‘Maria Magdalena’ – Jan Decorte/ Kaaitheater – Foto Willy Dee

Theo Van Rompay

Leestijd 4 — 7 minuten

De noodzaak van een vuistslag

Een balans van vier Kaaitheaters

Het eerste Kaaitheater werd in 1977 georganiseerd op de Arduinkaai achter de KVS, waarvan het 100-jarig bestaan als directe aanleiding fungeerde. Drie festivals en zes jaar later kan een terugblik nuttig zijn. Wat zit er nog in het geheugen gegrift van die vorige festivals? Is er enige uitstraling te bemerken op het Vlaams theater? Welke tendensen tekenen zich in de eerste festivals af? Wat is uiteindelijk de relevantie van zo’n theaterfestival? Vele vragen die niet al te affirmatief kunnen beantwoord worden omdat vermeende relaties niet bewijsbaar zijn, hoogstens aanwijsbaar, en omdat de invloeden wederzijds zijn. Een festival is niet alleen motor maar ook uiting van een theatervoorstelling.

Tekenend voor de voorbije jaren is alleszins de aard, het imago van de diverse Kaai-edities. In 1977 was haast alle niet-officieel theater in Vlaanderen nog als vormingstheater te beschouwen. De dynamiek viel dáár te situeren. Kaaitheater 1977 was in eerste instantie een internationaal forum voor dit sociaal bewogen én artistiek relevant werk, van de agit-prop van het Kollectiv Rote Rübe (D) tot het symbolisch politieke Teatr Stu (P). De meeste voorstellingen vonden betekenisvol plaats in een tent of in openlucht.

Kaaitheater 1979 was het meest van al een ‘festival’, bedoeld als een attractieve gebeurtenis. De vernieuwing, de grensverlegging, het multimediaal karakter vormden de beleidskeuze, maar de lading werd hier slechts gedeeltelijk door gedekt. De programmamotiveringen bleken veel uiteenlopender. Er was een zogenaamd alternatief theater dat duidelijk op zijn retour was (Théâtre de la Jacquerie (F), National Theatre of the Deaf (USA)); er zat door de riante steun van het 1000-jarige Brussel ook iets megalomaans in: internationale kleppers als Bob Wilson (USA) en Lindsay Kemp Company (GB); en de habitués van de zomerfestivals mochten ook niet ontbreken: Carlos Trafic (Arg), Jango Edwards (GB). Kaaitheater 1979 haalde zijn grootste verdienste uit de productieopdracht aan de Spanjaard Salvador Tavora. Andalucia Amarga was een hoogvlieger. Ondanks de ongeprofileerdheid van het geheel was in 1979 de klaarblijkelijke impact op het publiek het grootst: men viel immers van het ene uiterste in het andere. De discussies waren talrijk en heftig.

In 1981 werd een uitzuivering merkbaar: minder mime, geen direct-politiek theater meer, het individu staat veel meer centraal, rechtlijnigheid moet plaats ruimen voor complexiteit. Twee markante feiten: er wordt voor het eerst dans geprogrammeerd (Bremer Tanztheater – D, Min Tanaka – J) en de eigen productie wordt een Vlaamse productie: Maria Magdalena in een regie van Jan Decorte.

Smaakmaker

Met deze keuze helpt het Kaaitheater een aantal ontwikkelingen op gang zetten die een wezenlijk alternatief bieden voor het routineuze en vervelende lopende-bandwerk dat sinds jaren in de Vlaamse schouwburgen afgeleverd wordt. Kaaitheater 1983 is daar ondertussen de eerste manifeste uitdrukking van geweest. Op een moment dat theaterland België voor het buitenland nog steeds synoniem is voor het tien jaar oude Mistero Buffo (dat ook al buiten de bestaande structuren tot stand kwam), presenteert het festival drie Vlaamse producties die op geen enkele buitenlandse affiche zouden misstaan, meer nog: die tot de absolute top van het Europese theater behoren. Als we daar nog het ondertussen internationaal geroemde Radeis aan toevoegen -een groep die eveneens met hart en ziel aan dit festival verbonden is -dan mag dit als een eerste onloochenbare verdienste genoteerd worden. Of: in wat zich anno 1983 als manifeste kwaliteit in het Vlaamse theater aandient, is het Kaaitheater als wegbereider en/of organisator rechtstreeks aanwezig: Jan Decorte en HTP, Anne Teresa de Keersmaeker en Rosas, Jan Fabre, Radeis.

In de tweede graad werkt dergelijke enthousiaste keuze van een festival aanstekelijk op alles wat zich in de marge van het officiële theater aandient. Als de laatste jaren de vrije producties als paddestoelen uit de grond gerezen zijn, dan is dit mede een gevolg van een gewijzigd klimaat waar o.a. het Kaaitheater (ook door zijn stimulerende en activerende rol tussen de festivals door) aan ten grondslag ligt.

Een volgende belangrijke ontwikkeling betreft de dans. Op Kaaitheater 1983 waren vier dans-producties te zien, in 1981 stonden er drie geafficheerd. Terwijl in de ons omringende landen, in navolging van de Verenigde Staten, de dans één van de meest relevante kunststromingen geworden is, spreekt men in België nog steeds maar over ballet. Eén schitterende productie van Anne Teresa de Keersmaeker (Fase, 1982) bleek voldoende om aan te tonen dat ook hier het publiek al te lang op een dansaanbod heeft moeten wachten. Kaaitheater is hier, samen met enkele receptieve instellingen, duidelijk smaakmaker geworden.

Het Kaaitheater poogt ook een inzicht te geven in de nieuwste internationale theaterevoluties. Een aantal topics van de vorige festivals zijn reeds aangegeven. In 1983 was dat – behalve de dans – de hernieuwde, hedendaagse, concreet-persoonlijke en realistische aanpak van de toneelklassiekers. Jan Decorte, Gerardjan Rijnders en Jürgen Gosch versus Shakespeare, Tsjechov en Molière. Meer algemeen was er dit jaar, net zoals in 1981, dikwijls een kwetsbare en individuele maar sociaal betrokken opstelling van de theatermaker.

Het kondigt de neergang van het theater als ‘instituut’ aan en legt de nadruk op de artistieke integriteit.

Vuistslag

Behalve een rechtstreeks aanwijsbare artistieke invloed op het Belgische productievlak, een gangmaker in de hedendaagse dansbeweging en een inhoudelijke standpuntbepaling, heeft het Kaaitheater voor het ruime publiek steeds beter enkele ‘typische’ festi-valtaken waargenomen. Enerzijds de introductie van belangrijke buitenlandse groepen in België: een confrontatie met de buitenlandse top. We denken aan La Cuadra de Sevilla (E) in 1977; Lindsay Kemp Company (GB) in 1979; The Wooster Group (USA) en Bremer Tanztheater (D) in 1981; Schauspielhaus Köln (D) in 1983. Anderzijds de presentatie van polemische voorstellingen, die het kijkgedrag van het publiek ondermijnen, de verstarring tegengaan en de verwarring bevorderen. Zoals Stuart Sherman (USA) en Bob Wilson / Christopher Knowles (USA) in 1979; Mike Figgis (GB), Il Carrozzone / Magazzini Criminali (I) en Maria Magdalena (B) in 1981; HTP (B), Jan Fabre (B), Steve Paxton (USA) en Globe (NL) in 1983.

Hiermee zijn de belangrijkste invalshoeken om de relevantie van dit theaterfestival te toetsen, aangegeven. Het is duidelijk dat het Kaaitheater én als internationaal forum én als nationale gangmaker in nauwelijks vier festivals een flinke staat van verdienste kan voorleggen. Dat die buitenlandse selectie steeds nauwer aansluit bij en in discussie staat met de Belgische producties is een verheugende vaststelling. Het profileert dit festival steeds meer en dwingt toeschouwer en recensent tot standpuntbepaling. Als er verder gewerkt wordt in de lijn van Gosch, Rijnders, LeCompte, Gray, Miller, Paxton, Fabre, de Keersmaeker en Decorte, dan wordt Kaaitheater 1985 niet alleen een festival dat inzicht bevordert, kwaliteit promoveert en discussie aanwakkert, maar bovendien ook een vuistslag is in het gezicht van iedereen die niet kijken wil.

Is dat niet wat we nodig hebben?

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Theo Van Rompay