glimlachend zijn borsten zien, spreidde zwijgend de benen, zijn schoonheid trof Debuisson als een bijl. Hij vergat de bestorming van de Bastille, de hongermars van de Tachtigduizend, het einde van de Gironde, haar avondmaal, een dode aan tafel, Saint Just, de zwarte engel, Danton, de stem van de revolutie, Marat, gebogen over de dolk, de verbrijzelde kin van Robespierre, zijn schreeuw toen de beul zijn verband aftrok, zijn laatste meewarige blik op de jubelende menigte. Debuisson greep naar de laatste herinnering die hem nog niet had verlaten: een zandstorm voor Las Palmas, er kwamen sprinkhanen met het zand mee op het schip en ze begeleidden de tocht over de Atlantische Oceaan. Debuisson dook weg voor de zandstorm, wreef het zand uit zijn ogen, hield zijn oren toe tegen het gezang van de sprinkhanen. Toen wierp het verraad zich op hem als een hemel, het geluk van de schaamlippen een morgenrood.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

theatertekst
Leestijd 30 — 33 minuten

#2

15.03.1983

14.06.1983

Heiner Müller