Bart Meuleman

Leestijd 8 — 11 minuten

De leraar schrijft een opstel

Lesgeven op een toneelschool

Auteur en theatermaker Bart Meuleman geeft les aan de afdeling Kleinkunst van het Conservatorium in Antwerpen. Je geeft les op een soort toneelschool, een plek waar men leert toneelspelen. De stiel is zo verknoopt met het leven dat hij als spiegel van dat leven geldt.’ Vanuit zijn praktijk schreef hij volgende tekst.

De leerling komt uit de kamer waarin hij lesgeeft
en de leraar vraagt hem: wat leg je hun vandaag uit?
Na het antwoord zegt de leraar:
dat is niet zoals ik het jou uitgelegd heb.

De leraar zegt: ik durfde mijn leraar niet te vragen
om dat uit te leggen en daarom
verborg ik mij een nacht lang onder zijn bed
en luisterde, maar jou heb ik het uitgelegd.

Zij gaan de kamer weer binnen en om de beurt
stellen zij vragen aan de leerlingen
die zonder met elkaar te spreken gewacht hebben
en elk antwoord maakt de leraar meer moe.

Nachoem M. Wijnberg, uit: Is het dan goed

1. Autoriteit
Ze imiteren je soms achter je rug, als je er niet bij bent. Vooral dat laatste is van belang; in je aanwezigheid zouden ze het nooit doen. Of toch, die ene keer, toen je het uitdrukkelijk aan een van hen vroeg. ‘Laat eens zien hoe jullie me nadoen dan.’ En hij, of was het een zij, deed je na toen, schaapachtig lachend, ongeïnspireerd, niet overtuigend, veel slechter dan toen ze je werkelijk nadeden, toen je er zelf niet bij was. Naar het schijnt kunnen sommigen je erg goed nadoen, ze kennen je tics en je houding en kiezen tussen alle woorden die je vaak gebruikt feilloos diegene waarmee ze je op één twee drie als een karikatuur kunnen neerzetten. Is hiermee gezegd dat je autoriteit hebt? Imitatie is een beproefde methode om autoriteit onderuit te halen. Tegelijk bevestigt ze het gezag van het voorwerp van spot, een dictator is er nog nooit voor op de vlucht gegaan.

Wie lesgeeft wordt vroeg of laat gedwongen om na te denken over autoriteit, en ongeacht zijn houding daartegenover, zal hij moeten inzien: autoriteit is een gegeven waar je niet aan kunt ontsnappen. Het is er wanneer de leerling voor het eerst binnenstapt in het leslokaal en het blijft duren, in een ongemakkelijke restvorm, wanneer de leerling de school al lang heeft verlaten. Dat voel je wanneer je hem of haar nog eens tegenkomt. In een beroepssituatie, bijvoorbeeld, wanneer hij of zij iets heeft gemaakt en je vindt dat je toch maar eens moet gaan kijken. Hij of zij wil ongetwijfeld weten wat je ervan vond, maar stelt de vraag liever niet. Zelf ben je ook niet honderd procent op je gemak. Omdat je je aanwezigheid als een halve verplichting ziet? Omdat wat de leerling toonde op een halve teleurstelling is uitgedraaid? Een geluk dat het publiek zo enthousiast was, die menigte van mensen, waar de leerling en jij, in die unieke verhouding, buiten staan. Of je komt de leerling tegen in een andere situatie, en hij of zij, werkloos, hoopt angstvallig dat je vragen over de toekomst zult vermijden. Als het toch gebeurt, uit onhandigheid, of omdat je het precaire en ongepaste van de vraag vergeten was, komt er als antwoord een kort verslag vol hortende onduidelijkheden. Het beeld van de mislukking doemt op. Je ontkomt niet aan de gedachte, al is het maar een moment, dat je hier mee schuld aan hebt. Heb je ook schuld? In geen geval. Voel je de schuld? Het is lastig om eraan te ontkomen. Speelt de herinnering aan de stelligheden die je soms debiteerde tijdens de les daar een rol in?

Tussen de aanvang van de leerperiode en het verlaten van de school heeft de autoriteit een rijping doorgemaakt. Van een voor beide partijen zomaar te aanvaarden blind en kleurloos gegeven, kreeg ze stilaan karakter, bloeide ze open, groeide ze uit tot een idylle, was ze onderhevig aan crisissen of misvormde ze tot een ongezonde adoratie – een leerling kan zijn lot soms in je handen willen leggen als een eierdooier onder een hamer, met de smekende blik om alstublieft niet te slaan. Wat er ook gebeurt: altijd blijft er afstand. Ook onze informele tijden kunnen de kloof niet dichten. Ze scheppen hoogstens tijdelijke verwarring, die op de meest ongelukkige momenten ontraadseld kan worden – op het moment van het eindoordeel, bijvoorbeeld.

Eens leraar, altijd leraar. Eens leerling, altijd leerling. Het regime van de autoriteit, als het eenmaal geïnstalleerd is, kan nooit meer ontvlucht worden. Ook al wordt de autoriteit zuur of ranzig, ook al slaat ze om in wrok, rancune, haat, vadermoord. De verhouding leraar-leerling, hoe afhankelijk ook bij aanvang van het stomste toeval, is er voor het leven. Net zoals voor ouders of vrienden kiest men niet voor zijn leraar. Men wordt hem toegeworpen.

Hoe manifesteert autoriteit zich? De leerling komt binnen en is in een gespannen afwachten over wat je gaat zeggen. Niet het waarheidsgehalte of de overtuiging van wat je zegt telt, wel de spanning en daardoor het ongemak die het veroorzaakt. Het spreken van de leraar brengt automatisch onevenwicht; het onevenwicht gaat aan het spreken zelfs vooraf. Het is de context waarin er gesproken wordt. Soms wordt dit onevenwicht weer in balans gebracht, door een goed woord op het juiste moment, een kreet van verlichting, de inslag van een bliksem. Maar altijd binnen het eindeloze proces dat lesgeven is. Wie lesgeeft kan geen revolutionair zijn. Hij is gedwongen te geloven in trage veranderingen.

2. Lesgeven

Wie les geeft, moet hoe dan ook willen overdragen. Feiten, kennis, inzichten, artistieke raad, een levenshouding. Voel de stijgende ambitie in deze opsomming. Maar het geloof in die wil faalt vaak. Het is een sputterende motor, waaruit plots steekvlammen kunnen schieten, tot het ding weer eens stilvalt. Het geloof in de overdracht, met andere woorden, bevindt zich in een permanente crisis. Mocht dat geloof ontbreken, dan zouden we moeten spreken van cynisme – het wortelrot van de pedagogie. Zou dat geloof bestaan zonder zichzelf in vraag te stellen, dan was er sprake van naïviteit. Helemaal zal het lesgeven beide gevaren niet kunnen vermijden, maar haar grondslag moet die van de luciditeit zijn. Het nuchtere, wat achterdochtige stellen van de vraag: waar ben je eigenlijk mee bezig?

Overdracht is geen lineaire operatie. Het gaat niet om het doorgeven van kwantificeerbare eenheden van A naar B, wat de steriele politiek van de eindtermen ons ook wil doen geloven. Ware overdracht situeert zich juist buiten de controle, vaak tot wanhoop van de lesgever. Hoe vaak gebeurde het niet dat je, aangestoken door een klein detail, een verdwaasde vraag, een nieuwsgierige blik van de leerling, jezelf in gang voelde trappen, eerst nog aarzelend en zoekend naar woorden, dan feller en steviger, een heel verhaal ontvouwde, waarin je met volzinnen en tussenwerpingen, via zijsporen en bijverhalen goed de hoofdgedachte wist te vatten, om uiteindelijk dat ene punt te bereiken, een punt dat je slechts kon benoemen op het moment dat je er belandde. Het eindpunt. De essentie. Een regel voor het leven, in een vederlichte legering van improvisatie, intuïtie en ervaring. En je zag hoe je de leerling, betoverd door zoveel spraakkunst, iets hoorde denken. Automatisch en met voldoening wist je: je hebt hem geraakt, je hebt iets door kunnen geven. Iets wat je zelf ooit hebt doorgekregen. En met de nodige pathetiek verwoord je het zo voor jezelf: het spoor van de wijsheid, je hebt het een eindje verder kunnen trekken. Veel later hoor je de leerling nog eens terugblikken op zo’n intens pedagogisch moment. Blijkt dat het niet je essentie was die hem zo begeesterde, het orgelpunt van je uiteenzetting, maar een detail in een van je nevenverhalen. En hij benadrukt wat dat moment voor hem betekende. Hoe de wereld voor hem openging en hij voelde dat hij even iets kon aanraken, grijpen. Je begrijpt het half, maar eigenlijk helemaal niet. Maakt dat je blij of ben je teleurgesteld? Waarom is het niet gelukt zoals je het wilde? Wat precies is er door je vingers geglipt? Hoe moet je daar mee omgaan? Nee, lesgeven is niet wat je dacht dat het was. Het is, in het goede geval, een productieve keten van misverstanden. Hoe heb je zelf begrepen wat anderen destijds aan jou wilden overdragen?

3. Waarom je lesgeeft

De leerling kan niet begrijpen wat je bedoelt. Hij kent de context van je spreken niet, die hele wereld die soms vervat zit in enkele van je zinnen. Dat is, hoe je in je eigen leven gegroeid bent geraakt, de lessen die je zelf hebt geleerd, je obsessies, je tics, je blinde vlekken. Je wilt het de leerling helemaal oplepelen, keer op keer. Je wilt hem vullen, bezetten, bezitten, het erin rammen, bij iedere kans die zich voordoet. Maar hoe hard je ook roept en tiert, hortend en stotterend, de leerling hoort het niet. Je roept het enkel inwendig. Zijn onbewogen schapengezicht is alles wat je ziet. Toch heeft hij iets gehoord – hij hoort zoveel beter dan je denkt –, je kunt alleen niet weten wat. Hij weet het zelf niet. Wat hij hoort, in het goede geval, zal maar zoveel later ergens neerkomen, met een plof op een verre akker. Het is de nieuwsgierigheid naar wat dat kan betekenen die je als leraar aan de gang houdt.

In die nieuwsgierigheid schuilt je vervreemding van de lessen die je zelf zo goed hebt onthouden, lessen van jaren geleden. Als je probeert te begrijpen wat de leerling heeft begrepen, voel je in het verschil het wegschuiven van elkaar. Twee skilatten die elk een andere kant opgaan. Soms denk je ook: het wegschuiven van de leerling en je eigen stilstand. Het is eerder zijn tijd dan de jouwe, deze tijd. Maar misschien is dat te somber. Te kinderachtig.

Vervreemding kan een nare gewaarwording zijn, maar voor wie niet in rust gelooft en zich aan het plotse veranderen van een richting kan overgeven, biedt ze ook mogelijkheden. Vervreemding betekent: niet meer samenvallen met jezelf. In staat zijn om, al was het maar in een fractie – het is meestal maar in een fractie – jezelf te zien, te midden van je beperkingen, je benauwenissen. En je kent hem wel, de vrolijke slogan, ‘ik geef les om zelf bij te leren’, zo schaamteloos in zijn ondubbelzinnigheid, zo lelijk in zijn valse bescheidenheid. De spreker van dienst zet er zich onmiddellijk mee uit de wind. Dat zou minstens moeten veranderen in: ik geef les om beter te begrijpen wat ik zelf heb geleerd, en om te beseffen dat ik het daarmee moet doen. Een jarenlange oefening in het afbakenen van je eigen terrein is het, en het aanvaarden van de terreinen van anderen. Van anderen? Van ‘jonge mensen’. Die afschuwelijke manier om het zo te zeggen. De onschuld die erin vervat zit, en de agressie, straks, als ze het roer definitief van ons hebben overgenomen. Kinderachtig, al te kinderachtig. Alweer.

4. De toneelschool

Het woord toneel is nog niet gevallen. Je geeft les op een soort toneelschool, een plek waar men leert toneelspelen. De stiel is zo verknoopt met het leven dat hij als spiegel van dat leven geldt. Maar het is een vervormende, een bedrieglijke spiegel. Haast altijd staat de stiel in een slecht daglicht: ‘Hij speelt theater.’ ‘Het is maar komedie.’ Over acteurs zei je leraar ooit: vertrouw geen mensen die op een podium willen staan. Die uitspraak heb je vervelend genoeg nooit kunnen afschudden, ze kleeft als kauwgom onder je schoenzool. Vaak genoeg vroeg je je af hoe letterlijk je ze moest nemen. Uiteindelijk heeft een onverwacht inzicht je verlost, je hebt het pendant gevonden waarmee je de vloek kon bezweren. Want wie zijn de jongens en meisjes die je mee opleidt? Zijn het brutale monden, barstende ego’s die zich later avond na avond zullen laven aan de stomme adoratie van een publiek (getuigenis à charge)? Misschien. Soms. Het zijn ook iele persoonlijkheden die bij de minste trilling uit hun evenwicht kunnen geraken (getuigenis à décharge). Maar bovenal zijn zij diegenen die deden wat zovele anderen niet konden, durfden of mochten: denken aan emotie en opwinding als er gekozen moest worden voor een beroep. Ze vormen die kleine groep met een ambitie waar ontelbare anderen van blijven dromen, soms een leven lang. ‘Had ik de kans gekregen, ik zou ook.’ ‘Ik kon het, maar ik mocht niet.’ Kunstenaars zijn de heimelijke dagdroom van zovele gewone mensen als ze alleen zijn met zichzelf en hun geknakte verlangens herdenken. Juist die herdenking helpt hen zich overeind te houden (plaatsing van het probleem in een breder kader). Ziedaar het maatschappelijk nut waar de cultuureconomen van vandaag de onbetaalbaarheid maar eens van moeten berekenen om nadien voor altijd te zwijgen. Misschien is dat waar je, samen met je collega’s, je leerlingen toe opleidt: dat zij het befaamde gras zijn aan de andere kant. Voor de anderen, niet voor zichzelf. Het blijft een stiel die, naast zijn privileges, toch ook zijn routines, zijn grilligheden, zijn mislukkingen en zijn slechte verloning kent.

Maar als ze voor je zitten, met een blik tussen verwachting en onverschilligheid, en alles is nog mogelijk, voel je soms een vage liefde, een onbestemd geloof. Het duurt op zijn minst zolang ze op school zitten. Hoe achteloos niet verdwijnt soms je interesse als ze het echte leven in stappen.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

essay
Leestijd 8 — 11 minuten

#119

01.12.2009

30.06.2008

Bart Meuleman