‘De Mensenslinger’ (Van Dijck/Mistiaen) Foto C.M. Ryckeboer

Sigrid Bousset

Leestijd 4 — 7 minuten

De mensenslinger

STUC, Leuven

Dit is het nawoord van Henri Michaux (1899-1986) tot zijn verhalenbundel Plume (1938) : “We willen te graag iemand zijn. Er bestaat n iet één ik. Er bestaan geen tien ikken. Er bestaat geen ik. Ik is niet meer dan een evenwicht (één van de duizend die voortdurend mogelijk en bereikbaar zijn). Een gemiddelde van ‘ikken’, de beweging van een menigte. Uitnaam van velen onderteken ik, dit boek.

Plume is tevens de naam van het enige personage dat deze Frans-Belgische auteur ooit schiep. Andere verhalen en prozagedichten worden bezet door niet nader geïdentificeerde ‘ikken’, onsamenhangende brokjes van een uiteengevallen persoonlijkheid. Van een auteur die schrijft en leeft in een modernistisch klimaat, die zich nauw verwant voelt met het surrealisme en de exploratie van het onderbewuste, verwacht je een denk- en schrijfactiviteit die gespletenheid tot eenheid poogt te brengen, vorm en structuur poogt aan te brengen in een vormeloze veelheid, met ‘ikken’ een stabielere ‘ik’ poogt te reconstrueren. Niet Michaux : synthese kan voor hem – paradoxaal genoeg – slechts via balans verstoring; evenwicht kan slechts in een zeldzaam moment worden bereikt via die ongrijpbare stroom van ontelbare emoties, stuwingen, bewegingen uit het onderbewuste. Een verrassend actuele beleving van de realiteit.

Bruno Mistiaen – bekend als videomaker – en Dirk Van Dijck – acteur – delen een gemeenschappelijke affiniteit met de verhalen van Michaux : reisverhalen – echte en imaginaire – en teksten geschreven onder invloed van mescaline en LSD, reizen onder de huid, de begrenzing van het eigen lichaam. De Mensenslinger, zo heet hun eerste gezamenlijke produktie, brengt een acteur op een podium in contact met een reeks tekstfragmenten. Een directe confrontatie tussen beide is echter niet zichtbaar : de acteur fungeert als doorgeefluik, hij vervult de nederige taak de teksten ‘slechts’ verder te vertellen, in een kader van directe doorlaatbaarheid. De gedurfde eenvoud van de voorstelling laat de paradoxen, eigen aan het werk van Michaux – verstrooiing en concentratie, stroming en fixatie, impulsen en bewustzijn – onmiddellijk tot hun recht komen; een rechtstreekse confrontatie tussen tekst en publiek.

Hoewel, als binnenkomende toeschouwer word je naar het universum van Michaux geleid via de acteur, op het onrustige, obstinate ritme van de tamtam die hij bespeelt : hij vertraagt, versnelt, bezweert. Een burgerlijk uitziende, gekostumeerde man met een vierkante bril waardoor hij kijkt, voorbijkijkt, onderzoekt. Michaux’ alternatief voor de structurerende activiteit van het bewustzijn is immers de bezwering, de magie, de geestelijke concentratie. Na een lange stilte, tamtams in onze hoofden, zegt de acteur, Van Dijck, dat prachtige verhaal : “Vroeger was ik erg nerveus. Nu bewandel ik een nieuwe weg: ik leg een appel op tafel. Daarna ga ik in die appel zitten. Wat een rust ! Het lijkt eenvoudig, maar ik heb 20 jaar geprobeerd. Toen ik in de appel aankwam, was hij door en door koud.” Zoiets, ik parafraseer. Om tot rust te komen waren er eerst experimenten, zoals éénworden met de Schelde, maar elk ver trekpunt, elke poging tot uitleg, betekent lijden. Van Dijck kondigt aan enkele dingen aan elkaar te zullen vastknopen : een bouwstuk van 70 minuten.

De gemaakte aankondiging doet je onvermijdelijk een samenhangend verhaal verwachten dat je stapsgewijs, over een periode van 20 jaar, van het ene punt naar het andere zal leiden : van de nerveuze onrust naar de rust in de appel, van een chaotische veelheid van impulsen naar een gestructureerde synthese die weliswaar enkel bestaat bij gratie van de taal. Echter : taal is slechts een verzameling van terzijdes, eigen instructies en commentaren. ‘Een theaterstuk bestaat alleen uit terzijdes”, zegt Van Dijck. Inderdaad: via omwegen poogt hij de essentie, voor zover die bestaat, te omsingelen. “Het reële wordt altijd overtroffen door het essentiële”, zegt Michaux. Zowel voor de acteur als voor zijn publiek is het zoeken een duizelingwekkende tourbillion, en geen rechtlijnige weg zoals aanvankelijk werd aangekondigd.

Gevangen zijn is de essentie van een gevangenis. Ook zonder slot en tralies kan je opgesloten zijn, in je lichaam bijvoorbeeld. Lichamen vallen dan uiteen in de verhalen die Van Dijck vertelt: ze vergroten, verkleinen, verbrokkelen, worden verbrijzeld, doorgezaagd. Tot de verstrooiing tot stand wordt gebracht, de cirkel verkleint en een spiraal wordt die priemt in de hoogte, of in de diepte onder de huid. De concentratie die daaraan ten grondslag ligt, wordt zelfs gehanteerd bij banaliteiten zoals tandpijn : zaak is eerst de juiste plek van de pijn te vinden, die dan te omsingelen, terug te dringen op een klein gebied en niet los te laten voordat de pijn verdreven is. Toch mag de mens, die in essentie een punt is, niet in de circulaire draaikolk komen van weer andere, omsingelende punten. Tussen twee periodes van lijden, vertelt een ik, hangt mijn ziel als aan een touwtje tussen hemel en aarde; een zeldzaam moment van geluk, het resultaat van een mystieke, verticale beweging uit het lichaam.

Die tegenstellingen tussen horizontaal en verticaal, tussen binnen en buiten, het gevecht met de eigen begrensdheid, wordt op zeer subtiele en uiterst effectieve wijze gesymboliseerd door de bloedrode goudvis in het aquarium, dat achteraan op de witbetegelde vloer staat. De onmogelijkheid om een horizontale rechtlijnige weg af te leggen, de obstinaatheid waarmee de vis tegen het glas botst, zich spiegelt, samenvalt met zichzelf en weer een uitweg zoekt, verticaal nu, om adem te happen, uit die vierglazige begrensdheid te treden die hem dwingt tot zelfconfrontatie. De aanwezigheid van de vis in het aquarium is veel méér dan een illustratie van het zinnetje “Mijn ziel vliegt niet, ze zwemt”. Inhoudelijk is het een metafoor voor de innerlijke wegen en botsingen die Michaux bezighouden; vormelijk is het minimale karakter van die vismetafoor exemplarisch voor de manier waarop acteur Dirk Van Dijck aanwezig is. Bewegingloos staat hij voor de toeschouwers en vertelt. Variaties in gelaatsuitdrukkingen en stemintonatie zijn het harmonische resultaat van wat het vertelde in de acteur teweeg brengt, zijn begrip van de materie. Een armbeweging is haast een beweging te veel. Het tevoorschijn halen van een notitieboekje is een overbodig, doch geen storend element. Van Dijck is op zijn mooist wanneer hij gewoon voor ons durft te staan; zoals de boom die Michaux zou willen zijn : “het bewegingloze dat toch leeft en tot voltooiing komt”. De Mensenslinger getuigt van een zeldzaam evenwicht tussen bewegingloosheid en beweging : de stille kracht van het niet-bewegen.

De Mensenslinger (naar H. Michaux).

Bewerking en regie : Bruno Mistiaen.

Spel : Dirk Van Dijck.

Assistentie : Annemie Vanackere.

Produktie : Stuc, De Vereniging van Enthousiasten voor het Reële en het Universele, Arts & Images, WC de Brakke Grond.

Gezien in het Stuc te Leuven op 10 en 13 oktober.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#32

15.12.1990

14.03.1991

Sigrid Bousset

recensie