Out of any present van Sofia Diaz en Vitor Roriz

Tiago Rodrigues

Leestijd 13 — 16 minuten

De onzichtbare kunstenaars

De crisis in de Portugese kunstsector

In Portugal krijgen podiumkunstenaars voortdurend te maken met allerlei obstakels die voortvloeien uit de recente economische crisis, maar bovenal met de onverschilligheid van de politieke macht tegenover de kunsten, nu en in de voorbije decennia. Toch wordt er veel geproduceerd, en de diversiteit van het Portugese podiumkunstenlandschap is verbazend.

Dat landschap bestaat vooral uit solokunstenaars en kleine gezelschappen. Enkele van hen ontvangen een minimale financiële steun van de overheid, maar ook hun situatie is erg onzeker. De laatste tien jaar is er flink gesneden in overheidssubsidies en besteden theaters minder middelen aan coproducties. Daardoor moeten podiumkunstenaars constant met nieuw werk komen om het hoofd boven water te houden. Vrijwel niemand kan met zekerheid zeggen wat hij of zij binnen zes maanden of een jaar zal doen, als ze al iets doen. De enige zekerheid is de onzekerheid. De meeste creaties zijn zo goedkoop mogelijke, kleinschalige producties, die de schaars beschikbare middelen maximaal benutten. Kostuums, decors en technisch materiaal worden meestal geleend van andere producties. Dit valt vooral op bij jongere kunstenaars, maar het gebeurt ook bij de meer gevestigde gezelschappen van het land. Nog steeds worden elk jaar een paar grote producties gebracht, maar dat zijn gewoonlijk burgerlijke mainstream-evenementen die dienen als opsmuk van een of andere politieke of historische viering, zonder veel artistieke waarde. Ze zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen: de Portugese podiumkunsten zijn hulpbehoevend.

Less is more?

Dit koppig doorgaan met het creëren van werk zonder middelen kan als iets positiefs bestempeld worden. Omdat ze op zichzelf erg kwetsbaar zijn, werken gezelschappen nu meer samen. Ook is er een grote circulatie van kunstenaars tussen allerlei projecten: ze werken als freelancer mee in eikaars voorstellingen, waardoor een grote openheid is ontstaan voor verschillende esthetische benaderingen, voor overleg en het delen van informatie. De grenzen tussen artistieke disciplines zijn vervaagd, wat resulteert in bijzonder vernieuwend werk. Anderzijds heeft deze situatie een generatie voortgebracht die meer dan ooit onzeker is over haar voortbestaan. Onderbetaald werk is volstrekt normaal geworden en ook onbetaald werk raakt meer enmeer ingeburgerd. Nog eens, dit blijft niet beperkt tot opkomende artiesten, het treft ook de gezelschappen die de meeste subsidies krijgen. Het lijkt erop dat de podiumkunsten stilaan amateurkunsten worden. Omdat ze in Portugal niet aan de kost komen, verlaten steeds meer jonge artiesten het land. Er is geen behoorlijke sociale steun voor werkloze professionelen in de podiumkunsten. En de sector, die al haar energie steekt in het overleven, is vrijwel niet in staat om voor een rechtvaardigde regeling te vechten. De slogan ‘meer doen met minder’ wordt stilaan suïcidaal. Waarom blijven kunstenaars dan tegen zo’n snelheid werk produceren? Het antwoord is: om te overleven. Hoewel toeren in Portugal erg moeilijk blijft en toeren buiten de grenzen nog maar net – en voor een beperkt aantal artiesten – mogelijk wordt, is het creëren van nieuw werk nog steeds het meest evidentie middel om te overleven. Het financiële aspect verklaart echter niet helemaal de onverwachte diversiteit en het productieritme van de Portugese podiumkunsten. Er zit een idee achter. Een idee van veerkracht en verzet. Meer dan om louter te bestaan is er het verlangen om echt te leven. In een sector waar ‘gezien worden’ essentieel is, is de grootste dreiging die van de crisis uitgaat onzichtbaarheid.

In veel gevallen is de economische crisis gebruikt als een alibi om te snoeien in budgetten, maar eigenlijk gaat het om ideologische beslissingen, voortkomend uit een marktgericht denken dat kunst als onnodige luxe beschouwt, vooral als ze niet geneigd is om zich door het regime als pronkstuk te laten gebruiken. Deze ideologie is zelfs niet gekant tegen alternatieve hedendaagse kunst: ze is er gewoon blind voor, beschouwt haar als irrelevant. De reactie van de podiumkunsten op deze zogenaamde ideologie van de soberheid is een strijd voor zichtbaarheid. Dit betekent niet alleen nieuw werk maken met heel weinig middelen, maar ook werk brengen dat zichtbaar is in de maatschappij. Het meest vernieuwende werk van de laatste tien jaar onderscheidt zich, intuïtief of bewust, door een streven naar uniciteit.

Een diverse generatie

Rond de eeuwwisseling stond een nieuwe generatie Portugese podiumkunstenaars klaar. Hoewel oudere generaties theatermakers en choreografen nog steeds een bijzonder grote plaats innemen in het veld (en ook over meer productiemiddelen beschikken), is het deze nieuwe generatie die vandaag het meest originele en invloedrijke werk creëert. Deze jongere kunstenaars delen dezelfde historische context en werken vaak met elkaar samen, maar hun werk is bijzonder divers. Als je de voorstellingen van choreografen als Claudia Dias, Mariene Monteiro Freitas of Sofia Dias en Vitor Roriz met elkaar vergelijkt, vind je nauwelijks esthetische gelijkenissen. Hetzelfde geldt voor theatergezelschappen als Mala Voadora, Primeiros Sintomas, Câo Solteiro, Teatro Praga en Comédias do Minho, voor regisseurs als Tónan Quito, Patricia Portela, Nuno Cardoso en Rui Cataläo, en voor performancekunstenaars als Ana Bor-ralho enjoäo Galante.

Zo lijken de indrukwekkende voorstellingen van Freitas altijd een proces waarbij de dansers zichzelf bevrijden en via beweging ‘iemand anders’ worden. Guintche, dat Freitas in 2010 creëerde en zelf opvoerde, is exemplarisch voor een oeuvre gewijd aan het exploreren van een exuberante en groteske voorstellingswereld, waarin het erotische en het rituele altijd samengaan. In het werk van Sofia Dias en Vitor Roriz daarentegen, draait alles rond eenvoud en controle. In een van hun meest recente producties, Out of Any Present (2012), zetten ze hun bijna wetenschappelijke, maar toch altijd speelse exploraties van de taal voort. Humor en politiek kunnen steeds onverwacht opduiken door de ongewone manier waarop zij tekstfragmenten, muziek en beweging vermengen. Het werk van Claudia Dias is weer anders: gebaseerd op compositie in real time, een techniek die ze studeerde aan de zijde van choreograaf Joào Fiadeiro, creëert zij stukken waarin haar lichaam of dat van andere dansers een vehikel is om politieke kwesties te onderzoeken. In Willingness to Will (2012) was dat het Europese project; in de iconisch geworden dansvoorstelling Visita Guiada (2005) nam ze de toeschouwer mee op een geleid bezoek aan haar proletarische geboortestad.

Dit zijn slechts drie voorbeelden van choreografen die duidelijk op zoek zijn naar eigenheid, terwijl ze samenwerken en cocreaties maken met andere kunstenaars. Uiteraard beïnvloeden ze elkaar op artistiek vlak, maar hun werk is uniek binnen de hedendaagse Portugese podiumkunsten. En hoewel ze meer en meer internationaal toeren of worden gecoproduceerd door buitenlandse theaters, herken je in hun werk nauwelijks trends of stijlfiguren die gangbaar zijn in het Europese podiumkunstencircuit (waarschijnlijk omdat Portugal in dat circuit nog altijd als een marginaal land wordt beschouwd).

Deze diversiteit is ook volop terug te vinden bij de nieuwe generatie theatermakers. Terwijl sommige gezelschappen methodes ontwikkelen om nieuwe stukken te creëren of samenwerken met andere disciplines zoals beeldende kunst, film of dans, leggen andere zich toe op meer documentair werk, en nog andere wijden zich aan repertoire. Wat hen verbindt is de zoektocht naar een persoonlijke artistieke taal en een specifiek gamma aan thema’s. Deze diversiteit is ook toe te schrijven aan een zekere heropleving van het toneelschrijven, met auteurs als José Maria Vieira Mendes, Jacinto Lucas Pires en Miguel Castro Caldas. Meer dan ooit maken schrijvers deel uit van het creatieve proces, ze werken samen met collectieven en het schrijven wordt een onderdeel van het artistieke experiment. Dit heeft gezelschappen ongetwijfeld geholpen om een sterkere theatertaal te ontwikkelen. Om over de wereld van vandaag te spreken is er nood aan eigentijdse woorden, zeker in de context van een crisis. Het gevolg daarvan is dat talrijke theatervoorstellingen zich niet alleen wagen aan een politiek discours, maar ook efficiënter strijden tegen de onzichtbaarheid van de podiumkunsten.

Kan kunst gedijen zonder een sterk maatschappelijk middenveld?

Deze strijd voor zichtbaarheid is niet alleen herkenbaar in creaties, maar ook in de manier waarop gezelschappen en kunstenaars opereren. Ze hebben hun eigen context moeten bedenken en zelf de productiemiddelen voor hun artistiek werk moeten beheren. Toen de laatste economische crisis hard toesloeg in de Zuid-Europese landen, was de Portugese kunstwereld, die aan een chronische crisis lijdt, niet verbaasd. De bezuinigingsmaatregelen die in 2011 werden opgelegd door de regering en de Europese trojka betekenden slechts een verslechtering van een al lang aanslepende ziekte, met enkele zeldzame periodes van verlichting. Historisch gezien heeft Portugal nooit veel talent getoond in het toekennen van macht aan het maatschappelijk middenveld. We hebben het over een land met een monarchie die bijna 800 jaar aan de macht was, in het begin van de twintigste eeuw gevolgd door slechts een korte periode van 16 jaar republiek en meteen daarop door 48 jaar rechtse dictatuur. We waren helemaal niet getraind in burgerschap toen de Anjerrevolutie in 1974 het regime veranderde in een republikeinse democratie, wat we nog altijd zijn (of beweren te zijn). Hoewel het maatschappelijk middenveld een essentiële rol speelde in Portugals grondige politieke veranderingen van de laatste eeuw, heeft de staat het nooit de kans gegeven om het beleid actief mee vorm te geven.

In tegenstelling tot andere belangrijke non-profitsectoren van een sociale staat (opvoeding, gezondheidszorg, wetenschap) is de culturele sector sterk afhankelijk van initiatieven uit het middenveld: kunstenaars – en tal van andere culturele spelers – werken immers niet voor instellingen van de overheid. In tegenstelling tot een fascistisch regime, kan een democratische staat ook geen eigen ‘politiek van de geest’ opleggen: cultureel beleid wordt niet van bovenaf opgelegd, de staat moet juist de initiatieven vanuit de basis vertrouwen, zijn politiek ontwikkelen in dialoog met wat er al bestaat. Midden jaren negentig was er een greintje hoop, toen de Portugese regering eindelijk een ministerie van Cultuur oprichtte. Cultuur had een status van politieke relevantie bereikt en een aantal belangrijke projecten werd opgestart, zoals de oprichting van een nationaal netwerk van stadstheaters. In het hele land werden nieuwe theaters gebouwd en tientallen oude, in onbruik geraakte locaties weer geopend. Er werd ook een subsidiesysteem voor onafhankelijke gezelschappen ontwikkeld. Dit was niet alleen een duidelijk engagement van de staat met betrekking tot de kunstensector, maar ook een boodschap van vertrouwen in het middenveld.

The times they were a-changin’

Theater en dans waren in die tijd nog totaal gescheiden werelden. Dans was hoofdzakelijk gericht op het creëren van eigentijds werk; de nova dança (nieuwe dans) begon volwassen te worden en kreeg internationale aandacht, onder meer in landen als België, Frankrijk en Duitsland. Het theater werd gedomineerd door een oudere generatie, de zogenaamde companhias independentes (onafhankelijke gezelschappen). De meeste van die gevestigde gezelschappen waren ontstaan in de vroege jaren zeventig, nog onder het fascisme of meteen na de revolutie, en zorgden in die tijd voor een esthetische vernieuwing in het Portugese theater. Hoewel in de jaren tachtig en vroege jaren negentig enkele belangwekkende nieuwe projecten met een heel andere kijk op theater werden opgestart, bleef het grootste deel van de schaarse productiemiddelen in handen van de oudere generatie. Vandaag is dat nog steeds zo.

Dit was dus, vanuit vogelperspectief, het landschap dat jonge kunstenaars rond de millenniumwisseling aantroffen. Beginjaren negentig waren in Lissabon twee grote culturele centra ingehuldigd: CCB en Culturgest. Zij waren een aanvulling op de Fundaçâo Calouste Gulbenkian, die al langer een fundamentele rol speelde. Tussen 1996 en 2006 heropende het Sâo Joäo National Theatre in Porto na vele jaren inactiviteit en gingen in Lissabon ook de gemeentelijke theaters Sâo Luiz en Maria Matos open. In het hele land openden tientallen andere stadstheaters de deuren, waaronder Teatro Viriato in Viseu en het Centro Cultural Vila Flor in Guimarâes. Het leek erop dat Lissabon niet langer het hart en de ziel van de podiumkunsten vertegenwoordigde en dat eindelijk ook in andere regio’s vitale artistieke centra begonnen te gedijen.

Gelijklopend met deze evolutie werd de functie van program-mator geïntroduceerd – een gloednieuwe job binnen de Portugese podiumkunsten. Theaterhuizen stelden zich nu op als coproductie- én als presentatieplek, vooral in Lissabon en Porto. Kunstenaars vonden in die huizen een nieuwe partner en waren niet langer verplicht zelf een theater te bezitten om hun werk te laten zien. Ook toeren werd mogelijk en een vanzelfsprekende ambitie. De opkomst van de programmator betekende ook dat theaters niet langer gebonden waren aan één specifieke esthetiek, maar een breder artistiek spectrum aan bod konden laten komen. Naast hun directe impact op de activiteit van de Portugese gezelschappen, zorgden deze publieke theaters voor een exponentiële stijging van de kwantiteit en kwaliteit van buitenlandse producties die naar Portugal werden gehaald. Deze verruiming van de blik veranderde niet alleen de mentaliteit van het publiek, maar had ook een enorme invloed op opkomende Portugese kunstenaars. Van gezelschappen als tg STAN of Forced Entertainment ging een grote inspiratie uit voor tal van alternatieve theaters en hun invloed is nog steeds voelbaar in het werk dat vandaag in Portugal wordt gecreëerd.

Hoewel de ganse podiumkunstensector reageerde op de paradigmaverschuiving die zich voordeed tussen 1996 en 2006, was de respons het meest zichtbaar bij de millenniumgene-ratie, die de openbare theaters met nieuw werk begon te veroveren. Hun creaties werden de raison d’être van dit model van publieke theaters. Het leek erop dat de tijden begonnen te veranderen. En dat deden ze ook, maar die evolutie zette zich niet door. De hoofdreden is dat de daaropvolgende regeringen niet echt belang hechtten aan cultuur. Ook raakte de centrale staat gefrustreerd door het gebrek aan resultaten die direct electoraal voordeel konden opleveren, waardoor de destijds opgestarte projecten geleidelijk werden opgedoekt en het Ministerie van Cultuur zijn invloed verloor.

De droom is voorbij

De herinnering aan deze hoopvolle jaren tussen 1996 en 2006 is nog altijd bijzonder levendig. Elk debat over het cultuurbeleid of de financiering van de kunsten eindigt uiteindelijk met een klaagzang over deze verloren kans. Al meer dan tien jaar snijden regeringen in het al belachelijk kleine budget voor steun aan de kunsten. Daarnaast werd er ook geen echt cultureel beleid ontwikkeld. Hoe zou dat ook kunnen, met negen cultuurministers in amper tien jaar tijd? De bestaande projecten zijn aan hun lot overgelaten en waar eerst werd geïnvesteerd in een nationaal netwerk van theaterhuizen, zien we nu dat tal van deze instellingen kampen met een gebrek aan geld en uitrusting. De realiteit is dat veel stadstheaters die met overheidsgeld werden heropend, nooit op regelmatige basis hebben gefunctioneerd.

Niettemin bleven Lissabon en enkele andere steden zich verzetten tegen het overheidsbeleid en koesterden zij hun lokale theaters of podiumkunstenaars.

Een mooi voorbeeld daarvan is Montemor-o-Novo, een van de armste steden van het land, en thuisstad van O Espaço do Tempo. Deze onafhankelijke structuur is ondergebracht in een oud klooster en ontvangt meer dan veertig residen-tieprojecten per jaar. Hoewel ze onvoldoende subsidies krijgt, heeft deze organisatie meer betekend voor een hele nieuwe generatie kunstenaars die nu algemene erkenning krijgen, dan enig overheidsprogramma ooit heeft gedaan. Ook op het gebied van internationale samenwerking speelt ze mee op het hoogste niveau. Helaas zijn deze voorbeelden slechts oases in een woestijn.

De verwaarlozing van de kunsten door de overheid bereikte een hoogtepunt toen Portugal werd getroffen door de economische crisis. In 2012, toen Guimaräes Culturele Hoofdstad van Europa was, besloot de regering om het Ministerie van Cultuur op te doeken. In het nationale budget is het aandeel van cultuur een povere 0,2 procent, waarvan het meeste door de staat zelf wordt gespendeerd. Slechts 0,03 procent gaat naar steun aan theater, dans, muziek, beeldende kunst en film gecreëerd door onafhankelijke kunstenaars of gezelschappen. In 2014 schommelt een jaarsubsidie voor een gezelschap tussen zo weinig als 20 000 euro tot een maximum van 400 000 euro, een bedrag dat aan slechts één gezelschap in het hele land wordt toegekend. Het totaalbedrag dat de regering jaarlijks spendeert aan subsidies voor onafhankelijke sectoren als theater, dans, muziek en beeldende kunst ligt rond de dertien miljoen euro. Het klinkt misschien demagogisch, maar de investering die de Portugese regering afgelopen zomer deed om een privébank te redden die dreigde failliet te gaan door frauduleus management, zou – volgens de huidige normen -voldoende zijn om gedurende bijna vijfhonderd jaar de kunsten te financieren.

Het hele artistieke landschap, met inbegrip van alle generaties, wordt voortdurend met uitsterven bedreigd. Een van de meest bekende en best gefinancierde theatergezelschappen van het land, Artistas Unidos, dat de laatste twintig jaar bijzonder veel heeft gedaan om het eigentijdse repertoire voor het voetlicht te brengen, staat op het punt uit zijn theater te worden gezet, opdat de ruimte voor meer winstgevende doeleinden kan worden gebruikt. Verbazingwekkend genoeg is de eigenaar van dit theater de Universiteit van Lissabon, wat aantoont dat de onverschilligheid tegenover cultuur zelfs is doorgedrongen in de meest onverwachte sectoren van de Portugese maatschappij. Een ander voorbeeld is het Alkan-tara Festival, het belangrijkste festival voor hedendaagse podiumkunsten in Portugal. Qua programma kan het zich meten met belangrijke Europese festivals als het Kunstenfestivaldesarts of De Internationale Keuze. Bovendien is het altijd een drijvende kracht geweest voor artistieke vernieuwing en internationalisering van lokale kunstenaars. Nu het zeventig procent van zijn overheidssubsidie verliest, wordt de editie van dit jaar waarschijnlijk de laatste.

De groeiende internationale aandacht voor Portugese kunstenaars is erg belangrijk, maar zal geen blijvend effect hebben als die niet door een nationaal beleid wordt geruggensteund. De overheid beseft duidelijk niet voldoende hoe belangrijk internationale samenwerking voor de sector zou kunnen zijn. Het bewijs daarvan is dat de huidige subsidieregeling voor internationalisering tournees door Europa van secundair belang acht, zonder te begrijpen dat de Portugese podiumkunsten nog steeds niet volledig in het Europese circuit zijn doorgedrongen.

Verlaten ruimte is openbare ruimte

En zo zijn er nog tientallen voorbeelden die bewijzen dat het laatste decennium wordt gekenmerkt door een totale afwezigheid van enig politiek idee over cultuur. De eerste minister en de president brengen cultuur enkel ter sprake wanneer het gaat over het belang van ‘zelfvoorziening’ en over de ‘creatieve industrie’ als een soort lucratieve versie van artistiek werk, wat neerkomt op een stap terug in de manier waarop een democratie omgaat met artistieke creativiteit. Zelfs een recent gepubliceerde studie waaruit blijkt dat de culturele sector meer inkomsten genereert dan dat het publieke fondsen nodig heeft en dus een positieve bijdrage levert aan de economie, volstond niet om de mercantilistische retoriek van de overheid bij te stellen. Bij gebrek aan een beleid voor de kunsten zijn kunstenaars de lacune zelf gaan opvullen, door educatieve en gemeenschapsprojecten en festivals op te starten en door internationalisering te promoten.

Misschien zijn de begrippen ‘lokaal’ en ‘gemeenschap’ essentieel geworden in de strategie van podiumkunstenaars om in te gaan tegen het gebrek aan een nationaal cultuurbeleid. Een treffend voorbeeld is Comédias do Minho, een gezelschap dat tien jaar geleden werd opgericht in samenwerking met vijf gemeenten in het noordwesten van Portugal. Het gezelschap maakt prikkelende theatervoorstellingen en nodigt ook andere kunstenaars uit om te komen regisseren. Het doet research over het culturele erfgoed van de streek en gebruikt dit als materiaal voor zijn producties. Met zijn educatieve projecten betrekt het ook de bevolking bij zijn werk. Niet alleen hebben de stukken een intrinsieke kwaliteit, het gezelschap heeft ook een belangrijke bemiddelende rol gespeeld, die heeft geleid tot grondige hervormingen in het subsidiebeleid in die regio. Het bouwde een stevig netwerk op en heeft een trouw publiek. In zijn strijd tegen onzichtbaarheid van kunstenaars en gemeenschappen, heeft het in dat deel van het land meer voor het cultuurbeleid gedaan dan de opeenvolgende regeringen de laatste decennia konden waarmaken. Ook festivals als Materiais Diversos, in het geïsoleerde centrum van het land, of kunstenaars zoals choreograaf Paulo Ribeiro, die in Viseu zijn gezelschap leidt en het Teatro Viriato beheert, en theaterregisseur Miguel Moreira, de eerste Portugese regisseur ooit die zijn werk in Avignon mocht tonen en die van Lissabon uitweek naar Guimaräes om daar actief te zijn, zijn voorbeelden van vernieuwende hedendaagse kunstenaars die in een sterk lokale context werken.

Zelfs als ze geen deel uitmaken van specifieke gemeenschappen, zijn podiumkunstenaars meer en meer begaan met de notie van het lokale. Een van de vele voorbeelden is het duo Ana Borralho en Joäo Galante. Vanuit hun interesse voor het onderzoeken van de relatie met het publiek in een performance creëerden ze in 2011 Atlas, het resultaat van een korte ontmoeting met honderd mensen van een gemeenschap om de verjaardag van het Teatro Maria Matos in Lissabon te vieren. Wat gepland was als een eenmalige en locatiegebonden voorstelling, werd hun tot nog toe meest bejubelde stuk, dat wereldwijd toert. Bij aankomst in een stad werken ze meerdere dagen met honderd lokale bewoners (geen kunstenaars), die de structuur van het stuk met hun persoonlijke verhalen vullen, wat resulteert in een steeds veranderende voorstelling in constante dialoog met de collectieve verbeeldingswereld van elke gemeenschap.

Het onzichtbare schilderen

Terwijl de veerkracht en creativiteit waarmee de podiumkunstensector heeft gereageerd op de crisis hoopgevend is, kan de zware economische crisis gekoppeld aan de onverschilligheid van de politieke machthebbers, tenietdoen wat werd bereikt. De initiatieven vanuit de basis, de strijdvaardige houding en het vernieuwende werk, dat alles kan weer in een oogwenk verdwijnen. De sector heeft een punt bereikt van economische ineenstorting en – erger nog – is onzichtbaar geworden. De kunstenaars zijn onzichtbaar, het publiek is onzichtbaar (hoewel het wel degelijk bestaat), de voorstellingen worden hoe langer hoe meer onzichtbaar. Als het ons blijft ontbreken aan een politiek project dat cultuur weer centraal stelt in de visie op hoe onze maatschappij eruit moet zien, wordt binnenkort het hele land onzichtbaar. Geld is een dringende kwestie, maar we hebben niet alleen geld nodig. De toekomst hangt af van beleidsmakers die projecten, werkplaatsen en festivals erkennen die de eigenlijke ijsbrekers zijn geweest voor het cultureel beleid. Wat allereerst gewaardeerd en gekoesterd moet worden, is dat de Portugese podiumkunsten, hoe onzeker de toekomst ook mag zijn, blaken van vitaliteit en diversiteit. We moeten de kunsten in hun publieke waardigheid herstellen en in de publieke sfeer anders over hen praten en denken. Alsof je verf uitgiet over iets onzichtbaars en het plots verschijnt. Het is er altijd al geweest.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 13 — 16 minuten

#138

15.09.2014

14.12.2014

Tiago Rodrigues

Tiago Rodrigues is acteur, toneelschrijver en regisseur. Zijn subversief en poëtisch theater maakte hem tot een van de belangrijkste jonge Portugese kunstenaars. Met zijn gezelschap Mundo Perfeito heeft hij in de voorbije tien jaar maar liefst dertig stukken gecreëerd. In de tussentijd heeft hij samengewerkt met andere gezelschappen, choreografen en filmmakers en was hij lesgever en curator.