© Sadrie Alves

De onmogelijke toeschouwer

Een collectief essay

Tijdens de pandemie kwamen de tien auteurs van deze tekst, allen werkzaam in het veld van de performance studies, regelmatig bijeen om samen te denken en te schrijven. Online natuurlijk. Nu live ontmoetingen opnieuw mogelijk zijn en theaters opengaan, willen ze even op de drempel verwijlen. Als een meervoudig ‘ik’ kijken ze voorzichtig vooruit maar blikken ze vooral ook terug. Zijn we ondertussen andere toeschouwers geworden?

Hoewel we in verschillende landen wonen en velen van ons elkaar niet kenden, hebben we het voorbije anderhalve jaar best een intens traject afgelegd. Het was een zoektocht naar manieren om bij en middenin eindes te blijven. We vroegen ons af wat niet-productieve vormen van rouw konden zijn binnen artistieke en andere contexten, in tijden van uitsterving en andere catastrofes. We zagen elkaar via Zoom, schreven en discussieerden samen terwijl de pandemie een ravage aanrichtte in sociale en biologische levens, in politieke systemen en in kunstvelden.

Ik

De afgelopen periode verstoorde niet alleen oude routines en praktijken; ze deed er ook nieuwe ontstaan. Nu we live ontmoetingen en live theaterervaringen opnieuw mogelijk worden, delen we een gevoel van aarzeling en ambivalentie. We verheugen ons op de terugkeer, maar tegelijk zijn we bezorgd. Hoe ‘keren’ we precies ‘terug’? Wat willen we (nog) wel en niet (meer) doen? Hoe heroriënteren we ons ten opzichte van elkaar? De online collectieven die zich in pandemische tijden vormden, vallen vandaag steeds moeilijker vol te houden. Misschien maken we ons niet zozeer los van het collectief als wel van het scherm. Eindelijk kunnen we terug naar ons eigen lichaam en kunnen we opnieuw tijd en ruimte delen met andere lichamen. Er is het verlangen om weer toeschouwer te zijn, om voorstellingen gezamenlijk waar te nemen en te ‘verteren’.

“Dit ‘ik’ is een toeschouwer die op de drempel staat en nu ‘alles’ weer mogelijk wordt, die ervaring van onmogelijkheid met zich meedraagt.”

Tegelijk willen we de ervaringen van de voorbije maanden ook niet zomaar weggooien. We worden weer een reeks ‘ikken’, zonder terug te willen of kunnen keren naar die vorige versies van onszelf. Hieronder stellen we ons een fictief ‘ik’ voor, samengesteld uit onze tegenstrijdige ervaringen op verschillende plaatsen en tijdstippen, een speculatief samenraapsel van onze vele stemmen. Dit ik staat voor een ander type toeschouwer dat uit de pandemie tevoorschijn komt, en dat we voorzichtig de ‘onmogelijke toeschouwer’ willen noemen. De term verwijst naar een toeschouwer voor wie het lang onmogelijk was om livevoorstellingen bij te wonen, maar die desondanks als een collectief bleef nadenken over performance. Een toeschouwer die per definitie op de drempel staat en nu ‘alles’ weer mogelijk wordt, die de ervaring van onmogelijkheid met zich meedraagt.

Ik heb onlangs liveperformances gezien in Antwerpen, Frankrijk, Aruba en Buffalo, NY. Ik kom net uit de lockdown in Parijs, waar ik in ballingschap leef. Mijn lesopdracht in São Paulo is zojuist uitgebreid. Ik lees tegenwoordig meer over performances dan dat ik ze bijwoon. Ik voel dat het einde, veroorzaakt door sluitingen en ziekte, nog niet voorbij is. Misschien wil ik ook dat sommige delen ervan niet eindigen, of op zijn minst bij ons blijven als onderdeel van een zoektocht om anders te leven, te creëren, te bekijken, bij te wonen, te denken en te zorgen.

Liveness

Tijdens de lockdowns heb ik het grootste deel van mijn tijd in het postindustriële Toronto doorgebracht met het lezen van sciencefiction. De utopische variant. Ik was verrast hoezeer de hoop op een fundamenteel betere manier van leven in de toekomst me hielp om om te gaan met de eigentijdse catastrofe. Dit soort scifi gaat over vormen van samenleven, met gemeenschapszorg en wederzijdse hulp als basis. Onderwerpen als opvoeding, onderwijs, arbeidsorganisatie en politiek bestuur komen erin aan bod. Zelfs de rol van theater.

“Wat voor soort Marsmannetje ben ik geworden na deze periode waarin Zoom live werd en liveness uitzoomde?”

Twee van zulke utopische verhalen suggereerden verschillende opties voor ons ‘nu’: Rode ster van Alexander Bogdanov (1908) en de Mars Trilogie van Kim Stanley Robinson (1992, 1993, 1996). Hun visies op theater voorspellen tegengestelde ontwikkelingen. In Rode ster bestaat het theater nog wel, maar Bogdanov stelt zich voor dat de opnames ervan, gecatalogiseerd in bibliotheken, niet anders zullen worden beschouwd dan het livegebeuren. Voor Robinson daarentegen zouden de bewoners van Mars in de verre toekomst zo uitgeput zijn door schermgebruik, dat het live evenement de voornaamste bron van cultuur en amusement zou worden. Zelf vraag ik me af wat voor soort marsmannetje ik ben geworden na deze periode, waarin Zoom live werd en liveness uitzoomde. Op dit ogenblik voel ik me zowel vervreemd van het ‘Zoomtheater’ als van live-evenementen.

Ben ik nog steeds dezelfde lokale toeschouwer? Of heeft de online verspreiding van kunstwerken een internationale toeschouwer van mij gemaakt die op twee of meer plaatsen tegelijk aanwezig kan zijn? Een hybride die heen en weer snelt tussen online en fysieke aanwezigheid, tussen ‘thuis’ en ‘weg’?

Angst, veerkracht, hopeloosheid

Tussen de golven van de pandemie door moest ik de Verenigde Staten ontvluchten om mijn zieke moeder te zien, niet wetende of ik als Griekse met een Amerikaans werkvisum wel zou kunnen terugkeren. Ik vloog naar Parijs en moest daarna de VS weer binnenkomen vanuit een niet-Schengenland. Ik wacht nu al veertien dagen in quarantaine op het postkoloniale Aruba, tot de Amerikaanse grenswachten mijn niet-immigratiegeval onderzoeken.

Ik dans sinds ik zes jaar oud ben. Ik ben nu 44, bijna 45. Deze tijd van lockdowns was de eerste keer in mijn leven waarop ik stopte met danslessen te nemen en met performen. Ook al was ik in het begin de weg kwijt, na een paar maanden paste ik me aan. Mijn dans metamorfoseerde tot videowerken die ik regelmatig projecteerde op het naburige gebouw in São Paulo. Ik maakte in totaal 42 projecties die ik ook online deelde, tot Instagram ze blokkeerde omdat ik de rechten op de muziek niet bezat. Ik kwam wat aan, rustte uit, las boeken die niets met mijn vak te maken hebben, leerde koken en naaien, en had geen last meer van mijn knie-, rug-, nek-, pols-, heup- en voetproblemen. Ik begon ook vroeg te slapen, heel vroeg, soms al om acht uur. Mijn man is acteur, en bijna al onze vrienden zijn kunstenaars, wat betekent dat we normaal gezien minstens twee voorstellingen per week bijwonen. Ik moet zeggen dat ik het vreselijk vind dat mijn oude leven terugkomt na vijftien maanden van minder dansen en meer slapen.

“Afkomstig van een plek waar het dagelijkse leven getekend is door mislukking, heb ik moeite om me thuis te voelen in de veiligheid van het Europese alledaagse.”

Plots was mijn tijd opgeschort. Ik moest mijn zoon uitleggen waarom hij zijn vriendjes van de eerste 37 maanden van zijn leven niet meer kon zien, degenen met wie hij vocht om speelgoedtreinen en die naast hem hun luier lieten verschonen. En waarom de speelplaatsen in Berlijn in rood afzetlint waren gewikkeld, alsof het scènes van een ecologische ramp of misdaad betrof. ‘s Ochtends in ons huis: boeken en bouwblokken, op elkaar gestapeld als kleine torens, bekroond met een kleurrijke knoop. Dat waren onze nieuwe steden. ’s Middags: ritjes met de fiets naar die ene grote eik die me elke keer uitslag bezorgde als ik erin klom (na een tijdje had ik alle takken en inkepingen onthouden die ik moest gebruiken om helemaal boven te komen – een nieuw soort voldoening in al zijn kleinheid). De gewoonten van dit nieuwe dagelijkse leven daagden mijn oude opvattingen uit. Ik begon het openbare leven dat ik vroeger leidde te zien als riskant, vol gevaar bij elke alledaagse handeling.

Afkomstig van een plek waar het dagelijkse leven getekend is door mislukking, had ik moeite om me thuis te voelen in de veiligheid van het Europese alledaagse. Een jaar voor de lockdowns begonnen, verliet ik Mardin, een stad aan de Syrische grens van Turkije. Ik raakte gewend aan deze ballingschap, aan mijn opgeschort leven en de rouw om een verloren land. Dat moet me een zekere veerkracht hebben gegeven om de pandemie in Parijs het hoofd te bieden. Zoveel noodtoestanden, zoveel lege straten heb ik op mijn weg al doorkruist. Een lockdown is tenslotte iets waar veel mensen in conflictgebieden mee leven, als onmogelijke toeschouwers die vastzitten in reële en virtuele ruimten. Ik ben er bijna onverschillig voor. Dat is geen kwaliteit om trots op te zijn. Het is eigenlijk triest dat ik niet gemakkelijk getroffen word door surreële contexten. Tegelijk ga ik te gemakkelijk mee met een nieuwe crisis, wetende dat die gevolgd zal worden door een andere en dan nog een. Ik geef de hoop op dat we op een dag, eindelijk, ergens in vrede zullen leven. Die hopeloosheid brengt een bepaalde verdraagzaamheid met zich mee die eigenlijk heel wrang is.

© Sadrie Alves

Mislukking, rouw

In de eerste weken van de grote terugkeer naar de theaters heb ik een paar avonden na elkaar voorstellingen van Ne mosquito pas bijgewoond. Ne mosquito pas is een los collectief van een veertigtal kunstenaars, waarvan velen omwille van werk en leven al dan niet tijdelijk in België verblijven. Elke avond bestaat uit vijf solo’s, telkens in een andere constellatie, die stuk voor stuk draaien rond persoonlijk, artistiek of professioneel falen. De slagzin van Ne mosquito pas luidt dan ook als volgt: ‘we gingen aan de slag met onze slechte ideeën en maakten ze nog slechter.’ Het presenteren van mislukkingen houdt een paradox in, omdat het de mogelijkheid van slagen impliceert. Heel wat van de solo’s zijn bijvoorbeeld bijzonder amusant. Tegelijk zijn ze telkens een vat vol tegenstrijdigheden: ze combineren frustratie met onverschilligheid, enthousiasme met droefheid, plezier met woede, volharding met depressie, cynisme met oprechtheid, doen met niet (zo goed) doen.

Een performer is groenten aan het hakken in plaats van ‘te dansen voor een grote choreograaf waarvoor ze naar België is verhuisd,’ zoals ze ons afstandelijk vertelt. Zoals zovele kombucha makende en met zuurdesem bakkende lockdowners kan ze alleen nog maar praten over eten. Een van die dingen waar we ons mee bezighouden wanneer we niet in staat zijn onze levens te leiden… Anderen vertellen hoe ze er niet in slagen om een baan te vinden of een artistieke carrière te ontwikkelen, hoe het hen niet lukt om rationeel te blijven denken, niet toe te geven aan sentimentaliteit, trouw te blijven aan idealen, zich ‘echt’ te bekommeren om de problemen die de wereld teisteren,…

“Er komt een soort rouw kijken bij de terugkeer naar het openbare leven, zelfs om dingen waarvan ik niet wist dat ik ze koesterde: rouw om ambities, verlangens, emoties, ideeën, relaties, vertrouwen in continuïteit of in de toekomst.”

Ik vraag me af waarom ik me zo aangetrokken voel tot deze avonden. Vermoedelijk heeft het iets te maken met de dubbelzinnigheid van dit moment. We zweven ergens tussen terugkeren en ons terugtrekken, tussen open en gesloten, vreugde en verdriet. Ook is er het verlangen om iets te behouden van de kalme en lege tijd, iets van de minder ambitieuze sfeer, die van het loutere ‘volhouden’ al iets wonderbaarlijks maakt. De recente herinneringen en ervaringen die ik met me meedraag als toeschouwer doen me anders kijken naar acties die ‘slagen’ in een voorstelling. Mijn toeschouwersgewoontes zijn verstoord. Ik kan niet langer toekijken, in het openbaar of in het theater, zonder me zorgen te maken over het verschuivende heden of de toekomst, die zich steeds in een toestand van crisis of mislukking bevinden.

Ondanks de bittere realiteit achter sommige solo’s schuilt in de meerderheid iets zachts en opens. Iets vriendelijks in al die ruwheid. Ze zijn elk op hun manier kleine portretten van de mensen die ze uitvoeren. We zien hun vreugdevolle strijd om te leren leven met die aspecten van hun artistieke praktijk of persoonlijke leven die ze hebben moeten loslaten. Waarschijnlijk is het dat wat zo sterk resoneert met mijn eigen ervaring van de terugkeer naar het (openbare) leven. Er komt een soort rouw bij kijken, zelfs om dingen waarvan ik niet wist dat ik ze koesterde: rouw om verlangens, emoties, ideeën, relaties. Rouw om vertrouwen in continuïteit of vertrouwen in de toekomst. Misschien heb ik de afgelopen maanden ook afscheid genomen van heel wat ambities. Ik mis ze, rouw om ze, maar tegelijkertijd moet ik ook lachen om alles wat ik wilde.

© Sadrie Alves

Activiteit, passiviteit, verandering

Iets doen en niets doen zijn het voorbije anderhalve jaar door elkaar geschud. We schakelden van overactiviteit naar een opschorting, ja zelfs een verbod op handelen. Een tijdlang kon ik niet verder denken dan de komende week. Nu moet ik een nieuw evenwicht zien te vinden – bang om te veel van de passiviteit te verliezen die ik ben gaan koesteren, bang om niet de energie terug te vinden om weer van ‘actie’ te genieten. Misschien ben ik gewoon in de war over wat actie nog betekent. Hoewel het idee van ‘niets doen’ misschien beelden oproept van luieren op de bank, kan ‘niets doen’ in feite nog steeds behoorlijk actief en uitputtend zijn. Zelfs toen we in quarantaine zaten en ons verveelden met een open agenda, deden we allemaal iets. Onze lichamen waren aan het overleven…

“Toen in New York werd aangekondigd dat de theaters weer open zouden gaan, voelde ik gelijktijdig opwinding en angst.”

Met de heropening van theaters in het vooruitzicht, bedenk ik me dat niets doen heel gemakkelijk kan omslaan in ‘alles weer opnieuw doen’. Precies zoals het was. Gewoontes zijn nu eenmaal moeilijk te doorbreken. Toen in New York werd aangekondigd dat de theaters weer open zouden gaan, voelde ik gelijktijdig opwinding en angst. Dit is het moment waar we op zaten te wachten! Tijdens de langdurige sluiting kwamen gesprekken die al lang gaande zijn tussen specifieke theatergemeenschappen extra in de schijnwerpers te staan, onder meer dankzij het werk van groepen als We See You, White American Theater1. Er ging een gevoel van voorzichtige hoop gepaard met de frustratie van gesloten theaters: wat zou er kunnen gebeuren als we terugkeerden? Zouden we echte veranderingen zien in de richting van meer inclusiviteit en gelijkheid? Zou het theater toegankelijker worden voor een breder publiek? De sluiting bracht een gevoel van potentialiteit met zich mee, maar het is goed mogelijk dat het niets doen nu kan omslaan in de teleurstelling dat er niets is gebeurd. Dat er een gebrek aan verandering is geweest.

Stilleven

Ik verliet mijn land om een performance te zien met betrekkelijk weinig liveness. Anne Imhofs Natures Mortes (Stillevens) laveert, zoals de titel al aangeeft, tussen leven en niet-leven, stilte en beweging, in een poging de urgentie van het huidige moment te vangen. De tentoonstelling in het Palais de Tokyo in Parijs wil een multizintuiglijke ervaring zijn. Ze zoekt de spanning op tussen de visuele objectiviteit van schilder- en installatiekunst enerzijds en de levendigheid van performance anderzijds.

De centrale installatie is een glazen doolhof dat doet denken aan de setting van Jean Genets toneelstuk Les Paravents (De Schermen, 1961). Daarin doorkruist de wereld van de levenden die van de doden in zeventien scènes die zich afspelen tussen verschillende schermen op het podium. Ook in Natures Mortes is het belangrijkste scenografische constructie-element een glazen scherm, naast een selectie van kunstwerken van verschillende kunstenaars. In een tekst naar aanleiding van de tentoonstelling merkt schrijver Paul B. Preciado op dat in Imhofs doolhofinstallatie ‘glas niet de mimetische inscriptie (is) van een industriële designesthetiek in de tentoonstelling, maar, geheel integendeel, een ruïne van de epistemologie van het patriarchaal-koloniale kapitalisme.’ Dit is het probleem van de hedendaagse conditie: we hebben het glas wel gebroken, maar we blijven er slechts doorheen kijken. We zien alleen de ondoorzichtigheid van deze vorm van transparantie. En hij concludeert:

Wij zijn fantasmagorisch
We zijn geboren ergens tussen de club en de catwalk
Tussen het winkelcentrum en Armageddon
We zijn melancholisch ten opzichte van een vrede die we nooit gekend hebben.
Ons narcisme is dat van de waan van sociale verlossing
We baden in de vulgariteit van het dagelijkse leven dat zij, de generatie
van goedbedoelende linkse neoliberale ouders, voor ons bouwden
We slagen er niet in om van de Planeet te houden zoals zij hem hebben achtergelaten, gebroken en verstrooid, en toch,
in tegenstelling tot onze ouderen, proberen we

Natures Mortes weekte ideeën los die me al voor de pandemie sterk bezighielden. Als ‘performance’ – in de zin van performantie, zichtbare prestatie – een manier is om succes te meten in kapitalistische termen, dan beveel ik als onmogelijke toeschouwer geen eenvoudige terugkeer naar performance aan. Ik neig meer naar een model van geanticipeerde performance, een performance die nooit plaatsvindt, verwant aan geanticipeerd verdriet – ‘solastalgia’, een nostalgie naar iets wat in de toekomst verdwenen zal zijn.

Het is een gevoel dat nu leeft in relatie tot de klimaatcatastrofe, maar dat ook in relatie tot performance kan ontstaan. Rouwen om iets wat niet meer zal zijn, ook al gebeurt het nog. Is dit dan een aanleiding tot onttovering of juist herbetovering? Die geanticipeerde rouw waart ook doorheen Imhofs Natures Mortes. Ze is het resultaat van die spanning tussen beweging en stilstand, tussen beeld en performance. Hier bewegen we ons voort achter glas en kijken naar de kunstwerken aan de andere kant, alsof we ons onder een stolp bevinden. Als toeschouwer door het glazen doolhof gaan betekent een beetje onmogelijk worden: je verwordt tot beeld, museumstuk, object. Je wordt je eigen Medusa’s blik, je versteent jezelf. Ik vraag me af of die zelfopschorting misschien die kortsluiting is die ik nodig heb om een ander pad te bewandelen? Om niet langer een uitweg te zoeken uit het doolhof maar het verdwaald zijn te ervaren als het hoogste goed?

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Renata Gaspar, Sozita Goudouna, Nilüfer Ovalıoğlu Gros, Jan-Tage Kühling, Eero Laine, Sarah Lucie, Juliana Moraes, Evan Moritz, Malin Palani, Kristof van Baarle

Kristof van Baarle is onderzoeker en dramaturg, werkzaam in België.

Renata Gaspar is kunstenaar en onafhankelijk onderzoeker, werkzaam in Portugal.

Sozita Goudouna is een Griekse adjunct-professor, onderzoeker en curator die werkt in New York City.

Nilüfer Ovalıoğlu Gros promoveert aan het Nationaal Conservatorium voor Dramatische Kunsten in Parijs op een praktijkgericht onderzoek naar visceraliteit in de performance van vrouwen.

Jan-Tage Kühling is onafhankelijk onderzoeker en werkt momenteel als performancewetenschapper aan de Freie Universität Berlin.

Eero Laine werkt aan de Universiteit van Buffalo, State University of New York.

Sarah Lucie is docent, onderzoeker en redacteur in New York City.

Juliana Moraes is assistent-professor aan de Campinas State University, in Brazilië.

Evan Moritz doctoreert aan de Universiteit van Toronto.

Malin Palani werkt vanuit Waterloo, Iowa en Minneapolis, Minnesota in de VS.

essay

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!