‘De lege cel’ (Het Nieuw Genker Toneel)

Leestijd 68 — 71 minuten

DE LEGE CEL

René Swartenbroeckx

Creatie op 26 september 1981 door het Nieuw Genker Toneel in een regie van Willy Vanheesvelde

(Eén decor met drie speelvlakken. Rechts, de woonkamer van Depoorter met fonddeur, een trap naar boven, een deur naar de keuken. Muren worden aangegeven door decorstukken, die suggestief verder lopen. Meubelen: canapé, tafel, 4 stoelen, kastje met telefoon en platenspeler. Kitcherig. In het decor neemt de woonkamer van Depoorter de grootste plaats in. Links achter, op een hoger vlak, een hoekje van de woonkamer van Keiman. Fonddeur. Die leidt naar een gangetje vanwaar je én naar buiten én naar boven kunt gaan. Meubelen: tafeltje, drie stoelen, kastje of rekje. Ramen in de woonkamers kunnen worden gesuggereerd. Voorplan links: bankje. Hier speelt het buit enge beuren zich af. De drie speelvlakken kunnen afzonderlijk worden belicht. Ook voor Hilde, die het verhaal vertélt, is een lichtbron voorzien voor als zij uit de toneelhandeling stapt (1 op bank en 1 in woonkamer) Indien de ruimte groot genoeg is, kan, achter de decorstukken, het silhouet van de schachttoren of van een puinkegel worden aangebracht. De jongelui spreken keurig Nederlands. De ouders Depoorter spreken volks en o.a. in de gij-vorm. De ouders Keiman spreken gebrekkig Nederlands en soms Turks.

I

Hilde (met een opgeplooide krant) Goeie avond, dames en heren. (Kijkt naar het decor) Ik snap wel dat jullie zich afvragen: Wat stelt dit allemaal voor, is het nou buiten of binnen, stelt het één of twee kamers voor; het lijkt erg verward. Maar dat is het niet. Het is een logisch geheel; want in het verhaal dat ik jullie ga vertellen, vloeit alles in elkaar, wordt alles geconcentreerd rond het kamertje van het Turkse gezin Keiman – daar heb je het – rond dit plekje op de tuinwijk, vanwaar je de puinkegel en de schachttoren kunt zien, en rond onze eigen woonkamer. Sorry, ik heet Hilde Depoorter. Aangenaam. Als het verhaal gaat leven, zul je merken dat vooral deze drie plekjes belangrijk zijn. Dus horen ze bij elkaar. En dan is er nog dit. (laat krant zien) Het is de krant van 16 oktober. Jullie hebben hem zeker al weggegooid. Trouwens, waarom zou je hem bewaren? Op 16 oktober is er immers niets spektakulairs gebeurd: geen landing op de maan, geen begin van een nieuwe oorlog, geen aardschok. Het was een doodgewone dag. Maar ik heb die krant WEL bewaard, want in de nacht van 15 oktober werd Johan, mijn broer, vermoord. Zo staat het er: TURK VERMOORDT 18-JARIGE. PRILLE VERLIEFDHEID AAN DE BASIS VAN HET DRAMA. Waarschijnlijk omdat er, voor de wereld, niets bijzonders was gebeurd, haalde Johan de frontpagina, (leest in de krant) In de nacht van donderdag op vrijdag kwam het tot een handgemeen tussen de 40-jarige Yusuf Keiman, wonende Heidestraat nummer 23, en Johan Depoorter, Kastanjelaan 15. Op zeker ogenblik bracht Keiman de jongeman enkele messteken toe, die achteraf fataal bleken te zijn. Inderdaad, Johan Depoorter overleed tijdens de overbrenging naar het André-Dumontzieken-huis. Hij zou morgen net achttien jaar worden. Tragische bijzonderheid: de moord vond plaats in het huis van Johan Depoorter, waar op dat ogenblik Immihan, de zeventienjarige dochter van Keiman aanwezig was. Naar men ons meedeelde zouden Johan en Immihan beste maatjes geweest zijn, zodat het niet is uitgesloten dat een onbegrepen, prille liefde aan de basis van het drama ligt.

(op de achtergrond hoor je een voorbijrijdende trein)

Hilde ’s Anderendaags zou het gezin Keiman naar Turkije afreizen om er de vakantie door te brengen. (Hilde stopt met lezen. Tegen het publiek) Daar heb je de trein. Hij speelt een rol in deze geschiedenis. Met de trein van kwart over vijf zou Immihan afreizen naar Turkije. “Om er de vakantie door te brengen”, schreef de krant. Onzin. Ik weet wel beter. (leest weer) Het lot heeft er anders over beslist, schreef de journalist verder. Keiman werd diezelfde nacht nog gearresteerd. Het parket kwam ter plaatse en deed de nodige vaststellingen, (einde van het relaas in de krant) (Hilde telt de lijntjes) 2-4-6-8-10-12-14-16-18-20-22 … drieëntwintig lijntjes. Maar het leven van Johan…

Hoe kon het toch ? Wij waren een normaal, doodgewoon gezin, met momenten dat we gelukkig waren en met momenten dat er werd geruzied. En Yusuf Keiman was de patriarch in een doodgewoon Turks gezin. Zo wonen er duizend in de mijnstreek. Hoe kon het dan zover komen? Zwavelzuur en water. Als je ze gescheiden houdt, gebeurt er niets, bewaren ze, elk voor zichzelf, hun geheimzinnige, sluimerende kracht. Maar als je water wil vermengen met het zuur, krijg je de onverwachte reactie: sissende stoom, die je ogen verblindt.

Johan was op leercontract bij een garagehouder. Immihan bij een kapper, ’s Woensdags kregen ze les ‘Algemene vorming’. Daar is het begonnen. In het klaslokaal was de wereld voor hen dezelfde. Maar ’s avonds kwam Immihan in een andere wereld terecht: een eilandje Turkije.

(Turkse muziek Licht op Hilde dooft. Licht op woonkamer van Keiman. Muziek uitfaden. Yusuf timmert een stoelleke in elkaar. Fatima naait. Er wordt gebeld. Er blaft een hond.)

Yusuf Git kapiyi aç, (Ga de deur open doen)

Fatima (staat op. Af. Komt een ogenblik later binnen met madame sociale.)

Yusuf Dag, madame sociale. (Fatima pakt flesje reukwater. Giet ervan in de handen van de gaste, van Yusuf en van haarzelf Ze wrijven voorhoofd en handen in.)

Yusuf Hosgeldin. (welkom).

M. Soc. Dank je. Dag, Yusuf. Dag, Fatima.

Yusuf Madame sociale zitten. Hier ene stoel. (tegen Fatima) Cay yap. (zorg voor thee)

Fatima Iyi ben çayi hazir edeyim. (is zo klaar)

(Af)

M. Soc. God, Yusuf, wat ben je nu aan ’t timmeren?

Yusuf Dat ene stoelleke.

M. Soc. Zo’n kleintje?

Yusuf Ene stoelleke voor de schaap.

M. Soc. Yusuf, je gaat me toch niet vertellen dat je schaap op een stoel zit.

Yusuf Haha, goeie! Nee, mijne vrouw aan de been dikke… (zoekt naar het woord spataderen. Vindt het niet. Zegt dan maar in het Turks) Onun bacagi aciyor. Veel pijn. Veel pijn aan de been. Als zij pakken de melk van de schaap (doet beweging alsof hij melkt) – verstaan ? – dan zij zitten op deze stoel. Dan geen pijn. Verstaan?

M. Soc. O, het is een melkstoeltje ?

Yusuf Ja, ene melkstoelleke.

M. Soc. Dat heb je knap gedaan zeg. Prima.

Yusuf Och, ’t is maar ene kleine stoelleke.

M. Soc. Maar toch. Je bent handig.

Yusuf Handig? Ik hier ene stok van de hout in mijne vinger.

M. Soc. Splinter,

Yusuf Ja, sp… ene stok. Met ene naald zo eruit. Nu is weg.

M. Soc. Yusuf, ik heb hier nog enkele adressen van mensen die je niet mag vergeten uit te nodigen bij de opening van de moskee.

Yusuf Niet verstaan, M. Soc. Als moskee is open…

Yusuf Moskee open, ja, Volgende week.

M. Soc. Goed. Er komen nog méér mensen.

Yusuf schrijven, Hier. (leest) De heer en mevrouw Vanlaer, schepene van Welzijnszorg, de voorzitter van het O.C.M.W. en zijn dame, de heer Demeuter van de Provinciale onthaaldienst voor gastarbeiders.

Yusuf Madame sociale schrijven. Ik geven de papier. Madame sociale schrijven de namen. Ik nie goeie schrijven. Wel maken ene kleine stoelleke, maar niet goeie schrijven, (staat op, gaat naar de kast en pakt enveloppen)

M. Soc. Jullie beginnen toch zeker stipt om drie uur, hé. De consul komt én de minister. Die kunnen we niet laten wachten.

Yusuf Hier vele brief. Madame pakken. Drie…vijf?

M. Soc. (pakt de enveloppen) Zo, dank je.

Yusuf Ja, drie uur. Eerst kijken naar de moskee. Ene mooie tapijt in de moskee, madame. Zo! (kust de toppen van zijn vingers) Dan de Iman uit Brussel zeggen met ons de koran. Hoe gij zeggen…

M. Soc. Bidden.

Yusuf Ja, bidden. Daarna grote feest. Wij maken ene vuur en dan eten vele vlees van de schaap,

Fatima (op met een prachtig theeservies) Al burda cay. (De thee !)

M. Soc. God, wat hebben jullie een mooi theeservies, zeg.

Yusuf (Alsof hij het normaal vindt, maar toch fier) Beetje zilver. (Fatima giet een glaasje vol. Inhoud terug in de pot Giet dan een klein beetje in het glas van Yusuf Die proeft en knikt) Cay tatli. (Hij is goed) (Fatima giet van hoog de twee glaasjes vol)

M. Soc. Dankjewel, Fatima.

Fatima Al bunu,

M. Soc. Zeg dat nou es in het Nederlands.

Fatima Astoebiieft.

M. Soc. Prima, Zeg, waarom kom je niet naar onze naailessen, Fatima? Elke woensdag. (Fatima kijkt even naar Yusuf, glimlacht naar madame sociale en trekt zich terug. Er is een wat onbehaaglijke stilte ontstaan. Madame sociale doet een poging om het gesprek weer op gang te krijgen.)

M. Soc. Yusuf, hoe lang woon je hier nu al ?

Yusuf Veertien jaar. In Turkie ik wonen in Akoy, ene kleine dorpje in Anatolië. Gij weten Anatolië?

M. Soc. Ja, ja.

Yusuf Ik daar wandelen met schapen. Hoe dat zeggen in de Vlaams ?

M. Soc. Herder.

Yusuf Ja, ik herder. Nie goeie. Nie vele geld. Ik denken: vijf jaar werken in deze land, vijf jaar kolen maken. Vele sparen, Dan ik rijk. Ik kopen de grond en de huis in Akoy, en de mensen zeggen: Die Yusuf is veel rijk; die Yusuf is grote man. Ja, vijf jaar. Nu al veertien jaar in deze land.

M. Soc. Maar je woont hier toch graag, hé, Yusuf?

Yusuf Goeie. België goeie land. Maar die man neven mijne huis is nie goeie,

M. Soc. Wie woont daar?

Yusuf Een Polak.

M. Soc. Waarom is die nie goeie?

Yusuf Allé, ik hebben ene schaap. Als mijne schaap zeggen bèèè, dan die man kwaaie. Weet ge wat hij dan zeggen? Vuile Toerk. Ja! Maar hij hebben ene hond, zo ene grote. Die maken veel lawaai…

M. Soc. Blaffen.

Yusuf Wat?

M. Soc. Blaffen. Waf, waf!

Yusuf Ja, blaffen. Vele blaffen. Maar ik dan zeggen: Vuile Polak. (Op dat ogenblik blaft de hond) Gij hoort? Vuile Polak!

M. Soc. (lacht) Yusuf toch!

Yusuf Elk keer als iemand komt naar mijne huis, de hond…

M. Soc. Blaft.

Yusuf Ja, blaft. En elke keer als iemand gaat weg van deze huis, de hond ook blaft. (Je hoort een deur die open gaat)

M. Soc. Je krijgt bezoek, Yusuf.

Yusuf Immihan, mijne dochter.

M. Soc. Hoe oud is ze nu ?

Yusuf Achttien jaar. Bijna. Zij vier jaar toen ik komen naar deze land, Zij nu werken in ene winkel voor maken de haren mooi van madame.

M. Soc. In een kapsalon ? O, ja?

Yusuf Volgend jaar zij zelf hebben ene winkel. Vele geld verdienen.

Immihan Hos geldin baba. (Dag, papa) (Ze ziet M. Soc.) O, sorry, (wil zich terugtrekken)

M. Soc. Immihan, wacht even, laat me je bekijken.

Immihan Dag, mevrouw.M.

Soc. ’t Is toch niet waar! Toen ik je de vorige keer zag, was je nog een klein meisje met een schortje aan en met vlechten. En nu… Lieve mensen. Vertel eens even: Wat doe je nu? Je werkt in een kapsalon, heb ik gehoord.

Immihan Ja, bij mevrouw Vandijk.

M. Soc. Holala, een prima zaak.

Immihan Ja, hé! Ik ben er op leercontract. Laatste jaar.

M. Soc. Nou, je maakt reclame voor je patroon. Je kapsel ziet er geweldig uit. Immihan Dank je, (M. Sociale kijkt vragend naar de boekentas in de handen van Immihan. Die bemerkt de blik en verklaart:) O, elke woensdag krijgen we lessen ‘Algemene vorming’. Ik kom er net vandaan. Als u me nu wilt excuseren, ik heb een huistaak meegekregen en…

M. Soc. O, je krijgt huistaken?

Immihan We moeten een factuur opstellen. Ik heb geen blanco formulieren meer en ik heb afgesproken ze te halen bij een jongen uit mijn klas. (Tegen vader) Ben okul icin kitap almaya gidiyorum. (Ik ga even weg, documenten halen voor school)

Yusuf lyi, (O.K.)

Immihan Dag, mevrouw, (hand)

M. Soc. Ik ga met je mee, Immihan. Ik zal je papa niet langer storen, of hij krijgt zijn melkstoeltje nooit klaar. Dag, Yusuf, ik zorg voor de brieven.

Yusuf Goeie, (roept) Fatima! (Fatima op)

M. Soc. En volgende week vieren we feest

Yusuf Ja, feest. M. Soc. Een groot feest en we eten… Yusuf en M. Soc. … vele vlees van de schaap,

M. Soc. Fatima, dankjewel.

Fatima Al bunu,

M. Soc. Nee, nee.

Fatima Alstoeblieft,

M. Soc. Zo, ja! (Dan zegt ze in het Turks “goeie dag”) Allah Smarladic.

Yusuf Haha. Bravo. Allah Smarladic! Goeie, madame sociale praten Turks!

(Madame sociale, Immihan en Fatima af Yusuf drinkt zijn thee verder en werkt verder aan zijn stoel Deur slaat toe. Fatima komt binnen en gaat dicht bij Yusuf zitten naaien. De hond blaft. Yusuf kijkt verstoord en mompelt iets. Dan blaat een schaap. Zijn gezicht verheldert.

Yusuf Ha, goeie! (Fatima kijkt naar hem en glimlacht. Hij merkt het en legt zijn hand op haar knie. Een intiem ogenblik. Licht uit.)

(Licht aan op het buitengebeuren)

Immihan (Op) Johan… ?

Johan (Duikt vanachter een bank op. Draagt een helm.) Strangers in space! (Kan eventueel met de bromfiets opkomen)

Immihan Johan, je hebt me laten schrikken.

Johan (Imiteert ruimtepersoon die op dat ogenblik ‘in’ is) Nanoe, nanoe.

Immihan Gekje. Ben je met de bromfiets?

Johan Nee, met Sky-lab. Dip, dip, dip, dip, dip… Ik ben neergestreken op het mooiste plekje van de wereld.

Immihan Phoe. Is dat hier?

Johan Als jij er bent: ja!

Immihan (Stilte. Even verward) Je zou me blanco facturen geven.

Johan (Gaat zitten) Sommige mensen vinden de schachttoren en het ‘stort’ niet mooi. Ik wel. Ze zijn met het landschap vergroeid. Weet je dat op het stort zich een heel nieuwe flora ontwikkelt? Je vindt er Kleine Pimpernel, Akkerwinde, zelfs een bepaalde soort orchidee. Geweldig, hé, hoe alles zich aanpast… We moesten er eens gaan wandelen.

Immihan Wat probeer je me voor te stellen?

Johan Wel… eu.

Immihan Een romantische bui?

Johan Omdat dit zo’n mooi plekje is. Hier zou ik wel eens iemand willen… kussen.

Immihan Phoe! … Geef ze nu maar.

Johan Ik… Nu?

Immihan De facturen.

Johan De facturen? O. Ik heb ze niet.

Immihan Johan, je had me beloofd…

Johan Heb ik. Maar ik kom, net als jij, recht van de cursus. Als ze in mijn boekentas staken, had ik ze je al eerder kunnen geven.

Immihan Ik dacht dat… Waar zijn ze?

Johan Thuis. Kom je mee?

Immihan In je Sky-lab, zeker.

Johan Nee, op mijn bromfiets. Daar staat ie. We zullen eerst een ritje maken.

Immihan Ik heb geen helm.

Johan Je bent met de helm geboren.

Immihan Maar dat merkt de politie niet.

Johan Hier, je krijgt de mijne. (Doet helm af, zet hem op het hoofd van Immihan. Klopt erop) Tok, tok, tok, ja, binnen!

Immihan En jij ?

Johan Eens heeft een agent me tegengehouden toen ik zonder helm reed. Hij vroeg mijn identiteitskaart. Had ik niet op zak. Dan wilde hij weten hoe ik heette. Hij stond al klaar om te schrijven: notaboekje en balpen in de hand. Ik zei: Oumzil, Achmet Aittalfassi. Hij bekeek me met zo’n ogen, klapte zijn boekje dicht en zei: Rij maar door, ’t is goed voor ene keer!

Immihan Johan, je bent een clown.

Johan Zijn we ermee weg?

Immihan Ja. Waar wacht je op?

Johan Op… (Wil zijn arm om haar heen slaan. Houterig. Geraakt niet uit zijn beweging en prutst dan maar aan de mouw van zijn jas.) Nergens op … Ik ben klaar.

Immihan Vooruit dan, (Af)

Johan (Zucht. Haar achterna. Er slaat een bromfiets aan. Licht uit.)

(Licht op Hilde. Hilde face publiek. Bank)

Hilde Zo is het begonnen tussen Immihan en Johan. Hij had er mij niets over verteld. Bij andere gelegenheden schepte hij op als hij weer eens een lief aan de haak had geslagen, net of het een buit was, een jachttrofee. Ik heb daar dikwijls ruzie over gemaakt en hem gezegd dat de tijd voorgoed voorbij is dat de man de jager en de vrouw het wild is. Maar hij zei dat die vergelijking niet opging, dat ik het beter zou hebben over een magneet die, in welke tijd dan ook, altijd het ijzer aantrekt. En hij was natuurlijk de magneet. Ja, hoe kon je anders verklaren dat Goedele en Veerle zomaar in zijn armen kwamen gelopen. Maar over Immihan, geen woord. Hij vond het te delicaat om erover te praten, was blijkbaar bang dat iemand haar zou beschouwen als een buit. Of misschien realiseerde hij zich, al was het maar in zijn onderbewustzijn, dat er moeilijkheden op komst waren en wilde hij die omzeilen of uitstellen door te zwijgen. Maar ik wist wat er aan de hand was. In elk klein gebaar, in elke blik, in… Als jong meisje ben je gevoelig voor seinen die de liefde uitstraalt. Trouwens, zo fijngevoelig hoefde ik ook weer niet te zijn. Als ik zag hoe ze vaak samen van school kwamen, hoe hij haar soms een plaatje bracht om te beluisteren… Nou, dan weet je wat er aan de hand is.

En dan dat ritje met de bromfiets waar hij het zoeven over had: gewoon berekening. Hij wist dat mama en papa over een half uurtje naar Hasselt gingen. Die tijd moest hij dus zoek brengen om daarna met haar alleen te kunnen zijn. Ja, alleen, want hij dacht dat ik die avond bij mijn vriendin zou zijn. Maar hij vergiste zich, die afspraak ging niet door. Ik kwam dus gewoon naar huis op het ogenblik dat mama het vieruurtje klaar maakte. (Licht uit. Hilde af.)

(Licht aan op de woonkamer van Depoorter.)

Emma (Dekt de tafel. Leo leest de krant achter de tafel. Emma gaat naar de keuken. Op dat ogenblik komt Hilde binnen via fonddeur. Ze gooit haar boekentas op de grond. Emma, onzichtbaar vanuit de keuken:) Boekentas op uw kamer. (Hilde trekt een grimas, pakt boekentas, loopt ermee naar boven en komt zonder weer naar beneden.)

(Emma nu binnen:) Hoeveel keer moet ik u dat nog zeggen?

Hilde (Nadrukkelijk🙂 Dag, ma!

Emma Dag, ma! Dag, ma! Ik wil een proper huis. Verstaat ge’t? Hier, zie, dek de tafel, dan ga ik verder koffie zetten. (Emma af. Hilde dekt de tafel)

Hilde Ma, krijg ik 160 frank?

Emma (In de deuropening) Waarvoor nu weer?

Hilde Voor op school. Een boek.

Emma Bij die nonnen is het ook altijd iets. Dan is het voor de missies, dan is ’t voor een boek, dan is ’t voor de A-11.

Hilde De 11-11-11, ma! Niet de A-11.

Emma ’t Kan me niet schelen hoe het heet, maar het kost geld, Welk boek?

Hilde De hygiëne van de baby.

Emma De hygiëne van de baby? Moet gij dat uit boeken leren? Toen gij geboren werd…

Hilde Ja, ma, ik weet het. Maar als ik later mijn diploma van kinderverzorgster wil halen en later dat van verpleegster, moet ik studeren en om te studeren heb ik boeken nodig. Ik wou dat ik mijn examens kon afleggen zonder dat ik er iets voor hoefde te doen. Gij kunt het misschien. Ik niet.

Emma Niet ‘astrant’ zijn, hé, ik zèg het u. Vraag het geld maar aan pa. Is de tafel gedekt ? Dan ga ik zien of de koffie is doorgelopen.

Hilde Pa. (Pa reageert niet) Pa! Paaa!

Leo (Achter zijn krant) Hm?

Hilde 160 frank.

Leo 160 frank? (Krant neer) Waarvoor?

Hilde Voor een boek.

Leo Welk boek?

Hilde (Met een zucht) De hygiëne van de baby.

Emma (Binnen met koffiepot en pan spek) In godsnaam, als ge niet altijd met uw neus in die smerige gazet zoudt zitten, hoefde ge niet te vragen waarvoor dat geld moet dienen. Leo, geef dat kind 160 frank, ’t ls voor een boek. Ze heeft het nodig op school. Als ze haar diploma van verpleegster wil halen, moet ze studerenden om te studeren heeft ze boeken nodig. Kom, ik zal die gazet op de canapé leggen, (ze doet het)

Leo Als ik naar alles moest luisteren, wat hier wordt verteld, wist ik ’s avonds niet meer waar m’n kop stond. Hier, tweehonderd frank. Hou de rest maar.

Hilde Dank u, pa.

Emma (Terug aan tafel. Vist een plakje spek op) Eén of twee braaien?

Leo Géén! Spek is slecht voor m’n cholesterol.

Emma Zie hem daar zitten. Ge zijt juist cholesterol.

Leo Watte ? Ge weet wat de dokter heeft gezegd: “Vetstoffen verhogen het cholesterolgehalte in het bloed”.

Emma Hoe kan dat nu? Is er nog iets gezonder dan een braai spek? Waar of niet? Maar kom, ik zal u een eitje bakken.

Leo Dat zegt ge voor expres, hé! Geen ei, da’s slecht voor m’n lever.

Emma Zeg, Depoorter, ziet ge die kast? Daarin staat een pot stroop. Ge kunt hem pakken als ge uwe boterham niet droog wilt eten. Ge kunt hem ook laten staan als ge misschien suikerziekte hebt. (Tegen Hilde) Twee, Hilde? (Leo staat op, haalt de stroop en gaat terug aan tafel)

Hilde Ja, ma. We eten zo vroeg? Johan is er nog niet.

Emma Ik moet naar de bazar in Hasselt, kind. ïk moet waspoeder hebben. Da’s daar stukken goedkoper. Waar of niet? En een nieuw tafellaken moet ik ook hebben. Bezie die eens, dat durf ik niet meer op te leggen. En een paar bijzettafeltjes. En ’t schijnt dat de bloesjes daar zo goedkoop zijn. (Leo houdt op met boterham smeren en kijkt Emma aan) En ik heb een rok nodig. (Bemerkt blik van Leo) Ge hoeft niet zo te kijken. Wat weet gij van wat er in een huisgezin nodig is?

Leo Ik zeg toch niks.

Emma Maar ge wilde iets zeggen. Gij kent alleen maar uw machines.

Leo Ja! Maar daar weet ik dan ook alles van. (Eet) Deze morgen nog… Ik was aan ’twerk op 1040 meter. Op zeker ogenblik kwamen ze me halen; de snelschaaf was kapot. Ik er naartoe. Daar stond ingenieur Deleu — ge kent hem wel, hij woont in die witte villa tegenover de directeur. “Leo”, zei hij, “dat zijn nogal lappen”, zei hij. “Hier ligt de productie zeker voor drie dagen stil.” Ik ging er eens op mijn knieën bijzitten. “Meneer de ingenieur”, zei ik, “over drie uur zijn ze hier terug kolen aan het maken”. Die hadt ge moeten zien kijken, zeg. “Depoorter”, zei hij, “geen grapjes”, zei hij.

Emma Zeg, Leo, ik heb gisteren gesproken met Virgenie van hier tegenover.

Leo Ik had direct gezien wat er aan de hand was. De stalen as van de hefboom was gesprongen. Afin, ik klopte ze eruit en ik ermee naar boven naar het atelier.

Emma En weet ge wat die zei? Dat ze onze Johan al verschillende keren met een meisje heeft gezien.

Leo Ik zei: “Jongens, draai me eens rap zo’n aske”. Zei die kakjan van een werkleider: “Hebt ge ’n bon?” “Vergeet het maar”, zei ik. “Ik zal zelf wel zo’n spul draaien”. Ge weet, op de kolenmijn zoudt ge zelfs ’n bon moeten hebben om te gaan kakken. Ze zouden tweehonderd man met hun duimen laten draaien omdat ge godverdomme gene bon hebt.

Emma Leo, elke keer als hij naar de lessen ‘Algemene vorming’ gaat.

Leo Onze Johan? Ja vrouw, hij is achttien jaar, hé. Wat wilt ge… Wel, ik draaide dat stuk. Zo’n ogen trokken ze. En toen ik terug naar beneden. Ik zei: “Meneer de ingenieur, zeg maar tegen de mannen dat ze zich klaar houden om te beginnen.” Ik monteerde dat stuk…

Emma Potverdomme, Leo…

Leo Hela, hela…

Emma … Ik ben u iets aan ’t vertellen.

Leo … Ge doet me verschieten. Moet ge daarom zo schreeuwen? Ge weet, als ik me opwind is dat slecht voor…

Emma Wel?

Leo … mijn bloeddruk.

Hilde Hihi. Pa, gij hangt ook met haken en ogen aan elkaar, geloof ik.

Emma Wel, ik ga u iets vertellen dat nog slechter is voor uwe bloeddruk. Onze Johan loopt regelmatig met een meisje.

Leo Dat hebt ge al gezegd.

Emma Het is een Turkse.

Leo Nondemilliaar.

Hilde O …

Leo Wat zegt ge daar?

Hilde Da’s Immihan.

Emma Immihan? Wat weet ge daarvan?

Hilde Da’s de vlam van Johan.

Emma Vlam? O, noemen ze dat een vlam?

Hilde Turks fruit hadden we al. Nu hebben we een Turkse vlam.

Emma Wel, als die vlam hier een voet over de drempel durft te zetten, weet ge wat ik dan doe? Vlam!

Hilde Ma…!

Emma De deur voor haar neus dicht. Dát zal ik doen,

Hilde Ma, het is een heel sympathiek meisje.

Emma Kind, zwijg, daar kunt gij niet over meespreken. Weet ge hoe ze dat in Turkije doen? Ze zetten de poorten van de gevangenissen open en, roeffel, heel dat gespuis komt naar hier om in de ‘put’ te werken. Afín, werken… Tot ze kunnen gaan doppen, natuurlijk.

Hilde Da’s niet waar, ma.

Emma Gij zijt veel te goedgelovig, kind. Gij denkt dat alle mensen zijn zoals gij.

Hilde JIJ bent lichtgelovig, ma. Stel je voor, ze zetten de poorten van de gevangenissen open. Wie trapt daar nu in,

Emma Ts, ts, ts, gij zult nog veel moeten leren, maar kom… Als onze Johan met zo’n vreemde wil gaan, leg ik hem over mijn knie en ik breek hem in tweeën. Wat zegt gij, Leo?

Leo Awel, ingenieur Deleu stond te kijken toen ik die snelschaaf gerepareerd had. “Depoorter”, zei hij, “dat zullen er u niet veel nadoen”, zei hij.

Emma Maar zijt gij nu nog altijd aan ’t lullen over Deleu? Ik probeer u te vertellen dat uw zoon aanpapt met een of andere Turkse griet en als antwoord krijgt ge te horen dat Deleu u toch zo’n knappe vent vindt. Wel, ik vind u een nul. Ge interesseert u nog niet voor uw kinderen. Goed, ik zal het wel weer zelf opknappen. Hebt ge gedaan met eten, dan kunnen we vertrekken. Ruimt gij op, Hilde?

Hilde Ja, ma.

Emma Een Turkse, ’t zal bij mij niet pakken. Dat verzeker ik u. (Tegen Leo) Hebt ge centen bij?

Leo Ja.

Emma Genoeg?

Leo Waarschijnlijk niet. Als ik hoor wat ge allemaal nodig hebt… We zullen het chequeboekje ook maar meepakken, (Emma is naar de keuken gegaan om boodschappentas te halen. Terug op met tas)

Emma Hebt ge mijn pas?

Leo Ja,

Hilde Identiteitskaart.

Emma Wat zegt ge?

Hilde Identiteitskaart. Op school mogen we nooit “pas” zeggen.

Emma Echt iets voor die nonnen. Die hebben nooit hun pas op zak. Kom, Leo, we zijn weg.

Leo Ik zal de wagen al buitenrijden. (Af)

Emma O, Hilde…

Hilde Ja, ma?

Emma Johan komt zo dadelijk terug van de cursus. Laat die teljoor en die tas maar staan.

(Emma af Auto vertrekt)

Hilde Bord en kopje, ma. (Imiteert moeder) Echt iets voor díe nonnen! (Lacht. Pakt weekblad en leest) Heeft prinses Margareth een geheime minnaar? Whaaw! Elke donderdag om drie uur in de nacht, gaat het licht aan op haar kamer… Hm… Als ’t nu nog uit ging. Hilde gooit het blad op de canapé. Met borden en kopjes naar de keuken. Deur toe. Even later komt Johan binnen, kijkt rond en laat Immihan binnen.)

Johan Hier woon ik.

Immihan Mooi.

Johan Ja…! Nee, niet mooi, ik zou het heel anders inrichten: ander behang; en die goedkope kitschpullen aan de muur zou ik in de vuilnisbak kieperen. Nou ja, ouwelui… (Het gesprek loopt heel onwennig. Er wordt duidelijk niet gezegd wat ze denken.)

Immihan Ja, nu je het zegt. Maar toch vind ik het gezellig.

Johan Maar ga toch zitten, jong. Hier, in de canapé.

Immihan Dank je. Waar zijn je ouders?

Johan Ze zijn weg. Da’s ook een toeval, hé. Ze zijn naar de bazaar in Hasselt. Kijk, ze hebben eten voor mij op tafel laten staan.

Immihan Eet maar rustig, hoor.

Johan Nee, ik heb geen honger. Jij, misschien?

Immihan Nee, dank je.

Johan (Ziet dat Immihan nog altijd de helm draagt) Oh!

Immihan Wat scheelt er?

Johan Je helm.

Immihan Helm? Lieve help, wat ben ik een domme gans. Ik zit met een helm op mijn hoofd: in de canapé.

Johan Da’s mijn schuld natuurlijk, jong. Ik heb hem je opgezet. Kom, geef hier. (Neemt helm en legt hem op de kast)

Immihan Phoe..,! (Schikt haar haren. Pijnlijke stilte)

Johan/Immihan (samen) (Johan) Op de bromfiets moet je altijd… (stopt) — (Immihan) Toen ik straks van huis… (stopt)

Johan Sorry, zeg jij het maar.

Immihan O, ’t was onbelangrijk. Wat wilde jij zeggen ?

Johan Gewoon dat… Och, ’twas ook onbelangrijk, (stilte) De facturen! Ik ga de facturen halen. Ze liggen hier in de la, geloof ik. (Haalt ze uiteindelijk echter uit zijn boekentas)

Immihan Cromme ook altijd met zijn huistaken.

Johan Dat zeg je goed. Of we nog geen werk genoeg hebben. Als hij thuiskomt gaat hij lekker languit naar de TV kijken. (Vindt facturen in zijn boekentas) Ja, hier zijn ze. Drie exemplaren, volstaat dat?

Immihan Twee is genoeg.

Johan Alsjeblieft. Apropos, over die facturen : de BTW voor boeken bedraagt toch 25%?

Immihan Nee, gekje, zes procent.

Johan O, zes procent. Goed dat ik het je vroeg. Ik zou het weer verkeerd gedaan hebben, jong. Zes procent dus.

Immihan Ja.

Johan Ik weet wel dat het voor parfumerie 30 procent is.

Immihan En op het werkloon… Samen Zeventien procent.

(Het gesprek heeft nu werkelijk een dieptepunt bereikt. Immihan staat op.)

Immihan Bedankt, dan ga ik maar.

Johan Nee, Immihan, ga niet weg.

Immihan Hoe bedoel je?

Johan Immihan, het is geen toeval dat er niemand thuis is. Ik wist het. Daarom bracht ik je mee naar hier.

Immihan Je had dus wél facturen in je tas?

Johan Ja. Ik wilde je iets zeggen. Weet je nog toen je pech had met je fiets?

Immihan Het regende en de auto’s en bromfietsen reden me voorbij.

Johan Je ketting zat geklemd tussen naaf en kamwiel.

Immihan Jij stopte.

Johan Je haren waren drijfnat, en ook je jurk. Maar je lachte. Immi, jong, sinds dat ogenblik heb ik veel aan je gedacht. Dag, nacht, mijn werk, thuis, ’t bestond niet meer. ’t Was allemaal Immihan. Heb jij ook een beetje aan mij gedacht? (zij knikt) Ik hou van je. (Keert zich af en wacht) Je zegt niks. Je zegt godverdomme niks, Immi.

Immihan Ben senide seviyorum.

Johan Ik versta geen Latijn.

Immihan Het is Turks.

Johan Wat betekent het?

Immihan Ik hou ook van jou.

Johan God, Immihan, jong. Echt waar? (neemt haar handen vast) Ik kan het niet geloven. Geweldig. (Drukt haar tegen zich aan) Hoe dikwijls heb ik het je al willen zeggen. Ik heb gerepeteerd hoe ik het zou doen: honderd keer. Maar als je dan bij me was, leek mijn tong een lap leer. Voel mijn hart eens. Dokkedok, dokkedok… Net een dieselmotor, jong. Zeg, wist je dat ik verliefd op je was?

Immihan Natuurlijk.

Johan Je wist het ?

Immihan Dat voel je.

Johan Had ik dat maar geweten, jong. We moeten onze schade inhalen. Kom. (Omhelst haar)

Immihan Je zult iets moeten bijleren, Johan.

Johan Kus ik niet goed?

Immihan Je kust heerlijk. Maar ik ben geen ‘jong’. Ik ben een meisje.

Johan (Drukt haar tegen zich aan) Nu je het zegt, ik voel het. Kom, jong. (Omhelst haar weer) Laat me in je ogen kijken. Er springen lichtjes uit, zo scherp als de vlam van een lasapparaat. Yè, ik ben gek. Ik ga zingen, in de garage onder de vuilste auto, op straat, in ’t bad, in bed: Joehoeeee! Ik ben verliefd. Weet je wat ik ’s avonds deed in mijn bed ? Dan pakte ik mijn kussen en ik dacht dat jij het was. En ik dan maar kussen… kussen. Maar nu heb ik jou, écht.

Immihan Johan?

Johan Hm?

Immihan Ik ben een Turkse.

Johan Je bent mijn wereld.

Immihan Moslim.

Johan Mijn godinnetje.

Immihan Zo arm als een luis.

Johan Mijn rijkdom.

Immihan Nou ja, je zégt dit wel allemaal. (Pauze) Weten je ouders dat je met mij bevriend bent?

Johan Wel, eh … ik …

Immihan Nee!

Johan Maar ik zal het hun vertellen. Vandaag nog. Ik haal je hier binnen als een prinses. Immi!

Immihan (plotseling ernstig) Weet je nog toen ik het eerste jaar het leersecretariaat volgde? Ik ging die woensdag naar de cursus ‘Algemene vorming’. Ik was een vreemdelinge.

Johan Er waren tientallen vreemdelingen.

Immihan Er zijn soorten. Twee weken geleden wilde een Italiaanse jongen met een Marokkaans meisje trouwen. Weet je hoe de Italiaanse vader reageerde? “Je trouwt nooit met een vreemde”, zei hij. Snap je? Hij beschouwde zich zelf niet meer als vreemd. Ik was toen, meen ik, het enige Turkse meisje. Ik stond op de speelplaats en plotseling — ik weet niet waarom — kwamen een tiental jongens rond mij staan. Ze begonnen vragen te stellen. Hé, draagt je moeder ook een broek met elastiekjes? Staat het schaap bij jou in de salon? Hebben jullie thuis een toilet met een kraantje? En dan maar lachen. Idioot. Eentje lachte niet.

Johan Dat was Johan Depoorter, alias Kung Fu. De held van het witte doek greep in. Aaaa! Oe! (Karate-bewegingen) En hij zei: “Laat haar met rust, of ik trap je onder je kont dat je zelf elastiekjes in je broek zult nodig hebben om je billen bij elkaar te houden”. Aaaa!-Oe! (Op andere toon) Waarom vertelde je dat, Immi?

Immihan Ik ben bang, Johan. Ik ben bang dat de mensen het niet zullen begrijpen.

Johan Och, gekje, ze kunnen de pot op.

Immihan Dacht je dat ik niet van jou heb gedroomd? Maar als we dan samen waren, zag ik de mensen rond mij staan, net zoals die jongens toen. Ze keken dreigend en vroegen: “Wat kom je hier doen? Je hoort in Azië. Trouw met iemand van je streek en draag een doekje op je hoofd en een pofbroek. Wees de slavin van je man.”

Johan Nee, Immi, dat kan niet meer.

Immihan Nee, dat kan niet meer. Mijn moeder is Azië, maar ik ben Europa en ik ben bang dat de mensen dat niet snappen. Johan, als wij samengaan, zou ik niet kunnen verdragen dat ze je van mij afpakken.

Johan Immi, wat haal je toch in je hoofd. Ik laat je niet in de steek, jong. Laat ze maar komen met een heel leger en met een berg vooroordelen. Ik zal ze opwachten met een Engelse sleutel in mijn hand. Immihan, ik trouw met je. Dit jaar krijg jij je getuigschrift en ik het mijne. Ik zal een garage beginnen. Garage J. Depoorter — streepje — Keiman! En dan zal ik voor jou een auto kopen. Kopen? Nee, ik zal er zelf een bouwen. Een vierkante, oerdegelijke bak, waarmee je over de keien kunt hossen, over de bosweggetjes en zelfs over de pistes in de woestijnen van Anatolië. Ik zal hem beschilderen met alle kleuren van de veldbloemen die je in de weiden, in de grachten en aan de rand van het bos vindt: rood, geel, groen, violet. En hij zal een naam hebben. Je mag één keer raden.

Immihan Zotteke!

Johan Mis! Immihan zal hij heten, (speelt) Hier komt hij aan. Brrrm, brrrm. Wil je instappen, mevrouw? Hup, hup! (Doet teken dat Immihan op zijn rug zou springen)

Immihan Och jij…

Johan Kom!

Immihan Gekje! (Maar ze doet het)

Johan Brrrm, brrrm! (Loopt met haar de kamer rond; stopt plotseling) Geen benzine meer. Bijtanken. (Geeft Imihan een zoen) Weg vervolgen. Hup! (Immihan terug op rug) Brrrm, brrrm. (Loopt de trap op, enkele treden maar, kijkt naar Immihan en dan veelbetekenend naar boven. Vragend) Brrrm?

Immihan Heb je een rem?

Johan Jap.

Immihan Ik trap hem in. Iiiiiiii!

Johan Brrrm, achteruit. (Johan loopt door de kamer. Ondertussen is Hilde in de keukendeur verschenen en slaat het schouwspel gade)

Hilde (wuift) Taxi! (Johan stopt. Hij en Immihan schieten in de lach)

Johan Jij hier? Ik dacht dat jij…

Hilde Mag ik mee.in je autootje?

Johan Het is maar een tweezittertje. Zeg, zus, stond jij achter die deur te luisteren?

Hilde Nee.

Johan Dan heb je dus niets gehoord?

Hilde Alles! De deur is maar zo dik. Maar zelfs als ze zó dik was (wijst) had ik het nog gehoord. (Immiteert Johan) Joehoeeee, ik ben verliefd!

Johan En hoe groot is het sleutelgat?

Hilde Ik weet het trouwens al lang.

Johan Hoe?

Immihan (kijkt op haar horloge) O, het is de hoogste tijd om naar huis te gaan. Ik moet het eten helpen klaarmaken.

Johan Ik breng je wel met de bromfiets.

Immihan Ik kan te voet gaan.

Johan Geen sprake van. Hier is je helm.

Immihan Dag, Hilde.

Hilde Dag, Immi.

Johan Kom, we zijn ermee weg. (Arm rond leest van Immi)

Hilde O, Johan.

Johan (Terug bij Hilde) Ja?

Hilde Hou ze goed vast. Ze zou kunnen vallen.

Johan Val dood! (af)

(Hilde reageert op het woord ‘dood’)

(Licht op Hilde — Face publiek) (Orgelklanken — woonkamer)

Hilde Toen Johan werd begraven was het kil in de kerk. Oktober. ’t Was nog te vroeg om de centrale verwarming aan te steken. Vandaar de vochtige lucht met een geur van natte, afgevallen blaren. Mensen kuchten en niesden. Stoelen verschoven: pijnlijke doordringende geluiden die me kippevel deden krijgen. Twee priesters aan het altaar. Eentje was verkouden en moest voortdurend zijn neus snuiten. Routine. ’t Was allemaal routine en ze zegden teksten die ze al bij vijftig uitvaarplechtigheden hadden gebruikt. Net of Johan geen eigen ideeën, geen eigen lief en leed, geen eigen dromen had gehad. Immihan was niet in de kerk. Maar toen we voorbij haar huis kwamen, toen we door de motregen naar de begraafplaats gingen, hoorde ik een gil. Ze had het niet kunnen laten, ze had door het raam gekeken, naar het sombere groepje mensen in verschillende tinten van grijs en blauw achter de lijkwagen. Alleen tante Vera droeg die dag een kanariegele plastic-regenjas. Regen! Mist! Gaten in de weg. Want in de Kastanjedreef wonen vooral gastarbeiders en die hebben geen stemrecht. En dan die gil… Ze hadden zoveel van elkaar gehouden. Ik had wel moeilijkheden verwacht Johan en Immi trouwens ook. Maar we hadden ons voorbereid op een aanval uit een andere hoek. Daartegen hadden we ons gewapend. We hadden gedacht te vechten op vertrouwd terrein. We begonnen al met onze mentale bewapening, net nadat Johan Immi naar huis had gebracht…

(Licht aan in de woonkamer van Depoorter)

Johan (Binnen. Gooit zijn helm in de lucht)

Hilde, die Immi is het mooiste, liefste, intelligentste meisje van de hele wereld.

Hilde O ja? Dat betwijfel ik.

Johan Hee!

Hilde Als ze intelligent was, zou ze niet op jon verliefd worden.

Johan (dreigend) Hilleke…! Ze is zo! (pakt een kussen en zoent het)

Hilde Zot.

Johan Apropos, wat stond jij achter die deur te luisteren?

Hilde Luisteren? Ik was de afwas aan ’t doen. Kan ik het helpen dat jullie hier ondertussen Love-story spelen? Daar, de tafel staat nog gedekt voor je. Spek?

Johan Nee, gewoon een boterham met kaas. Haal jij even de… (Hilde wijst naar de kast) Okee, ik zal het zelf wel doen. Bedankt. (Naar de kast. Haalt kaas, smeert boterham. Ondertussen zingt hij) Love is in the air…

Hilde Johan!

Johan Hm!

Hilde Mama weet het!

Johan Wat bedoel je?

Hilde Van jou en Immi.

Johan Mama? Hoe weet ze godverdomme… Jij hebt het verteld.

Hilde Je bent gek. Nu moet je eens goed naar me luisteren. Ik heb niets tegen mama gezegd, ik heb niet aan de deur geluisterd en ik heb niet door het sleutelgat gekeken. Duidelijk?

Johan Sorry, kruidje-roer-me-niet Wie dan wel?

Hilde Virgenie van hiertegenover.

Johan Dat scharminkel. Ze heeft een tong als een boa constrictor,

Hilde Ze zag je met Immi naar de cursus gaan.

Johan Wat zei mama?

Hilde O, als je met die Turkse over de vloer durft komen, maakt ze brandhout van je.

Johan Godverdomme, ik wist het. Honderd keer heeft ze gezegd: “Ik hoop dat je een fatsoenlijk meisje leert kennen.” Goed. Is Immihan niet fatsoenlijk? Maar het is toevallig een Turkse, en dan begint het gedonder.

Hilde Je hoeft niet boos te worden op mij, Johan. Ik vertelde je alleen wat mama zei. Een verwittigd man… Capito? Trouwens, ik heb je verdedigd. Ik heb gezegd dat ik Immi lief en sympathiek vond. Dat meen ik.

Johan Ze kent haar niet, ze heeft haar nooit gezien, nooit mee gepraat, haar nooit zien werken, lachen, huilen. Wat zei papa?

Hilde Die was bekommerd om zijn bloeddruk, zijn lever en zijn cholesterol.

Johan En nu?

Hilde Koffie?

Johan Nee. (Er stopt een auto. Het portier klapt dicht.)

Hilde (Aan het raam) Hemel, daar is mama terug.

Johan Nu al? Dat kan niet.

Hilde Ze is alleen. Johan, praat. Je moet praten.

Johan Heb je mama ooit weten luisteren?

Hilde Nee! Maar het is gewoon eerlijk als je ze een kans geeft.

Johan Praten! Heeft ze geluisterd toen ik haar zei dat ik ‘de moderne’ niet aankon en dat ik automecanicien wilde worden? Ik was lui, een vaatdoek, een mossel. Mijn leraar moest haar komen overtuigen. Naar mij luisterde ze niet. Ik herinner me nog toen ik klein was,.. Ik had een gele bal, een prachtbal, die je kon oppompen. Ik was er ontzettend gelukkig mee. Op weg naar school wilde Joris Duys, die grote loebas van de Horensberg, hem van me afpakken. Dat nam ik niet, ik schopte hem tegen zijn schenen en toen gaf hij me een rammeling dat ik er een gescheurd jasje aan overhield. Ik wilde het mama uitleggen, maar die zag alleen maar mijn kapotte jas, hoorde zelfs niet wat ik probeerde te vertellen…

Hilde Je moet er eens doorheen. Waarom niet meteen?

Johan Heeft ze naar jou geluisterd toen je voor het eerst je menstruaties kreeg en je, daar in de hoek, zat te huilen van mizerie. Praten… Kom nou. Ik heb ooit eens…

Hilde Nu ben jij het die niet wil luisteren. Weet je dat?

Johan Okee, ik zal het proberen. Je mag erbij zijn. Ik zal kalm en vriendelijk zijn, redeneren. logisch denken. Maar verdomme, ik weet vooraf hoe het zal aflopen, (eet)

Emma (Buiten) Ge zijt bedankt, hé. Als ik u ooit eens een plezierke kan doen, moet ge het maar zeggen. (De auto vertrekt. Emma binnen.)

Hilde Hee! Mama, ben je al terug?

Emma Terug? Ik ben nog niet weggeweest.

Hilde Hoe komt dat?

Emma Hoe dat komt? Door uw vader, die fameuze ’technieker’ Hij weet alles van machines, maar zijn auto valt in panne. Gelukkig kwam Erik van de ijzerwinkel juist langs. Ik zei tegen Leo: “Terwijl gij die rommel repareert, ga ik met Erik terug naar huis.” Hebt ge al gegeten, Johan?

Johan Ik ben nog bezig.

Emma Ik ga ook een tas koffie drinken. Om mijn zenuwen te kalmeren.

Hilde Ma, da’s juist slecht voor de zenuwen.

Emma En de mijne kalmeren ervan. God, wat ben ik blij dat ik zit Hoe was het in de cursus, Johan?

Johan Een pak werk meegekregen. Die knul is niet goed bij zijn hoofd. Hij weet dat ik van ’s morgens tot ’s avonds in de garage werk en toch moet ik nog drie oefeningen maken: twee facturen en een postwissel.

Emma Zeg eens, een beetje kalm, Ge praat of ik die leraar ben. Daarbij, ’t is voor uw goed. Als ge later een eigen zaak hebt, moet ge die papieren ook na uw uren invullen. Of denkt ge dat ge u direct een bediende kunt permitteren ? Hilde, die koffie is koud.

Hilde Hum! Hum! (Kijkt naar Johan, wil hem aanporren)

Emma Zijt ge verkouden?

Hilde Precies. Ik heb zo’n droge keel.

Johan (Agressief) Immihan zou het kunnen, In een wip is ze klaar met zo’n factuur.

Emma O ja? Wie is Immihan?

Johan ’t ls een Turkse. Ze heeft altijd de meestepunten van de klas, Frans, sociale wetgeving, handel, wiskunde, Nederlands, op alles is ze zo! (Duim omhoog)

Emma Aha.

Johan (Agressief) En ze is ook nog lief. En vriendelijk. Ze vechten om naast haar in de klas te kunnen zitten.

Emma En wie zit er naast?

Johan Wel … eh … ik.

Emma Hebt ge hard moeten vechten?

Johan Hoe bedoelt ge?

Emma Wel, ge zei dat de jongens vochten om naast haar te kunnen zitten.

Johan Bij manier van spreken natuurlijk. (Pauze) Ik heb haar gezegd dat ze eens naar mijn plaatjes moet komen luisteren.

Emma Ik ga u eens iets zeggen: als ge hier met dat kind binnenkomt, zwier ik haar en u en uw plaatjes de straat op.

Johan Ik wist het, godverdomme,

Emma Kalmaan, manneke. Ge spreekt tegen uw moeder.

Johan Immihan is een heel deftig meisje.

Emma Ze mag zo deftig zijn als Onze Lieve Vrouw van Salette, maar ’t is een vreemde en het blijft een vreemde.

Johan Vreemde ? Ze is van haar vierde jaar in België. Gij doet aan rassendiscriminatie.

Emma Natuurlijk. Als ik het niet dacht: rassendiscriminatie. Ge hoort niets anders op de televisie: Zuid-Afrika, Amerika… iedereen praat maar over rassendiscriminatie. Maar als die heren, die daar hun mond van vol hebben, naast een Marokkaan zouden wonen, zoals die twee huizen verderop, die de darmen van zijn schaap in de zon laat liggen zodat ge nog geen raam van uw slaapkamer kunt opentrekken, of ge valt omver van de stank, dan zouden ze wel anders praten. Rassen… dinges, laat me niet lachen,

Johan We hebben het niet over die Marokkaan, maar over Immihan, En trouwens, als ze aan die Marokkaan zouden vragen zijn rotzooi op te ruimen, zou hij dat misschien wel doen. Die man heeft nooit geleerd wat hygiëne is. Maar ze vertikken het, Het is veel gemakkelijker te roepen: “Vuile Marokkaan!”

Emma Luister eens, jongen, het zijn ook mensen. Iets anders hoort ge mij niet zeggen. Maar ze zijn anders.

Johan Iedereen is anders: gij, pa, ik, Hilde, nonkel Louis, koning Boudewijn. We zijn allemaal anders,

Emma Bon. Awel, ik zeg u dat er niets in huis komt van dat plaatjes-draaien. Als ze potverdomme tegenwoordig een stukske willen vrijen, zeggen ze: “We gaan plaatjes draaien”. Tussen haakjes, ik wist al lang dat er iets niet in de haak was. Waarom zoudt ge anders met die Turkse griet naar school lopen,

Johan Dat komt van Virgenie, hier tegenover.

Emma Daar heb ik Virgenie niet voor nodig. Ik zie wat ik zie. Ah! Of denkt ge dat ik onder een dooie hen ben uitgebroed. Dat kind zou lachen, zeg, Naar België komen zonder broek aan haar gat…

Hilde Ma!

Emma … bij manier van spreken, En dan trouwen met een Depoorter.

Johan Een Depoorter. Ge spreekt het uit of we van adel zijn. Met een kleine *d\ Wij zijn toch ook maar gewoon werkvolk. En daarbij, één van mijn opa’s was,..

Emma Gaat ge uw manieren houden?

Johan Gij lokt het uit.

Emma Luister eens, Johan, gij zijt een flinke jongen. Ge moogt gezien worden.,.

Hilde Baah…!

Emma (Tegen Hilde) Is ’t goed, ja? (Tegen Johan) Ge kunt wel honderd meisjes krijgen, goeie meisjes, aan elke vinger tien. Zelfs Moniek van ingenieur Toebaert is gek op u. Waarom zou ze hier anders tien keer per dag voorbijfietsen? Ik draag mijn ogen ook niet in mijn zak. En dan zoudt gij precies op een Turkse vallen…

Johan Die honderd meisjes interesseren me niet I en die spichtige plank van Toebaert helemaal

Hilde Is het absoluut nodig dat ge zo schreeuwt?

Emma (Tegen Hilde) Ik vraag u niks. (Tegen Johan) Ik heb er niks op tegen dat ge met een meisje wilt gaan. Maar luister eens: ge trouwt niet alleen met een meisje, ge trouwt ook met de familie. Ziet ge mij al samen met zo’n wijf met een violette pofbroek… Ik mag er niet aan denken. Ik had gedacht dat ge in een deftiger familie zoudt terechtkomen.

Johan Deftig! Deftig. Daar moet gij net over praten. Weet ge wanneer Hilde geboren werd?

Emma Zwijg!

Johan Zeven maanden nadat jullie getrouwd zijn. Of denk je dat ik niet kan tellen?

Hilde Alstublieft!

Emma En dat gooit gij me voor mijn voeten? We hebben toch gedaan wat we moesten doen. We zijn toch getrouwd. Of niet soms?

Johan ’t Kan me niet schelen dat jullie zijn getrouwd. ‘k Wil alleen maar zeggen dat jij niet hoeft te beslissen wie deftig is en wie niet. Weet je hoe ik dat noem: Hypocrisie!

Hilde In godsnaam.

Emma Primitief! Ze zijn allemaal primitief: het hele zootje, dat van miserie naar ons land is gekomen en nu op de cité hokt. En daar gaat gij mee om. Ge moest u schamen.

Johan Canaille!

Emma En dat tegen uw moeder. Luister eens, jong. Als het u niet aanstaat, dan kunt ge uw pakske maken. Daar staat het gat van de deur.

Johan Dat zal er zeker van komen. Je zult er mij toe dwingen,

Hilde Hou nu in godsnaam op met ruzie maken.

Johan (Pakt zijn helm) Ik moet hier weg, of ik bega ongelukken.

Hilde Toch niet met de bromfiets?

Johan Ik heb frisse lucht nodig, wind rond mijn oren, snelheid. Hier ga ik kapot. (Tegen Emma) Als hier iemand primitief is op de cité, dan ben jij het! (Af. Stilte)

Hilde Ma…

Emma Zwijg, gij!

Hilde Ma, je hebt niet willen luisteren.

Emma Gij zijt van hetzelfde soort. (Hilde keert zich om. Emma ruimt de tafel af Wil met het porcelein naar de keuken. Zet het terug neer op tafel en begint, bijna hysterisch te huilen. Licht dooft)

(Licht op Hilde. Face publiek. Het orgel speelt) (Bankje)

Hilde Het orgel in de kerk. Akkoorden die beelden bij me oproepen. Eigenaardig hoe je muziek kunt zien, in functie van je eigen gedachtenwereld, net zoals je in wolken aan de hemel het land kunt zien waarvan je droomt. Orgelklanken en beelden van Johan:

– Johan toen ik hem de eerste keer met een meisje zag. Hij kreeg een kleur, maar zwaaide uitdagend.

– Johan, toen hij geld genoeg had gespaard en naar huis kwam met een bromfiets. Zijn ogen schitterden als kooltjes onder zijn rode lefhelm.

– Johan en Immi. “Ik zal een auto voor je bouwen, een vierkante, oerdegelijke bak. Ik zal hem beschilderen met alle kleuren van de veldbloemen die je in weiden, grachten en aan de rand van het bos vindt. En hij zal een naam hebben…” Soms vraag ik me in alle ernst af of een mens niet voorbestemd is, of elke handeling, elk detail in je leven niet leidt tot dat wat sinds eeuwen voor jou vaststaat. Misschien was Johan onherroepelijk voorbestemd om slachtoffer te worden, terwijl Keiman op reis moest om hier te komen doen wat al lang was uitgestippeld. De tuinman en de dood, weet je wel.

Ik huiver als ik eraan denk dat ik mijn leven niet in eigen handen heb. Maar als dat zo is, ben ik niet schuldig. Dan was mijn naïeve plannetje gewoon een schakel in de lange ketting van de voorbestemming. Trouwens, het plannetje was zo doorzichtig dat het, in normale omstandigheden, niet kon slagen. Johan zat, na die ruzie thuis, zo in de put, dat ik hem persé wilde helpen. En toen ontmoette ik Immihan.

(Licht aan op het buitengebeuren)

Immihan (Op met een flesje melk) Hilde!

Hilde Hé, Immi. Heb je een vrije dag?

Immihan Nee hoor. Ik ben aan ’t werk.

Hilde Met een fles melk in je handen? Of gebruiken ze die in de salon als schoonheidsmelk? (Leest) Lilac, driedubbel gepasteuriseerd.

Immihan (Lacht) Het is de gewoonte dat de dames in de kapsalon een kopje koffie krijgen. Het gebeurt wel es vaker dat de melk opgeraakt.

Hilde En dan moet jij er gaan halen?

Immihan Ja. Als je op leercontract bent, moet je wel es meer zulke karweitjes opknappen. Ik geef er niet om. Ik heb niet het gevoel dat ze van me profiteren. Bij sommige patroons moeten de meisjes een halve dag stofzuigen en schoonmaken eer ze aan ’t werk mogen.

Hilde Tja…

Immihan Tja… (Geluid van trein) De trein. Elke morgen om kwart over vijf maakt ie me wakker. Ik geraak er nooit aan gewend. Dat geratel van die wielen over de rails vind ik zo akelig. Dan stop ik mijn hoofd onder de dekens om het niet meer te horen.

Hilde Zal ik Johan de groeten van je doen?

Immihan Hilde, heeft hij met je ouders over mij gepraat?

Hilde God, Immi, wat heb jij een knap kapsel, zeg. Ik ben jaloers op je.

Immihan Nee, hé. Hij is bang.

Hilde O, jawel. Maar hij bereidt het zachtjes voor. Je kunt niet meteen met een meisje op de proppen komen.

Immihan Vooral niet als het een Turkse is…

Hilde Ben je gek, Immi, Je woont hier vanaf je vierde jaar in België. Kijk es naar mijn haren. Ik ben net een wilde kat. Zeg, kun je mij niet eens komen kappen?

Immihan Goed. Waar?

Hilde Thuis.

Immihan Hebben ze daar niets op tegen?

Hilde Op tegen? Als jij me komt kappen, betekent dat een besparing. En nu moet je moeder kennen. Ze kan een frank in tweeën bijten. Trouwens, jij bent mijn vriendin. Of niet soms?

Immihan Morgen, na zeven uur. Gaat dat?

Hilde Prima,

Immihan Dat is dan afgesproken. Sorry, Hilde, ik moet nu doorgaan, of mevrouw Van Puynbroek moet haar koffie zwart drinken. Tot morgen.

Hilde Tot morgen. En, Immi, je hoeft geen melk mee te brengen. (Immihan af Licht dooft.)

(Licht aan op Hilde – Face publiek) (Bankje)

Hilde Ik had mama alleen maar verwittigd dat een vriendin me kwam kappen, had haar, uiteraard, niet verteld wie die vriendin was. Geef toe dat het naïef was. Om iemand te aanvaarden, moet je hem eerst leren kennen. Geef ze dus de kans onbevooroordeeld kennis te maken, dacht ik…

(Licht op de woonkamer van Depoorter)

(Vader leest de krant, moeder strijkt. Er wordt gebeld. Hilde stapt het spel in .)

Hilde Dat zal Immi zijn, mama, Ik ga wel (Af. Onzichtbaar) Zie je wel. Dag, Immi, kom binnen. (Hilde en Immihan binnen) Ik had mijn haren moeten wassen, dat was tijd gespaard.

Immihan Allicht, Dag, mevrouw. (Hand)

Emma Dag, juffrouw. Fijn dat ge Hilde wilt komen kappen. De salons zijn tegenwoordig ook zo duur, hé, en het geld groeit niet op onze rug.

Immihan Graag gedaan, mevrouw. Dag, meneer Depoorter. (Hand)

Leo Eh … dag, juffrouw. Die vrouwen toch, hé, ze willen allemaal om’ ter mooist zijn. Hahaha… (tast plotseling naar zijn rug) Zeg Emma, ik heb het nog niet willen zeggen, maar ik heb al een hele tijd zo’n pijn aan mijne rug… En nu lees ik hier juist in de ‘gazet’ dat ge per dag zeker vier liter moet drinken of ge krijgt het aan de nieren.

Emma Leo, gaat ge potverdomme… (realiseert zich dat Immihan er is en bindt in) Onze papa is zo’n kastplantje, juffrouw. Maar da’s oud nieuws, hé: de mannen kunnen tegen niks. Als die iets mankeren. Amaai.

Leo Ge hebt goed zeggen.

Hilde Zelfs als ze denken dat ze iets mankeren.

Emma Een beetje meer respect voor uwe pa, gij. (Tegen Immihan) Wel, meisje, kan ik u helpen?

Immihan Hilde zei dat u een haardroger had, mevrouw.

Hilde Die staat al klaar, Immi.

Immihan Fijn, dan kunnen we meteen beginnen. Ik heb ook een plix meegebracht. Misschien hoeft het niet of misschien heb je er zelf een in huis.

Hilde Nee, ik heb er geen. Doe maar zoals je denkt dat het hoort.

Immihan Hou je het bij een lijn? Of wil ik je haar naar voren kammen. (Aanpassen volgens kapsel actrice)

Hilde (Wijst) Zo… En hier een beetje naar achter, Zie je?

Immihan Prima, (ze werkt)

Emma Maar gij zijt een echte coiffeuse, Mimi.

Immihan Bijna, mevrouw. Dit jaar krijg ik mijn getuigschrift. Daarna ga ik zelf een zaak beginnen. Misschien.., Want de leersecretaris heeft me aangeraden nog twee jaar patroonsopleiding te volgen.

Emma Maakt dat een verschil?

Immihan Dan mag ik ook personeel in dienst nemen, mevrouw.

Hilde Ik ga mijn haren wassen. (Af, naar de keuken. Haar volgende replieken hoor je door de openstaande keukendeur.)

Emma Ge kunt nooit teveel, kind. Dát zeg ik. Hoe meer ge leert, hoe meer ge later zult verdienen. Waar of niet?

Immihan U hebt gelijk, mevrouw. Ik zal het een paar jaar wel niet erg breed hebben…

Emma Later denkt ge daar niet meer aan, kind. Tóen wij trouwden — toen was het natuurlijk helemaal anders dan nu — hadden we niets anders dan een bed, een tafel èn vier stoelen, en verder alleen maar onze blote handen.

Hilde Waren alleen maar je handen bloot,mama?

Emma Ja, kind, en… Och, nu snap ik het. Zottin. Als ze tegenwoordig het woord bloot horen, beginnen ze te fantaseren. Ge denkt dat het iets betekent, hé, maar ’t is allemaal… Afin, daar gaan we niet met jonge meisjes over praten. Wat moet zo’n deftig kind als Mimi wel van ons denken.

(Leo is naar buiten gegaan en komt nu uit de keuken met een flesje bier dat hij leeggiet in een glas)

Hilde Mama, Immi! Niet Mimi.

Emma Immi? Welke namen geven ze tegenwoordig toch, hé. Vroeger was het allemaal Jan, Thieu, en Lies. Maar nu… Weet ge hoe het kind van Marijke Deboer heet? Gwendolina! Ge kunt me geloven of ge wilt of niet. (Ziet Leo) Gij gaat zeker aan uw vier liter beginnen?

Leo Emma, de dokter zal het toch zeker beter weten dan gij. Ik drink…

Emma Ik weet het: voor uw nieren. Ik zal maar stoppen met strijken. Morgen komt er nog een dag. Dát zeg ik. Zo! Wel, Immi, kunt ge geloven dat het al twee maanden geleden is dat ik naar de coiffeuse geweest ben? Ik zie eruit als een boskat. Het wordt de hoogste tijd dat ik nog eens ga.

Immihan Als u wilt, zal ik u wel komen kappen, mevrouw.

Emma Ja? Wel, da’s vriendelijk, zeg.

Immihan U hebt mooie haren. Gaat u eens even zitten. Kijk, als ik uw haren hier wat zou bijknippen en ze dan zo zou nemen… Vindt u niet dat u er zo jonger uitziet? (klein spiegeltje) Emma (Kijkt) Wel… Leo, loop eens naar boven en haal de spiegel op de badkamer.

Leo Wat moet ik?

Emma De spiegel.

Leo Welke spiegel?

Emma Laat maar, eer gij terug zijt heeft de koe al lang gekalfd. Ik zie het zo ook wel. Hm, nu ge het zegt, Immihan, ik geloof dat ge gelijk hebt. Willen we het zo eens proberen?

Immihan Graag, mevrouw. U hebt trouwens echt gezonde haren. Dat zie je niet meer zo vaak in de kapsalon.

Emma Is ’t echt? (Recht) Wel kind, ’tis te zien dat gij uwe stiel kent. Ik heb nog verse koffie staan. Ik ga rap een tas halen. (Naar keuken)

Immihan Gaat het, Hilde?

Hilde (Vanuit keuken) Ja, ja!

Emma Hier zie, een tas koffie en een koekje.

Immihan Dank u, mevrouw,

Emma Suiker?

Immihan Nee, mevrouw. Een klein beetje melk. Een wolkje. Dank u.

Johan (Op via keukendeur) Hai! Hé,

Immihan, jij hier?

Immihan Ja, Hilde had me gevraagd haar te komen kappen.

Emma Ha, gij kent elkaar.

Immihan Natuurlijk, mevrouw. We zitten samen in het laatste jaar ‘Algemene vorming’.

Emma Ach zo!

Johan Nog een paar maanden en we zijn er vanaf, hé, Immihan?

Immihan Een paar maanden, plus nog twee jaar. Dat heeft je moeder me aangeraden,

Emma Hoe zegt ge dat ze heet?

Johan Immihan.

Emma Immihan? Ik dacht dat ze Immi heette.

Hilde (Op met handdoek op hoofd) Zo heet ze ook, mama. Immi is de afkorting van Immihan.

Emma O, juist. Zeg, Immihan is dat geen Turkse naam?

Immihan Ja, mevrouw, Ik bén een Turkse, maar ik woon al vanaf mijn vierde jaar in België.

Emma Ja, ja … (Johan fluit. Mama kijkt naar hem)

Immihan (drinkt) Lekker, mevrouw. Ik heb nog nooit zo’n lekkere koffie gedronken. Thuis maken ze hem altijd klaar met het koffiedik onder in het kannetje.

Emma O, ja … Wel, ik doe er altijd een flink schepje op. En altijd een snuifje zout, Wel … (Luid tegen Leo, die zit te dutten) Leo, wat ligt gij daar nu te slapen!? (Leo schrikt wakker. Licht uit. Doek.)

II

(Licht op Hilde – Face publiek – Bankje)

Hilde Ik zou liegen als ik vertelde dat nu alles koek en ei was. Moeder hing verwarde verhalen op van mislukte huwelijken met vreemdelingen, van Turken die in het verkeer amok maakten met niet verzekerde auto’s en ze praatte over de drugrafiek bij de gastarbeiders alsof ze jarenlang connecties in de onderwereld had gehad. Maar mijn naïeve plannetje had, ondanks alles, tot gevolg dat ze niet kon wegpraten dat Immihan een charmant meisje was. Ze kwam nu ook vaker over de vloer, ongecompliceerd-eerlijk en zo gewoon, dat het bijna geraffineerd leek. Ze riep beelden op van vreemde bloemen en vruchten, van lavendel en bloeiende kerselaars. De magie van haar Oosterse charme raakte ons allemaal. Ik kon begrijpen dat Johan stapelgek was op haar. Soms was ik een beetje jaloers en voelde ik mij, in vergelijking met haar, een houterig, onbeholpen wezentje in een mistige, koude wereld. Toen mama merkte dat het tussen Immi en Johan toch wat ging worden, veranderde ze, alleszins voor de buitenwereld en misschien uit een soort zelfverdediging, het geweer van schouder. Waar ze vroeger zei: “Je trouwt niet alleen met een meisje, maar ook met haar familie”, keerde ze dit nu probleemloos om en beweerde: “Tenslotte trouw je met het meisje, en niet met de familie”. Allebei te verdedigen en allebei fout. (Licht uit en af)

(Licht op woonkamer van Depoorter)

Emma (Aan de telefoon) Ja, Marja. Ja… Wel, hij kent ze nu toch al meer dan een maand. Hoe…? Immihan, heet ze. Ik zei vroeger altijd Immahin … Ja, een Turkse. Maar vriendelijk! Ge kunt het niet geloven. En ze kan werken als een paard. Ze heeft me geholpen bij de grote schoonmaak. Dat hadt ge moeten meemaken. Ge kent me, hé, Marja, ge weet dat ik er geen ben van alle uren ene lepel! Wel, ik kon haar bijna niet volgen. Echt waar … Watblieft? Ja, ’t valt mee. Ge denkt: een Turkse, wat gaan we nu toch in huis halen. Maar ze is vanaf haar vierde jaar in België … Ja, ge zoudt kunnen zeggen dat het een Vlaamse is … Ja, juist, Marie, ik heb liever dat hij op zo eentje valt dan op zo’n modepoppeke, dat de hele dag niets anders doet dan haar ogen blauw verven en met haar kontje draaien. Dat zeg ik. (Hilde op) Ze komt ook altijd mijn haren doen. De beste coiffeuse doet het niet beter. Echt waar. Ja ,., Wat zegt ge? … Onze Johan? Die is zo zot als een schup. Hij staat met Immihan op en gaat ermee slapen.

Hilde Maar, mama!

Emma Watte? Och gij, zottin! Nee, Marja, het is niet tegen u. Hilde zit hier grimassen te trekken. Ge kent dat jong volk wel, hé. Het was natuurlijk bij manier van spreken. Ge verstaat me wel … Ja, Marja, we staan gereed om naar u toe te komen. Leo heeft de auto al buitengereden. Ja … we brengen de appelen mee … Goed, daar gaan we samen naartoe. Dat is gezelliger. Tot seffens, Marja! (Hoorn neer. Johan holderdebolder de trap af) Hé, brandt het?

Johan Immi is er. Ze komt achterom.

Emma Ge zult ze nog dikwijls genoeg zien. Later zult ge niet meer zo rap zijn als ze binnenkomt. Vraag dat maar aan uwe pa.

Johan Stik.

Immi (Op via keukendeur. Draagt twee pakjes) Dag, allemaal. Johan Schatje. (Kust)

Hilde Ahum, ahum.

Johan Mmm! (steekt zijn tong uit naar Hilde) Immi (lacht) Hier, mevrouw, ik heb een cadeautje voor je meegebracht.

Emma Voor mij?

Leo (Op via voordeur) Ik heb de auto voorgereden en… O, dag, Immihan.

Immi Dag, meneer.

Emma Maar kind toch, wat is dit?

Immi Een stuk van het schaap, mevrouw. Zeventig dagen na het einde van de ramazan, vieren we het feest van Abraham. Dan slachten we een schaap. Dat verdelen we. Een gedeelte is voor de armen, een gedeelte voor de vrienden, een gedeelte houden we zelf. Jullie zijn vrienden…

Emma Wel, da’s schoon van u. Waar of niet, Leo?

Leo Fijn, Fijn. Echt waar. Verdomme,

Immihan, da’s een flink stuk, zeg. Wie zijn feest was het ook weer?

Immi Het feest van Abraham.

Leo Wel, zeg tegen Abraham dat hij bedankt is, hé.

Emma Zot! Ze bedoelt Abraham uit de bijbel. Daar hebben we toch ook over geleerd op school. Toch kurieus, we hebben allemaal verschillende godsdiensten an toch dezelfde Abraham. Weet ge wat ik denk? Dat het allemaal één pot nat is. Dat zeg ik.

Immi En als je Turkse recepten wil, zal ik ze je graag geven. Ik wil je er ook bij helpen,..

Emma Ge zijt een braaf kind, maar nu moeten we weg. We praten er nog wel eens over. Hilde, legt gij het vlees in de koelkast?

Hilde Ja, ma.

Immi Meneer Depoorter, dit is voor u.

Leo Voor mij? Wel, wel, wel.

Johan Open doen, pa.

Leo Een fles.

Hilde En meedelen.

Leo Eens kijken wat erop staat. Raki.

Immi Dat is Turkse likeur. Als u het aanlengt met water, krijgt u een anijsachtig drankje.

Leo Wel, ge doet me daar een heel groot plezier mee, kind.

Emma Ik ben er anders zeker van dat het slecht is voor uwe lever.

Leo Anijs? Dat geven ze zelfs aan kleine kinderen. Deze avond zal ik het drankje eens proeven. Op uw gezondheid, natuurlijk.

Immi. Hier, zie! (geeft haar een kus)

Emma Ouwe zot! Kom, laten we nu gaan want tante Marja staat te wachten. Johan, pak die kist appelen eens en zet ze in de koffer. Ja?

Johan Jap! (af)

Emma Tot straks.

Immi en Hilde Tot straks.

Emma En braaf zijn.

(Immi en Hilde bekijken elkaar en lachen. Emma af Na een stilte geeft Hilde een vriendelijk boksje tegen de schouder van Immi. Het betekent: Ik mag je wel Immi idem.)

Hilde Je had het zoéven over Abraham. Ben je gelovig?

Immi Wat betekent ‘gelovig’? Mijn ouders zijn het wel. Ze zeggen hun gebeden, houden zich aan de rituele reinigingen, onderhouden de vasten van de maand ramazan, eten geen varkensvlees en papa gaat regelmatig naar de moskee,

Hilde En jij?

Immi Ik onderhoud de ramazan: niet eten van zonsopgang tot zonsondergang.

Hilde Waarom doe je het?

Immi Omdat mama geen eten klaarmaakt.

Hilde Dat klinkt niet overtuigend.

Immi Ik weet niet meer wat ik moet geloven. Dit is een andere wereld. Wie heeft het bij het rechte eind. Mijn ouders? Jullie? Geen van beide ? Of allebei ? (Johan verschijnt in de deuropening met appel in zijn hand; eet)

Hilde O, je bent er al. Had je ook maar een appel voor ons meegebracht?

Johan Wil je eens bijten? (Hilde bijt) Immihan?

(Zij bijt ook evenals Johan)

Hilde (Onverstaanbaar) Anieprovozemolle.

Johan (idem) Agremaru.

Immi (idem) Sarejumvo…

Johan (slikt) Wat zegje, Hilde?

Hilde Dat je niet mag praten met volle mond. En nu ga ik studeren. Boven. (Trap op. Stopt halfweg) En als ik terug naar beneden kom, zal ik eerst heel hard met de deur slaan. (Immi en Johan bekijken elkaar en glimlachen)

Johan Immihan.

Immi Johan.

Johan Immijohan. Onze twee namen bij elkaar: zoals wij later. Ik ga een plaatje draaien. (Doet het. Langzame, zachte muziek) Dansen we? (Doen ze) Hoe voel je je?

Immi Geweldig. Je hebt het zelf gezien, we hebben het thuis niks gezellig. Zoveel mogelijk geld moet worden opgestuurd naar Akoy in Anatolië. Oma en opa leven ervan. Papa wil een huis kopen in Akoy. Ik mocht vroeger nooit mee op schoolreis. Zo een uitgave voor een kind. Weet je dat papa me eens slaag heeft gegeven omdat ik een poster had gekocht om mijn kamer een beetje op te vrolijken? Ik moest de poster terug naar de winkel brengen en het geld terugvragen.

Johan Hemel. Heb je dat gedaan?

Immi Ik heb hem in honderd kleine stukjes gescheurd en heb papa terugbetaald van mijn zakgeld.

Johan Geen enkel lichtpuntje?

Immi Jawel. Ik ben blij met kleine dingen.

Johan Als we trouwen, zul je ook nog vrij zijn.

Immi Een weelde.

Johan Wat zul je ermee beginnen?

Immi Leven. Intens leven. Met jou. Turkije is een mannenland. Ik had geen naam. Toen kwam jij en je zag dat ik Immihan was. En, Johan, dat was geweldig.

Johan Ik zal je verwennen. Je zult jezelf zijn en ook een beetje van mij.

Immi Veel. Heel veel. Maar ik ben bang,

Johan Voor mij?

Immi Ik stap van de ene wereld in de andere. Kan dat? Zal de wereld zich niet wreken?

Johan Welke?

Immi Die waar ik uitstap … maar ook die waarin ik terecht kom.

Johan Zie je deze handen?

Immi (guitig) Ik heb ze ook al gevoeld.

Johan Desnoods bouw ik er een satelliet mee voor ons tweeën en we brengen die in een baan rond de twee werelden. Zeg me na: Ik geloof… Kom, kom!

Immi Ik geloof.

Johan Ik geloof dat Johan me gelukkig zal maken.

Immi Ik geloof dat Johan me gelukkig zal maken.

Johan Hee, je glimlacht weer. En je ogen schitteren: Bengaals vuur. Ik trouw met je en… we gaan op huwelijksreis naar Akoy in Anatolië.

Immi Ik zal met je pronken, Je zult in alle gezinnen worden uitgenodigd, hectoliters thee en koffie moeten drinken, je volproppen met zoete gebakjes en maanden later zul je nog geuren naar reukwater. De mensen zullen zeggen: Die Johan en Immihan zijn een fijn paar. Allah zal hen goedgezind zijn.

Johan En ik zal dansen op het feest, samen met de mannen. Hé, ik heb hier jouw Turks plaatje nog liggen. Ik draai het even. (Verwisselt de plaat. Turkse muziek, Johan pakt een zakdoek en danst.) Hup, hup …

Immi Johan, je kunt het. Prachtig.

Johan Dans mee!

Immi Mannen dansen alleen.

Johan Niet in mijn land. Niet in ONS land.

(Immi danst mee. Plotseling stopt ze)

Immi Zeg, Johan, ik heb een prachtig nieuw plaatje gekregen van een oom die met vakantie is geweest. Ik ga het halen. Het is voor jou.

Johan Nee, Immi, we hebben het nu zo gezellig. Blijf hier.

Immi Vijf minuutjes. Kun je me vijf minuutjes missen?

Johan Nee.

Immi Bij jou zou ik vrij zijn, weet je?

Johan Chantage.

Immi Ik wip op mijn fiets. Ik ben zo terug.

(Vlug kusje en Immi af. Johan zet plaatje af en gaat zitten. Hilde komt naar beneden.)

Hilde Ik zag Immi wegfietsen.

Johan Ze is een plaatje gaan halen. Een Turks.

Hilde Je bent wel erg verliefd, hé?

Johan Het was een prachtig plannetje van jou.

(Hilde lacht) Waarom lach je?

Hilde Ik denk aan … het feest van Abraham.

Johan Ik zie niet in…

Hilde Om wat papa zei.

Johan O, ja! (lacht ook)

Hilde (lachend) Zeg tegen Abraham … dat hij … bedankt is … (Beiden lachbui)

(Licht afwisselend in de woonkamer van Keiman en Depoorter)

(Hond blaft. Immi binnen. Recht naar de kast, op zoek naar het plaatje. Keiman zit te eten. Gesprek loopt in het Turks. Ondertussen wordt er ook in de kamer bij Depoorter verder geacteerd.)

Immi Pilak almaya gidiyorum. (Ik kom een plaatje halen)

Yusuf Immihan ben, sana sonra haber getirim. Bir, iki hafta sonra benimle Türkiyeye gidiyorsun. Sen Mohammed Zatiyle evlene-ceksin. (Immihan, ik heb nieuws voor je. Binnenkort reis je met me mee naar Turkije. Je zult er trouwen met Mohammed Zati.)

Immi Een Mohammed Zatiyi hic tanimiyorum. (Mohammed Zati? Die ken ik helemaal niet.)

Yusuf Seninonu tanimanigincij sebeker var. (Je hebt een heel leven om hem te leren kennen.)

Johan Het feest van Abraham. Lieve help. Maar toch, Immihan is hier nu altijd welkom, alhoewel…

Immi Ben tanimadigim adamla evlenmem. (Ik trouw niet met iemand die ik niet ken.)

Hilde (Imiteert moeder) Er heeft weer een Turk een ongeval veroorzaakt. Niet verzekerd, natuurlijk!

Yusuf Sen benim dedigimi yapacaksin. (Je zult gehoorzamen.)

Johan (Idem als Hilde) Heb je het gelezen in de krant? Honderd kilogram hasj ontdekt in bestelwagen van een Turk.

Immi Hic. Hic. Ben istedigim adamla evlenirim. (Nooit, nooit. Ik wil zelf iemand kiezen.)

Yusuf Sen benim dedigimi yapacaksin. (Je zult gehoorzamen) (De muziek zwelt aan tot ze pijnlijk klinkt)

Immi Hic!

Yusuf Sen benim dedigimi yapacaksin! (Yusuf slaat Immihan. Gil. Licht uit. Muziek breekt af Deur slaat dicht. Hond blaft. Ook in de woonkamer van Depoorter dooft het licht.)

(Licht aan op Hilde — Face publiek — Woonkamer)

Hilde Zo ongeveer heeft het zich afgespeeld. Terwijl Johan en ik ons zaten vrolijk te maken, werd in het huis van Keiman de klok honderd jaar teruggedraaid, of, in afstand gemeten, de grens 4.000 kilometer naar het oosten verlegd. Toen we achter de lijkwagen voorbij het huis van Keiman stapten, wist ik het: in feite werd Johan daar en op dat ogenblik vermoord.

Licht aan op de woonkamer van Depoorter

(Johan is ongeduldig. Kijkt op zijn horloge, dan door het raam. Hij glimlacht. Hij ziet Immihan aankomen. Hij zet terug het Turks plaatje op en danst.)

Hilde (Als Immi in paniek binnenkomt) Immi, wat is er gebeurd?

Immi (met een gil) Johan!

Johan (verschrikt) Immi…

Immi Johan, verschrikkelijk!

Johan Vertel het me. Is er een ongeluk gebeurd bij je thuis? Je moeder, je vader, het huis…

Immi Ik … ik kwam zoéven thuis. Vader was er al en …

Johan Zeg het, Immi.

Immi Ik moet trouwen, Johan. (Ijzige stilte. Ze bekijken elkaar)

Hilde Sorry, ik wil me niet …. (wil naar boven gaan)

Immi Blijf, Hilde, alsjeblief.

Johan Immi, ik snap het niet.

Hilde Kom, wees es kalm en vertel het es rustig.

Immi Ik kwam thuis. Vader was aan ’t eten en zei: “Immihan, volgende maand reis je mee naar Turkije. Je zult er trouwen met Mohammed Zati.”

Johan Wie voor de drommel is Mohammed Zati?

Immi Weet ik niet. De zoon van een vriend van papa in Akoy. Weet ik veel. Ik heb de jongen nog nooit gezien.

Johan Maar hoe kun je dan in ’s hemelsnaam met hem trouwen?

Immi Het kan. Het gebeurt nog dikwijls in Turkije dat de huwelijken geregeld worden door de ouders. Ze vinden het vanzelfsprekend.

Johan Maar jij leeft in België. (Plaat af)

Immi Ik wel. Papa en mama niet. Zij denken dat ze Turkije mee naar hier hebben gebracht. Johan Heb je niet gezegd dat je die Mohammed helemaal niet kent?

Immi Jawel. Ik heb het uitgeschreeuwd.

Johan En?

Immi “Je hebt een heel leven om hem te leren kennen”, zei hij. O, Johan, ik weet niet meer wat ik heb gedaan. Ik ben gaan gillen, heb een stoel omvergegooid…

Johan En je vader?

Immi Die was verbaasd. Precies of hij niet kon begrijpen dat ik er iets op tegen had. Ik heb geroepen dat ik het niet zou doen. Nooit. Toen heeft hij me geslagen. Kijk!

Johan, ik ben het huis uitgelopen en naar hier gerend.

Hilde Immi, dat kan toch niet. Iemand moet hem vertellen dat dit onmogelijk is, dat je dit niet kunt doen: niet in dit land.

Immi Ze hebben hem wel verteld hoe hij kolen moet hakken, maar niemand is op het idee gekomen hem te vertellen dat hij me niet meer kan behandelen alsof ik een boerenmeisje ben uit een godvergeten dorpje in Anatoliè.

Johan Het is niet mogelijk.

Immi Jawel! Er zijn al tientallen meisjes uit de mijnstreek naar Turkije gereisd om er te rouwen.

Johan Heb je hem verteld dat je van mij hield?

Immi Ik zei dat ik een Vlaamse jongen kende.

Johan En?

Immi Wat hij zei drong niet tot mij door. Ik was verdoofd.

Hilde Het komt vast in orde. Zo een vaart zal het wel niet lopen.

Immi Ik ben driemaal in Turkije met vakantie geweest. Ik heb er huwelijksfeesten meegemaakt : drie dagen in het dorp van de bruid, twee dagen in het dorp van de bruidegom. Heel het dorp vierde mee. Dans. Muziek. Geweldige kleuren in de zon. Maar ik heb ze gezien, de vrouwen, die onmiddellijk reageerden als de man met zijn vingers knipte, die zich uitsloofden op de akker met een kind op de rug … Jonge meisjes waren drie jaar later oude vrouwen geworden, die niet mochten meepraten, niet mochten intelligent zijn…

Johan Kom nou, Immi. Kom nou!

Immi Zij weten misschien niet beter, maar ik leef HIER. Ik praat mee over politiek, film, toneel, muziek … En ik heb er een eigen mening over. Ik dacht: dit is jóuw wereld, Immihan. Je hebt hem verworven. Het is een vrije wereld. En toen kwam jij, Johan. Toen vond ik het helemaal geweldig. Nu wil papa me in de handen stoppen van een onbekende Mohammed Zati.

Johan Verdomme, (trekt zijn jasje aan)

Hilde Waar ga je naartoe?

Johan Naar haar vader,

Immi en Hilde Nee!

Johan Ik wil hem zeggen dat hij dit met jou niet kan doen. En als hij niet redelijk is, zal k er op los timmeren. Ik zal bereiken dat.,.

Hilde Dit zul je bereiken. (Wijst naar de wang van Immihan) Immi zal straks terug naar huis gaan en je mag raden wat er zal gebeuren als jij de zaak eerst bent gaan verknoeien.

Immi Niet doen.

Johan Verdomme.

Immi Geen enkele Turkse vader neemt het dat een buitenstaander zich bemoeit met zijn gezin.

Hilde Toch moet je geholpen worden. Er zijn toch diensten: de onthaaldienst voor gastarbeiders, de sociale dienst van de politie.

Johan Ik zal er naartoe gaan.

Immi Och.

Johan Ik wil het proberen. Ik wil alles proberen. Wat zegt de wet? Mag je vader je meeslepen naar Turkije als je dat niet wil?

Immi Ik… weet het niet.

Johan Het zal niet gebeuren. God, wat moeten we beginnen?

Hilde Zeggen we het tegen mama en papa?

Johan Nee!

Hilde Waarom niet?

Johan Heel het gezeur zal herbeginnen: “Ik heb het altijd wel gedacht. Heb ik je niet verwittigd? Ik wist dat het zo zou eindigen…” Ik zou het niet kunnen verdragen. (Stilte) Immi, als ik nu eens met je vader zou gaan praten, van man tot man…

Immi Nee, Johan, het zal je niet lukken. Niet nu er zo een grote som …

Johan Som:

Immi (Na een stilte) Als er in Turkije een huwelijk plaatsvindt, is het de gewoonte dat de vader van de bruidegom een som geld geeft aan de vader van de bruid.

Johan En?

Immi Papa zou honderdduizend frank krijgen.

Johan Voor jou?

Immi Voor mij. (stilte)

Johan En dat heeft hij zomaar gezegd ?

Immi (knikt) Zati heeft natuurlijk niet zoveel geld, maar…

Johan Hoe betaalt hij dan ?

Immi Er mogen geen gastarbeiders meer het land binnen. Maar als een vreemdeling trouwt met iemand die in België woont en die er werk en een woning heeft, dan mag het wel. Mohammed Zati zou dus met me trouwen, mee naar hier komen, werk zoeken en… papa betalen.

Johan Immi, je wordt verkocht!

(Stilte. Johan gaat naar de telefoon, draait een nummer.)

Hilde Wat ga je doen ?

Johan Ik bel de politie. (Licht uit)

III

(Licht op woonkamer van Depoorter)

(Keiharde muziek in de woonkamer. Hilde leest. Vader maakt z’n Kaki-drankje klaar. Moeder breit.)

Emma Hilde, zet die muziek stil. (Wacht) Hoort ge me niet ?

Hilde (kijkt op) Hee?

Emma Die muziek! (Hilde op. Radio uit. Leest verder.) Ik vraag me af hoe gij kunt lezen bij zo’n lawaai.

Hilde Lawaai? Dat zijn de Holiday-singers,

Emma Hoe ze heten weet ik niet, maar ik ben er zeker van dat ze haren tot op hun gat hebben.

Leo (heeft water bij de raki gedaan) Kijk eens, kijk, kijk… Hoe dat van kleur verandert. Juist melk. (proeft) Hmmm… en lekker. Juist zoals

Immihan heeft gezegd: ’t smaakt naar anijs. Wilt ge ook eens proeven, Emma?

Emma Ik moet van die smeerlapperij niet weten. Als die fles uit Turkije komt, godweet wat er dan allemaal inzit.

Leo Da’s zuivere drank, Emma.

Hilde Ma, gij denkt zeker dat Turkije aan het ander eind van de wereld ligt en dat er nog geen beschaving is doorgedrongen ?

Emma ’t Zal niet veel schelen,

Hilde Als je eens wist welke kunstschatten er in Turkije zijn.

Emma U maken ze ook wijs wat ze willen,

Hilde Het staat in de boeken.

Emma Papier is verduldig,

Leo En daarbij, Immihan zou me die fles toch niet geven als ze niet zeker wist dat het goed voor mij was. (proeft) En het IS goed.

Emma Leo, ik moet u iets zeggen. Nu ge toch over Immihan bezig zijt… Er is iets niet in orde.

Leo Hoe “daar is iets niet in orde” ?

Emma Daar stinkt iets. Dat zeg ik.

Leo Gij ziet spoken. Zeg, da’s sterk spul. Laat eens zien: 48 graden. Da’s sterker dan whisky.

Emma Zet die fles neer en luister. Voelt ge niet dat er iets veranderd is? Ziet ge Johan nog lachen? Ziet ge Immihan nog lachen?

Leo Bah, onze Johan is een beetje kribbig. Dat zal wel voorbijgaan.

Emma Een beetje kribbig, noemt hij dat. ’s Morgens komt hij naar beneden met zo’n gezicht. Als ge hem een vraag stelt, krijgt ge geen antwoord. Meneer sluit zich op in zijn kamer, komt alleen naar beneden om te eten, doet geen bakkes open en slaat met de deuren als hij naar buiten gaat.

Leo Misschien heeft hij woorden gehad met Immihan… Hoe dikwijls hebt gij vroeger geen ruzie gehad met mij ?

Emma Ja, maar nooit een week lang. Ge liept de benen onder uw kont uit om het terug goed te maken. En nochtans, gij waart een koppige ezel, dat weet ge zelf ook. Nee, ’t is geen ruzie. Dat zeg ik.

Leo Hoe weet ge dat ?

Emma Omdat ik het weet!

Leo Ah!

Emma ’t ls niet dezelfde Immihan van een tijdje geleden. Dat zeg ik.

Leo Ik vind het een goed kind.

Emma Daar hebben we het verdomme niet over!

Leo Hee, hee!

Emma Er scheelt iets. Als ze bij elkaar zijn en ge komt onverwacht binnen, ziet ge ze ook niet meer vrijen. Nee, ze zitten te fezelen met zo’n gezichten. Dat is niet normaal. Dat zeg ik. En dan is er nog iets… Zijn baas heeft gebeld.

Leo Meneer Vils?

Emma Ja, meneer Vils. Hij heeft maar één baas. Waarom vraagt gij altijd naar uwe bekende weg?

Leo Wat zei hij ?

Emma Hij vroeg me wat Johan tegenwoordig mankeerde,

Leo Mankeren ? Er mankeert niets aan. Hij is een goed vakman. Ge weet toch wat André van hier tegenover altijd zegt: “In de garage van Vils mag alleen Johan een poot naar mijn wagen uitsteken.” Toch een teken dat hij content is,

Emma Ja, dat was twee weken geleden. Vils heeft vandaag gebeld en hij zei dat Johan precies met zijn gedachten niet bij zijn werk was. Vroeger, zei hij, was het een plezier om hem bezig te zien, maar nu vergist hij zich tien keer per dag. Ge kunt hem niet meer alleen laten werken. Dat zei hij. En of wij soms wisten wat er scheelde.

Leo Wat hebt ge gezegd ?

Emma Wat kunt ge daarop zeggen? Dat hij in huis ook vervelend was en dat ik eens met hem zou praten. Leo, het is precies of er een ongeluk boven ons hoofd hangt. Ik voel dat. Weet ge wat ik denk dat er is gebeurd?

Leo Hmm?

Emma Ik denk dat ons Johan.,. en Immihan, Het is me allemaal te geheimzinnig.

Leo Hoe?

Emma (Na blik op Hilde) Niks. Ik zal het u straks wel vertellen.

Leo Wel, ik ga nog een slokje van dat goedje pakken. Ik had nooit gedacht dat ze in Turkije…

Emma Potverdomme, Leo, een mens zit in spanning, uw zoon slaat met de deuren en behandelt u alsof ge een stuk stront zijt, en Depoorter gaat een slokje drinken. Ge voelt met uw ellebogen dat er iets in de lucht hangt. Zijt gij potverdomme een vader? De baas van Johan belt op om te vragen wat er de jongen scheelt. Da’s een vreemde, maar hij merkt het Gij niet, Depoorter. Laat de poes maar pissen! Het zal allemaal wei in orde komen. God schept de dag en Depoorter loopt erdoor. Hoe ben ik met zo iemand kunnen trouwen. Zijt gij een man ?

Leo Met zo iemand zijt ge niet getrouwd. Gij hebt me zo gemaakt.

Emma Depoorter, nu ga ik u eens iets zeggen.

Leo Ge hebt al genoeg gezegd. Ik heb altijd moeten zwijgen. Gij hebt het allemaal geregeld, ook voor de kinderen. Ik kende er niks van en alles wat ik deed was verkeerd. Nu het misloopt ben ik plotseling de man. Nu zou ik de zaak moeten oplossen. Wel, regel gij het nu ook maar, godverdomme. (Af Klapt de deur toe.)

Hilde Pataat: ’t is weer kermis. (Leest een spreuk aan de muur) “Beter een thuis dan een pracht van een huis.” Bond zonder naam. Wel, het is hier nogal een thuis.

Emma Zwijg, snotbei, gij weet niet wat een moeder is. (Huilt en loopt de trap op. Halfweg stopt ze.) En gij weet ook van niks, hé. Gij speelt het spelletje mee! Goed, ge hebt gelijk. Hou uw moeder maar overal buiten.

Hilde Maar ma… (Emma af. Hilde haalt haar schouders op. Buiten stopt een bromfiets. Hilde kijkt door het raam. Johan op met helm. Wil doorlopen naar boven.) Johan! (Johan blijft staan) ’t Is weer kermis. Johan Da’s geen nieuws, ’t Is hier elke dag ruzie.

Hilde Om jou. Mama weet dat er iets hapert.

Johan Ik vraag alleen maar dat ze me met rust laten! (af)

Hilde Johan, dit is niet meer te harden…

(Licht op Hilde. Face publiek. Woonkamer)

Hilde Het was niet meer te harden. Er moest iets gebeuren. De situatie werd stilaan op de spits gedreven. Er zou een uitbarsting komen, misschien zelfs fysiek geweld. De beste oplossing zou een gesprek zijn. En dat kwam er. Ik was mama dankbaar dat ze de eerste stap zette. Maar waar ik dacht dat ze tot de kern van de zaak was doorgedrongen, merkte ik dat haar onrust een andere voedingsbodem had; egoïsme.

(Licht in de woonkamer van Depoorter)

(Johan terug binnen, wil naar boven gaan.)

Emma (komt naar beneden) Waar gaat ge naartoe ?

Johan Naar boven om…

Emma Dat kan wachten. Hilde, ga de handdoeken op de drooglijn hangen.

Hilde Is al gebeurd.

Emma Ga dan opruimen in de keuken.

Hilde In de keuken?

Emma Ik wil Johan onder vier ogen spreken.

Hilde O! Zeg dat dan ! (af)

Emma Wel, meneer?

Johan Hoe?

Emma Juist of ge uit de lucht komt gevallen. Ge kunt uw moeder niet voor de gek houden, jongen. Meent ge nu werkelijk dat ik niet merk dat er iets scheelt ? Zo dom ben ik ook niet. (Johan wil weggaan) Nee, ge blijft hier. Zeg op.

Johan Maar, ma…

Emma Niks te maren. Wat zit er scheef tussen u en Immi?

Johan Niets.

Emma Maak me geen blaaskes wijs. Ik heb mijn ogen niet in mijne zak. Als er dan toch geen vuiltje aan de lucht is, waarom loopt ge dan rond met zo’n kop en zijt ge te mottig dat ge op een fatsoenlijke vraag een fatsoenlijk antwoord geeft. Waarom snauwt ge uw moeder af als een stuk vuil ? En waarom stapelt ge in de garage de ene stommiteit op de andere zodat Vils moet telefoneren wat er aan de hand is?

Johan Heeft Vils…?

Emma Deze middag. Ge zijt trouwens een uur te Iaat op uw werk gekomen.

Johan Vils is een azijnpisser.

Emma Vils is een baas die van u een serieuze stielman wil maken, dat weet ge zelf goed genoeg. Wel… Ziet ge Immihan niet meer graag?

Johan Niet meer graag? Maar jawel, ma. Immi is… Kom, waarom zou ik haar niet meer graag zien?

Emma Wel, als ge ze graag ziet is er iets anders gebeurd. En ik kan al raden wat. (Stilte) Is het dat?

Johan Ik weet niet wat je bedoelt.

Emma Dan zal ik het u zeggen. Ge hebt Immihan zwanger gemaakt.

Johan Zwanger?

Emma Ze moet een kind krijgen.

Johan Wie heeft gezegd dat Immi een kind moet krijgen? Ik zal hem…

Emma Niemand heeft dat gezegd. Ik vraag het u.

Johan Je bedoelt zwanger van mij ? Maar ma, ben je gek?

Emma Ja of nee?

Johan Nee, natuurlijk.

Emma Wel, da’s een pak van mijn hart. Het is of er honderd kilo van me is afgevallen. De rest is bijzaak. Met uw kleine ruzietjes hou ik me niet bezig. Dat komt vanzelf in orde. Ik ben alleen maar blij dat… Afin, zie dat ge in ’t vervolg een andere kop opzet en dat ge een beetje hartelijk zijt tegen uw moeder. En tegen uw vader ook. Voila! O, ik ga eens kijken of mijn was droog is. (af)

Johan (Perpleks) Zwanger… Lieve mensen.

Hilde (Op) Johan,

Johan Zwanger…

Hilde Wat bedoel je?

Johan Weet je waarom jij moest verdwijnen?

Hilde Geen idee van.

Johan Mama vroeg me of Immi zwanger was. Stel je voor…

Hilde O, en is dat zo?

Johan Zijn jullie allemaal getikt ?

Hilde ’t Zou toch kunnen, hé. Of denk je dat het nog nooit is gebeurd dat een meisje…

Johan Wel, ik heb mama gerustgesteld. Immi is niet zwanger.

Hilde Als jullie toch aan ’t praten waren, heb je dan niet meteen verteld waar het op stond?

Johan Ik kreeg de kans niet. Mama was gerustgesteld, Immihan was niet zwanger. Hoera! De eer van de familie blijft ongerept. Alsof er geen honderd dingen kunnen gebeuren die veel erger zijn. Verdomme, ik wilde dat ze zwanger was, dan moesten we wel…

Hilde Johan, je hebt de politie gebeld. Ben je naar de afspraak gegaan?

Johan Ja.

Hilde En?

Johan Och… Een agent luisterde naar de radio, een andere las de krant en dronk koffie. En

dan moet je vertellen… Och, verdomme.

Hilde Waren ze niet vriendelijk?

Johan Ik kreeg zelfs een kopje koffie. Maar het was alsof je je moest uitkleden waar anderen bij zijn.

Hilde En het resultaat ?

Johan Het komt hierop neer: Yusuf Keiman mag rustig met zijn dochter naar Turkije reizen, Immi is minderjarig en Yusuf is het hoofd van het gezin. De politie kan het niet verhinderen.

Hilde Is dat alles?

Johan Ze zullen een maatschappelijk werkster naar Keiman sturen om over de zaak te praten.

Hilde En?

Johan Weet niet. En laat me godverdomme nu met rust. (af)

(Licht op Hilde. Hilde face publiek. Woonkamer)

Hilde De maatschappelijk werkster liep inderdaad binnen bij Keiman. En we zouden vlug ondervinden welk resultaat dit opleverde. (Licht dooft)

(Licht op de woonkamer bij Keiman)

(Madama sociale is te gast bij Keiman)

M. Soc. Waarom, Yusuf? Je weet toch dat kinderen anders gaan denken, voelen, leven dan hun ouders.

Yusuf Immihan mijne kind, madame sociale. Als de papa zeggen “ja”, ook de kind moeten zeggen “ja”. Als de papa zeggen “nee”, ook de kind moeten zeggen “nee”. Gij hebben ene kind? Als gij zeggen “ja” en de kind zeggen “nee”, wat gij doen ? Klets, klets, klets. Ik ook, madame sociale.

M. Soc. Nee, Yusuf, ik zal met mijn kind praten en het proberen te begrijpen.

Yusuf Niet goeie.

M. Soc. Wel goeie. Je mag toch niet beslissen over het leven van je dochter?

Yusuf Ik weten wat goed zijn voor de meisje, madame sociale. Ik kennen de jongen Mohammed Zati waar zij mee trouwen. Goeie jongen. Waarom zij niet trouwen met goeie jongen?

M. Soc. Maar je woont in België, Yusuf. Immihan leeft vanaf haar vierde jaar in dit land. Laat ze zelf beslissen.

Yusuf Wat zie ik in deze land? De meisje of de jongen kiezen met wie trouwen. Ja ? Na ene jaar de meisje gaat weg of de jongen gaat weg. Familie kapot. Niet in Toerkie, madame sociale. ïn Toerkie goeie familie, madame sociale.

M. Soc. Maar Immi houdt niet van Mohammed.

Yusuf Hoe zij weten? Als zij Mohammed zien drie keer, zij zeggen: Goeie jongen! Ik weten! Want ik Mohammed wél kennen, en de papa van Mohammed en de papa van de papa. Allemaal goeie, madame sociale. Gisteren jaar ik in Toerkie. Vakantie. Papa Zati mij vragen: Immihan worden de vrouw van Mohammed, Ik zeggen: goeie.

M. Soc. Maar Immihan hield van een andere jongen.

Yusuf Dan waarom Vlaamse papa niet komen naar mij ? Hij zeggen: Ik wille uwe meisje voor mijne jongen. Ik geven zoveel geld.

M. Soc. Zati zou je 100.000 frank geven.

Yusuf Hoe gij weten?

M. Soc. Bijzaak, ik weet niet.

Yusuf 100.000 frank nie vele, madame sociale.

Immihan goeie meisje. Vele geld verdienen met de haren. En Mohammed komen naar België. 100.000 frank is vier maanden werken. Daarna altijd geld verdienen. Ook als geen werk meer. Dan doppen, madame sociale. 100.000 frank nie vele!

M. Soc. Yusuf, je woont nu toch al veertien jaar in België. Je weet dat het er hier anders aan toe gaat. Er zijn heus ook goeie families in ons land. Ik ben ook getrouwd en we hebben een fijn gezin. Mijn familie is niet ‘kapot’, Yusuf, en zo zijn er heel veel,

Yusuf Madame sociale is uit deze land. Goeie. Maar ikke Toerk. Als ik ga terug naar Akoy in mijne land, wat de mensen zeggen? “Daar is Yusuf Keiman. Die hebben gezegd: zijne dochter trouwen met Mohammed Zati”. En dan, als zij niet trouwen? Zij zeggen: “Die Yusuf vele beloven, maar niet doen”.

M. Soc. Nu denk je aan jezelf, Yusuf. Je bent bang om terug naar Turkije te gaan. Je bent bang om ze in Turkije te vertellen dat in België een meisje zelf een man kiest…

Yusuf Madame sociale, waarom gij binnen in deze huis? Gij hebben ook ene huis. Wat gij zeggen als ene man komt binnen uwe huis en zeggen: Daar moet staan de tafel, daar moet staan de stoel. Wat gij zeggen? Gij geven stamp onder de kont en zeggen: “Weg! Dit mijne huis. Ikke baas in mijne huis.”

M. Soc. Yusuf, natuurlijk ben je baas. Maar begrijp nu toch eens dat je niet meer in Turkije woont. Ik ken een heleboel Turken die wel beter weten. Die hebben zich aangepast.

Yusuf Dat gene goeie Toerken.

M. Soc. Dat zeg jij. Waarom denk je dat je gelijk hebt? Heeft Atatürk niet zelf gezegd: Eén van de dwingendste eisen van dit ogenblik is de emancipatie van onze vrouwen, op alle gebieden.

Yusuf Madame, is verboden van nemen mijne dochter mee naar Toerkie?

M. Soc. Niemand kan je dat beletten.

Yusuf Goeie. Dan, ga weg, madame, (staat op. Deur open)

M. Soc. Laten we praten, Yusuf.

Yusuf Praten, praten, praten. Waarom praten? Ikke baas. Immihan luisteren. In deze land kinderen niet luisteren. En wat ik zie? Jonge mensen in deze land maken vele kapot, vele protesteren, vele vechten, vele stelen, vele doodmaken. Mijne Immihan wél luisteren.

M. Soc. Yusuf, je kunt altijd bij mij terecht als je mij nodig hebt. (Af. Hond blaft)

Yusuf Fatima!

Fatima (op) Evet. (Ja?)

Yusuf Nerede Immihan? (Waar is Immihan?)

Fatima Isinde. (Op haar werk)

Yusuf Ceketimi ver. Ben onu getirmeye gidiyorum. (Geef mijn jas, ik ga ze halen.)

(Trekt jas aan. Af Deur klapt toe. Hond blaft. Licht uit.)

(Licht aan op Hilde. Hilde face publiek. Woonkamer)

Hilde De traditie van het patriarchaat heeft diepe wortels, die niet door een reisje naar het westen worden aangevreten. Twee werelden lijnrecht tegenover elkaar. Het werd op de spits gedreven. Wat er precies na deze scène gebeurde, werd me duidelijk toen papa enkele ogenblikken later binnenkwam. (Licht dooft op Hilde)

(Licht aan op woonkamer Depoorter)

Leo (komt binnen met schoffel) Wel, godverdomme.

Hilde Wat is er, pa ?

Leo Dat heb ik in mijn hele leven nog niet meegemaakt. Waar is Emma?

Emma (komt uit keuken) Botten uit! En sinds wanneer komt ge met een schoffel de kamer in ? En ik maar op mijn knieën liggen om schoon te maken. (Pakt hem de schoffel af verdwijnt ermee in de keuken en komt dan terug binnen.)

Leo Ja, ja, maar luister nu eens. Ik stond aan de straatkant te schoffelen. Kwam er een man aan op het pad achter de bomen. Hij joeg een meisje voor zich uit. Ik dacht: dat is precies Immihan. Ze kwamen dichterbij en… potverdomme, het was Immihan, maar met zo’n ogen van het huilen. Ge kunt denken hoe ik daar stond te kijken. De man — een kerel met een zwarte snor — riept iets tegen haar. Ik verstond het niet. Ik veronderstel dat het Turks was. Hij kwam me voorbij. Alleen de haag tussen ons. Begon hij tegen mij te schreeuwen! Ik -verstond er geen bal van. Ik wou nog beleefd blijven en zei: meneer, comprend pas. Pakte hij me bij de kraag van mijn jas, zo over de haag, en schudde me door elkaar. Zo’n poten had die kerel. En maar schreeuwen. Het enige wat ik verstond was: “mijne dochter… Politie… Vlaamse jongen!” Ik dacht: meteen trekt hij nog een mes. Maar nee, hij liet me los en liep achter Immihan aan.

Johan (Op. Heeft laatste zinnen gehoord) Immihan?

Leo Zou dat haar vader zijn?

Johan Waar is ze nu ?

Leo Wel, ze was ondertussen doorgelopen.

Johan De smeerlap! (loopt naar buiten)

Hilde Johan, nee!

Emma Herbegint het spelletje ?

Hilde God, pa, ik ben bang. Zouden ze al thuis zijn? Hoe lang is het geleden ?

Emma Mag ik weten wat er aan de hand is?

Hilde Ik hoop dat hij nu geen stommiteiten doet, ma. Vooral nu niet.

Emma Wat is hier gaande?

Hilde Het interesseerde je alleen maar of Immihan zwanger was. Of niet?

Emma (Geeft Hilde een klap. Stilte) Och nee, dat had ik niet mogen doen. Maar ziet ge dan ook niet hoe ge mij opjaagt? Een mens zou nog gek worden! (kijkt naar Leo. Die voelt zijn pols.) Wel, ge staat daar precies gelijk een standbeeld.

Leo (wijst op zijn pols) Honderdvijfentwintig. Dat kan niet goed zijn. (Licht uit)

(Licht op woonkamer Keiman)

(Yusuf rookt. Immihan haakt. Fatima ook. Hond blaft. Er wordt gebeld, Fatima en Immihan kijken op. Yusuf staat op en kijkt naar buiten. Doet Fatima teken te blijven staan. Nu wordt er op de deur gebonsd.)

Johan (Onzichtbaar) Immi! Immi, ben je daar? (Immihan wil opstaan. Yusuf doet teken te blijven zitten.) Immi, verdomme! Immi! (Turkse muziek. Geluid van een trein. Licht dooft.)

(Licht op Hilde. Hilde face publiek.)

Hilde Immi werd bewaakt als in een sprookje uit duizend en één nacht. Als haar vader aan het werk was, trok oom Kasim de wacht op. Voor Johan was het onmogelijk bij haar te komen. Ik speelde het wél klaar toen ze terug kwam uit de kapsalon. Ze was er nog enkele spullen gaan halen. Ze was ontslagen nadat Yusuf haar uit de salon was komen sleuren, want zo’n incident konden ze bij Vandijk niet hebben : hun reputatie, weet je. Yusuf werkte ’s morgens. Kasim had middagpost. De tijd die er nodig was om elkaar te kruisen, was de enige mogelijkheid voor Johan en Immi om elkaar te ontmoeten. Ik regelde de afspraak. (Licht dooft)

(Licht op het buitengebeuren)

Johan (Bij de bank. Wacht op Immihan. Die komt eraan.) God, Immi.

Immi Johan! Het is verloren, (Omarming)

Johan Nee! Nee,

Immi Ik voel het.

Johan Hebben ze je geslagen ?

Immi Och.

Johan Je bent mager geworden.

Immi Jij ook. Mijn schuld.

Johan Jouw schuld? Verdomme, Immi, je weet dat het niet waar is. Je weet best wie z’n schuld het is.

Immi Nee, ik weet het niet.

Johan Weet je wat ik altijd gedacht heb? Als ik soldaat moet worden en het wordt oorlog, zal ik nooit iemand doodschieten. Ik zal nooit de trekker over halen. Ik zou het niet kunnen.

Immi Traditie. Kan de traditie schuldig zijn?

Johan Maar ik heb me vergist. Ik zou je vader kunnen kapot schieten om wat hij je aandoet.

Immi Zijn hoofd is in Turkije. Alleen zijn handen werken in België.

Johan Godverdomme, ik hou van je.

Immi Vergeet het.

Johan Wat moeten wij doen?

Immi Doen ? Vrijdag om kwart over vijf vertrekt een trein naar Turkije. Ik zal erin zitten.

Johan Nee, godverdomme, nee! Al moest ik op de rails gaan liggen. Al moest ik… ik-weet-niet-wat! Je gaat niet naar Turkije. Immi, vecht, godverdomme, jong.

Immi Vechten? Ik heb nooit anders gedaan. Ik vocht op school omdat ze zegden dat ik een Turkse was en ik vocht thuis omdat ze zegden dat ik geen Turkse was. Wat kan ik doen? Op de hoek van de straat gaan staan en het uitschreeuwen: mensen, luister eens wat er met ons is gebeurd! Hoeveel mensen zijn er in onze gemeente ?

Johan Immi, zo bedoelde ik het niet.

Immi 60.000! Ze zullen voorbijlopen. Alle 60.000. Even kijken… en voorbijlopen. En alles wat je vandaag om je heen ziet, zul je dan ook zien: de groenteboer, die met zijn wagen over de tuinwijk rijdt, de kinderen die naar school gaan, een zweefvliegtuig, hoog in de lucht. Alsof er niets aan de hand is.

Johan Je moet weglopen.

Immi En in Akoy weet een zekere Mohammed Zati dat ik in de trein stap die mij naar zijn bed zal brengen. Traditie! Misschien is hij verlegen of misschien zal hij me bespringen als een hengst; maar hij zal proberen van mij een vrouw te maken die luistert als hij met z’n vingers knipt. Traditie.

Johan Weglopen.

Immi Ik houd het nooit vol.

Johan Godverdomme, je moet weglopen!

Immi Weglopen ? Waarheen ? Naar het stort ? Het bos? Het houtpark?

Johan (Denkt even na) Traditie. Immi, traditie, jong!

Immi Hoe bedoel je?

Johan Niet elke man in Turkije trouwt met het meisje dat zijn vader voor hem heeft uitgezocht. Het gebeurt dat een jongeman een meisje graag ziet dat niet voor hem is bestemd. En dan vlucht hij met haar. Dat heb je me zelf verteld. Ja, in het bos, in het houtpark…

Immi Johan.

Johan En als ze samen zijn geweest, twee, drie dagen, dan geven de ouders toe. Traditie, godverdomme.

Immi Waar zou je me naartoe brengen?

Johan Ik bedenk wel iets.

Immi Je ongeluk,

Johan Ons geluk. Weet je nog, ik zou een auto voor je bouwen met de kleuren van wilde bloemen erop. En we zouden samen een zaak uitbouwen: Depoorter — streepje — Keiman, We zouden een sateliet in een baan om onze werelden brengen,

Immi Ik moet naar huis,

Johan Immihan.

Immi Vader kan elk ogenblik thuiskomen.

Johan Goed, luister. Speel het spelletje van: ik-heb-er-me-bij-neergelegd. Maar luister nu goed, Immi: Misschien zul je nog strenger worden bewaakt en zullen we elkaar niet meer zien. In dat geval kom ik je donderdagnacht halen. Iets na middernacht zal ik onder je raam staan. Kijk uit, en als je me ziet, kom dan naar buiten.

Immi Johan.

Johan Immihan, niet bang zijn. (Licht dooft)

(Licht op Hilde. Hilde face publiek. Woonkamer)

Hilde Johan vertelde me van zijn plan. Maar thuis leefden ze nog altijd naast elkaar door. Het was niet meer te harden. Ik besloot er zelf iets aan te doen.

(Licht op woonkamer Depoorter)

(Vader met krant. Moeder veegt stof Johan nukkig in de canapé.)

Hilde (Resoluut) Ma, Johan heeft u iets te vragen.

Emma Nu komt de aap uit de mouw. Het werd tijd.

Hilde In godsnaam, ma, begin nu niet opnieuw. Luister.

Emma Zeg eens, een beetje kalm, hé! Moet ik me in mijn eigen huis door mijn eigen kinderen de les laten spellen ?

Leo Emma, zwijg nu even.

Emma Gij ook al. Wilt ge soms zeggen dat…

Leo Godverdomme, zwijg!! (stilte)

Emma Voila, nu ziet ge zelf wie hier de baas is.

(Johan loopt weg. Hilde houdt hem tegen.)

Hilde Nee.

Johan Het interesseert me niet. Geen bal. Alleen maar hun eigen snertwereldje is belangrijk.

Hilde Ais je niet durft, zal ik het vragen. Ma, mag Immi hier een paar dagen blijven logeren?

Emma Logeren? Wat is er gebeurd? Moet haar moeder misschien naar de kliniek? Ge weet, als er zo iets gebeurt, sta ik altijd klaar om te helpen. Ik heb Germaineke drie weken thuis gehad toen tante Clare geopereerd werd aan de gal. Waar of niet, Leo?

Leo Dat klopt.

Hilde Immi moet trouwen.

Emma Moet trouwen? (Tegen Johan) En gij zegde nog…

Johan Het is niet wat je denkt! Precies of dat het enige is wat er kan gebeuren. Hij is bijna een obsessie. Yusuf Keiman wil Immihan meenemen naar Turkije en ze daar laten trouwen.

Emma ‘ Is niet waar. Heeft ze daar dan kennis?

Johan Nee, ze heeft die jongen nooit gezien.

Emma Lieve god, dat bestaat toch niet.

Johan En of het bestaat!

Hilde Jij kunt haar helpen.

Emma Ik?

Hilde Laat Immi een paar dagen naar hier komen.

Emma Weglopen? Daar lost ge niks mee op. Als er ruzie in de familie is, moet ge praten.

Johan (Tegen Hilde over ouders) Ze snappen het Hilde Het is de enige mogelijkheid.

Emma God weet wat er zal gebeuren. Misschien komt hij hier de boel kort en klein slaan. Ik heb het altijd wel gezegd dat die Turken halve wilden zijn. Waar of niet, Leo ? Gij hebt die Keiman toch zelf gezien.

Leo Hij zag er verschrikkelijk uit.

Emma Als haar moeder moest worden geopereerd, zou ik direct zeggen…

Johan Haar moeder moet verdomme niet worden geopereerd; maar volgende vrijdag vertrekt er een trein naar Turkije. Daar zullen ze Immihan instoppen en ze zal in een bergdorp — tussen die halve wilden, zoals jij zegt — in het bed moeten kruipen met een vent die ze niet kent.

Emma Aan deze affaire verbrand ik mijn vingers niet. Ik zeg: nee! Verstaat ge me? Nee! Nee, nee! En ’t is niet dat ik op zie tegen de moeite om dat kind hier over de vloer te halen; maar niet als ze thuis wegloopt. Dan kunt ge hier op uwe kop gaan staan, maar het zal niet lukken. (Loopt de trap op. Halfweg blijft ze staan.) In Houthalen hebben ze vorige week een Turk uit een café gezet. Weet ge wat er toen gebeurd is? Met zijn dertigen zijn ze teruggekomen en nebben er de boel kort en klein geslagen.

Johan Bang! Je bent bang. Mensen interesseren je niet als je bang bent.

Emma Weet ge wat gij zijt ? Een hartefretter.

(af)

Hilde Ma, kom nou, laat ons eens rustig praten. (Hilde gaat Emma achterna. Johan gaat zitten. Leo legt zijn hand op zijn schouder.)

Johan Durft ge dat?

Leo Wat, jong?

Johan Je hand op mijn schouder leggen.

Leo Waarom zou ik dat niet durven ?

Johan Als je je hand op mijn schouder legt, wil dat zeggen dat je aan mijn kant staat.

Leo En wie zegt dat dit niet zo is?

Johan En als ma zo dadelijk de trap afkomt, zul je dan die hand weghalen?

Leo (Hand weg) Jong, als ge eens zo oud zult zijn als ik… Denkt ge dat ik nooit heb gedroomd dat ik de wereld anders zou maken? Denkt ge dat ik nooit van mijn ouders heb gedacht: die ouwe zakken, wat weten zij van wat er in de jeugd omgaat. Ik was vroeger een voetballer, een goeie. Ik speelde mee in derde nationale. Ik leerde uw ma kennen. Ze waren er thuis op tegen. Ik ben toch met haar getrouwd; en in ons gezin zou het allemaal anders worden. Anders… O, het begon met kleinigheden. Of ik mijn voeten niet op het salontafeltje wilde leggen als ik naar de televisie keek. Ik haalde mijn voeten eraf. Of het nodig was dat ik elke donderdag een pintje ging drinken bij Mariene. Ik ging toch, maar een week lang sprak ze geen bakkes tegen me. Mijn vrienden kwamen me bezoeken. Ze zagen dat ze niet welkom waren. Ze bleven weg. Er kwamen kinderen. Ik wilde er eentje een pak voor zijn broek geven omdat hij de konijnen had uitgelaten. Maar “Wat weet gij van kinderen af!? Bemoei u met uw eigen zaken!” En ik Het begaan. En stilaan geraakte ik gevangen, alsof een inktvis één voor één zijn tentakels om mij heen sloeg zodat ik niet meer kon bewegen.

Johan Argumenten van een versleten generatie. Je bent je aan ’t verdedigen omdat je laf bent.

Leo Het is geen verdediging. Het is een verklaring.

Johan Is het leven zo rap opgebruikt ?

Leo Zo rap. Ik had nog één hoop dat het anders zou worden.

Johan Toch?

Leo Gij.

Johan Ik?

Leo Als ge volgend jaar een eigen zaak zoudt beginnen. Ik dacht: ik ga helpen. Niet alleen met geld, maar ook met mijn handen. Ik heb verstand van machines. Hoe klein ik hier ook in huis ben, op de kolenmijn heb ik een reputatie. Als de mensen zouden weten dat ik achter uw zaak sta, zouden er klanten komen. Ik dacht: we bouwen samen een zaak op. En ik zal naast hem staan: als een vriend. We zullen samen een pintje gaan pakken in uw stamcafé en we zullen samen proberen een automerk voor u te vinden. En ge zult trouwen met Immihan. Ik had direct gemerkt dat het een goed kind was, nog niet bedorven door onze welvaart. Ze zal een goeie vrouw voor u zijn. En ik zal kleinkinderen hebben, die mijn naam dragen…

Johan Dromen is niet genoeg,

Leo Nee.

Johan Kun je niet knokken? Ga naar boven en zeg tegen ma dat Imma naar hier moet komen, dat je achter me staat. (Boven is er lawaai. Een flarde van een gesprek dringt tot beneden door.)

Emma … niet één keer. Als het hier zo verder gaat, trek ik er uit. Het is schandalig… (Een deur klapt dicht. Het geluid verstomt.)

Leo (Trekt zijn botten terug aan) Ik heb geprobeerd het u uit te leggen. (Aarzelt, gaat naar het raam) Het gaat regenen. Ik wil het voortuintje in orde hebben eer het zondag is. (Gaat naar de deur)

Johan Pa!! (Licht uit.)

(In de woonkamer bij Keiman staan de koffers gepakt. Nacht. Immihan binnen met zaklamp. Draagt nachtjapon. Ze trekt hem uit, stopt hem in een tas, samen met wat ondergoed dat ze uit een koffer pakt. Uit de koffer ook kleren die ze aantrekt. Schoenen aan. Jasje aan. Kijkt door het raam. Wacht. Zaklamp uit. Gelijktijdig in de woonkamer bij Depoorter. Johan naar beneden. Staande lamp aan. Trekt zijn schoenen aan. Jas aan. Kijkt op zijn horloge. Knipt licht uit. Vertrekt.)

Hilde (Komt naar beneden met zaklamp) Johan! Johan, ben je daar? (Loopt naar de keuken. Komt terug.) God, ik wist het. (Zaklamp uit)

(Licht op Hilde, Hilde face publiek.)

Hilde Ik wist het. Het was naïef te veronderstellen dat hij zich bij de situatie had neergelegd. Om kwart over vijf zou de trein vertrekken met Immihan erin en hij zou gewoon naar zijn bed zijn gegaan en slapen? Onmogelijk, Ik wist waar hij naartoe was. Had ik mijn ouders moeten verwittigen? Dan stuurde ik misschien het hele plan — wat het ook mocht zijn — in de war. Hij had het me nooit vergeven. Ik besloot te wachten. Gewoon te wachten, de tergend trage minuten te verbijten. (Gaat op de trap zitten. Licht uit.)

(Licht op buitengebeuren. Nacht.)

Johan (Voor het huis van Immihan) Immi, Immi!

Immi (Ingebeeld raam open) De voordeur is gesloten. Hier, mijn tas.

Johan Kom! (pakt tas, zet ze neer, helpt Immihan. Die huilt uit bij Johan.) Het ergste is voorbij. Alles komt in orde. Het ergste is voorbij.

Immi Ik was bang… Zo bang dat je niet zou komen.

Johan Ik ben er. Kom, laten we geen tijd verliezen.

Immi Waar breng je me naartoe?

Johan Naar huis.

Immi Je ouders?

Johan Komt voor elkaar.

Immi Als papa me morgen mist, zal hij me bij jullie komen zoeken. (Geluid van een trein)

Johan Daar heb ik aan gedacht.

Immi De laatste trein.

Johan De laatste trein vertrekt om kwart over vijf. Zonder jou.

Immi Kom, we vertrekken. (Ze vertrekken. Op dat ogenblik begint de hond te blaffen. Ze blijven even staan.)

Johan Rothond, verdomme.

Immi Sssst!

(Immi samen met Johan af. Yusuf op in pyama. Licht aan. Kijkt door het raam. Gesprek in het Turks.)

Yusuf Fatima, Immihan evden kayboldu. (Immihan is verdwenen) (Yusuf trekt broek aan over pyjama + trui,)

Fatima (Op in nachtjapon) Immihan oda sinda yok. (Ze is niet op haar kamer)

Yusuf Immihan evden kayboldu. (Ze is verdwenen) Ceketimi ver. (Geef mijn jas)

Fatima (Geeft hem) Nereye gidiyorsun? (Wat ga je doen?)

Yusuf Ben unu getirmeye gidiyorum. (Ik ga ze halen)

Fatima Yusuf, yaptigin ise bak. (Yusuf, pas toch op)

Yusuf Sus! (Zwijg)

(Hij vertrekt, slaat de deur toe. De hond blaft. Fatima knipt het licht uit.

(Toneel in de woonkamer bij Depoorter)

Johan (Komt binnen met Immihan) Pas op met de stoelen. Kom, ga zitten, ik zal het licht aanknippen.

Immi Nee!

Hilde Niet schrikken, ik ben het.

Immi O! (Gedempte gil)

Johan en Hilde Pssst!

Hilde Waarom heb je me niet gezegd wat je van plan was? Je weet dat ik wil helpen.

Immi Ik ril.

Hilde Ga toch zitten. (Knipt de staande lamp aan)

Immi O, ik ben bang van het licht.

Johan Hoeft niet.

Hilde Wat ga je doen? Blijf je hier?

Johan Nee,

Immi Wat dan ?

Johan Ik heb geld gespaard. Als het licht wordt, vertrekken we.

Hilde Met de trein?

Immi Niet met de trein.

Johan Met de bromfiets. We rijden naar Antwerpen. In een drukke stad vallen we minder op.

Immi Waarom bracht je me hier?

Johan Even maar. Als je midden in de nacht met de bromfiets rijdt, stoot je allicht op een politiepatrouille. Als ze dan morgen jouw persoonsbeschrijving doorgeven, zullen ze zich ons herinneren.

Immi Het is alsof het allemaal niet echt gebeurt, net een goedkoop verhaal in een snertmagazine.

Johan We vertrekken als de eerste mensen naar hun werk rijden. We huren een kamer in een hotel.

Hilde Gaat het beter, Immi? (Immihan knikt)

Johan Wil je iets drinken?

Immi Ja.

Johan Fruitsap?

Immi Om het even.

Johan Ik haal het. (af naar keuken)

Immi Wat een nacht.

Hilde De nachtmerrie is voorbij.

Immi Ik heb het allemaal meegespeeld. Hoe kon ik het ? Gisteravond had mama schapevlees klaargemaakt. Ik heb meegegeten… Dan naar bed. Maar papa voelde de spanning. Hij kwam twee keer kijken of ik sliep.

Hilde Het is voorbij.

Immi Ik stond op. Het motregende en de straten glommen. Wat er dan allemaal door je hoofd speelt.

Hilde Pssst! Het komt wel in orde.

Immi Nog niet. We zijn nog niet in dat hotel. En als we er zijn, kunnen we er toch niet eeuwig blijven. En mijn vak. Wie wil me nog in dienst nemen na alles wat er is gebeurd?

Hilde Het komt voor elkaar.

Immi Papa zal het nooit begrijpen.

Johan (Op) Pssst! Het fruitsap. (Fles en drie glazen) Jij ook, Hilde?

Hilde (Knikt) Hm.

Johan Nog een paar dagen van spanning.

Immi Ik kan niet geloven dat alles nog goed komt.

Johan We zullen trouwen en heel gelukkig zijn. Al mijn vrienden zullen jaloers zijn dat ik zo’n knap vrouwtje heb. Als ze je zien glimlachen, zijn ze zo weg van je. Kijk, daar komt zo’n glimlach. Een… twee… drie… (Immihan glimlacht) Alsjeblief!

Immi Gekje toch.

Hilde Ik laat jullie alleen.

Immi Nee, asjeblief, je hoort erbij,

(Er wordt gebeld aan de voordeur, Hilde, Johan en Immihan bekijken elkaar verschrikt.)

Johan Nu nog? Kwart voor twee.

Immi Niet opendoen. Alsjeblief!

Hilde Pssst! (Nu wordt er op de deur gebonsd)

Immi Johan, ik ben bang. Het was te mooi om waar te zijn. Ik weet wat er gaat gebeuren. Ik voel het. Ik voel het,

Hilde Ik hoor voetstappen. Iemand komt achterom.

Immi De deur.

Hilde Heb je de achterdeur gesloten?

Johan Nee, ik zal even.., (Gestommel in de keuken)

Immi Te laat. (Er valt een stoel omver in de keuken. In de deuropening verschijnt Yusuf

Keiman. Immihan gilt.)

Yusuf (Tegen Immihan) Orospu! (Hoer)

Immi Johan! (Klampt zich aan hem vast)

Yusuf Sen benle cabuk eve geleceksin. (Ga onmiddellijk mee naar huis.)

Immi Yok, yok, ben seninle gitmiyorum. (Nee, nee, ik ga niet met je mee.)

Hilde (Loopt de trap op) Ma, kom vlug naar beneden.

Johan Wat zegt hij, Immi?

Immi Hij wil me mee naar huis nemen. Maar ik ga niet, Johan. Nooit.

Johan (Tegen Keiman) Eruit, jij!

Yusuf Dat mijne dochter. Zij moeten mee naar huis.

Johan Zij blijft hier.

Yusuf Niet hier. Naar huis.

Johan Denk je godverdomme dat Immi een schaap is?

Yusuf In Toerkie, de kind…

Johan Hier! Hier leef je. Niet in Turkije.

Yusuf Ik zeggen: Immihan mee naar huis.

Emma (Samen met Leo de trap af) Wat gebeurt hier in ’s hemelsnaam ? (Knipt het grote licht aan)

Yusuf (Tegen Leo) Dat mijne dochter. Waarom mijne dochter in uwe huis ? Spreek.

Emma Wilt ge verdomme eens vertellen wat er gebeurd is?

Johan Morgenvroeg, nee, vandaag om kwart over vijf zou de trein naar Turkije vertrekken. Maar dat ben jij natuurlijk vergeten. Ik heb Immi helpen vluchten,

Emma Ik had het je verboden. Nu zie je wat er van komt.

Johan Je kunt me niet verbieden mijn eigen leven in handen te nemen. (Tegen Leo) En jij ? Wat zeg jij?

Leo Ge hadt het niet mogen doen.

Johan Lafaard.

Emma Let op uw woorden. (Geeft hem een klap) Hij is uw vader.

Johan Als hij nog een greintje zelfrespect heeft, gooit hij die kerel op straat.

Emma Zwijg nu eens, snotneus. Laten we orde op zaken stellen. Laten we eens praten.

Yusuf Wat praten? Politie praten, Immihan praten, madame sociale praten, gij praten. Praten, praten, praten, praten. Ik zeggen: niks praten, Immihan mee naar mijne huis.

Johan In geen geval.

Yusuf (Dreigend) Immihan?

Immi en Johan Nee!

Yusuf Ik zeggen: ja! (Loopt in richting van Immihan)

Immi Nee! (Ze vlucht. Wil weg via voordeur.)

Johan Blijf van haar af. (Probeert Yusuf tegen te houden)

Yusuf Weg, gij. (Duwt Johan van zich af Die struikelt.) En nu komen! Naar huis. (Loopt haar na in de gang)

Immi Nee, nee, nee.

Johan (Pakt fles met fruitsap) Verdomme! (Johan loopt Yusuf na. Schermutseling in de gang. — Kan ook op het toneel worden gespeeld.)

Immi Pas op, een mes!

Yusuf Wat gij willen in mijne familie.

Johan Aaa! (Tijdens de schermutseling heeft Yusuf Johan gewond. Deze drukt zijn hand op de plek waar hij gestoken is. Hij valt)

Immi Wat heb je gedaan ? Kijk wat je hebt gedaan.

Emma Johan! (Knielt neer bij hem)

Hilde Een dokter.

Leo Ik zorg ervoor. (Loopt naar telefoon en draait 900)

Hilde Misschien is het niet zo erg. Laat es kijken, Johan. Johan, hoor je me? Laten we hem op de canapé leggen. (Doen ze)

Leo Hallo, met de 900 ? Hier bij Depoorter. Wilt ge direct een ambulance sturen?… Wablieft… Een vechtpartij. Ja, ook de politie… Kastanjelaan 16… Ja, in Waterschei.

Immi Voorzichtig.

Emma Johan… Johan toch.

Hilde Pa!

Leo (Kijkt op) Hm!

Hilde (Wijst op Johan) Snel!

Leo Hallo, zo snel mogetijk, alsjeblief. Ja, heel dringend, (hoorn neer)

Emma Pak een kussen voor onder zijn hoofd. (Hilde doet het) Verband.

Leo (Tegen Yusuf die er verslagen bij staat. Het mes is na de schermutseling op de grond gevallen. Hij laat het liggen.) Smeerlap! Waarom ?

Yusuf Ik niet willen. Waarom Immihan niet luisteren ? Dan ik niks steken met de mes. Ik nie willen vechten tegen Vlaamse jongen. Hij pakken ene fles. Vechten met ene fles gevaarlijk. En ik… Vele mensen komen naar mij en… (gaat zitten, hoofd in zijn handen)

Emma Waar blijft het verband?

Hilde Hier, ma.

Immi Johan, Johan, Johan, je moet leven, leven, leven!

Hilde Kom nou, Immi.

Immi (Voor zich uit) Hij zou een auto bouwen met honderd kleuren van wilde bloemen. Hij zou met me over de hoogvlakte van Anatolië rijden en dansen met de mannen van het dorp.

Emma Kalmeer haar. Geef haar iets te drinken.

Immi (Idem) Op het stort van de kolenmijn groeit een heel nieuwe flora. Je vindt er de Kleine Pimpernel, Akkerwinde en zelfs een bepaalde soort orchidee. Geweldig hé, hoe alles zich aanpast. Dat zei hij: hoe alles zich aanpast.

Emma (Getuid en zwaailicht van ambulance) De ambulance! (Toneel bevriest. Licht dooft)

(Licht op Hilde. Hilde face publiek. Bank.)

Hilde Johan stierf terwijl hij werd overgebracht naar het ziekenhuis, Hij is niet meer bij bewustzijn gekomen. Yusuf Keiman werd opgepakt. Hij ging gewillig mee. Yusuf wacht nu in een cel op zijn proces. Het duurde wel even eer ik Immihan nog zag. Misschien voelde ze zich schuldig aan de dood van Johan. Of misschien dacht ze dat wij haar mee verantwoordelijk stelden. Ik ontmoette haar op deze plek toen ze terugkwam van de kapsalon waar ze toch weer, na aandringen van de leersecretaris, in dienst was genomen. Het deed haar zichtbaar goed over Johan te kunnen praten. Daarna ontmoette ik haar regelmatig. Over wat er gebeurd was, had ze zich een eigen opinie gevormd. Ze vertolkte die aarzelend, beetje bij beetje, bijna bedeesd, verontschuldigend. Maar dat was maar schijn. De essentie was een aanklacht. Wat ze zei kwam hierop neer. (Hilde vervolgt. Na een paar zinnen neemt Immihan over. Het licht verzwakt op Hilde, wordt feller op Immihan, gelijklopend met het stemvolume.)

Immi en Hilde In de gevangenis, waar mijn vader zit opgesloten, staat een cel leeg. Ze hebben Yusuf Keiman, mijn vader, naar België gehaald en ze hebben hem gezegd: Zo moet je een drilboor vastpakken, Keiman, zo moet je de stempels aanbrengen, Keiman; als je in de pijler zit en de aarde kraakt, wees dan niet ongerust, Keiman, instortingen komen zelden voor. Zo moet je de transportband plaatsen. Keiman, opdat er zo weinig mogelijk kolen verloren zouden gaan. Voor een prikje kun je een woning huren, Keiman en je zult zoveel verdienen dat ook je ouders in Akoy ervan kunnen leven en dat je een huis kunt kopen in het land waar je vandaan komt. Dat hebben ze allemaal tegen Yusuf Keiman, mijn vader, gezegd. En Yusuf Keiman zorgde ervoor dat er kolen waren, dat de ovens in de staalfabrieken gloeiend konden staan, dat de elektrische centrales stroom konden leveren. Maar ze hebben vergeten dat Yusuf Keiman een man was uit een andere wereld. Hij dacht dat hij die wereld mee naar hier kon brengen. Niemand heeft hem verteld dat dit niet mogelijk was. Niemand heeft hem verteld dat zijn kind — IK — zou opgroeien in een wereld die niet de zijne is. Niemand heeft hem gezegd dat hij de stem van de muezzin niet meer zou horen en niemand heeft hem voorbereid op het heimwee naar de hoogvlakte van Anatolië. Dit was een verzuim, een misdadig verzuim en de cel staat leeg voor hen die dit verzuimden.

(Turkse muziek. Doek.)

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

theatertekst
Leestijd 68 — 71 minuten

#6

15.03.1984

14.06.1984

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!