Ruby Hinds, Robert Michaels, leden vocaal octet – Foto Jaap Pieper

Leestijd 4 — 7 minuten

De Knee Plays uit de CIVIL warS

De scherven van Bob Wilsons magnum opus

Het verhaal van de lijdensweg van The CIVIL warS: a tree is best measured when it is down is bekend. Pro memorie: na premières van onderdelen van de CIVIL warS in Rotterdam (6 september 1983, zie Etcetera 5), Keulen (19 januari 1984, zie Etcetera 6) en Rome (21 maart 1984) kondigde Robert J.Fitzpatrick, directeur van het Olympic Arts Festival, aan dat de integrale opvoering van Bob Wilsons “magnum opus” niet plaats zou vinden tijdens dit festival in Los Angeles – de première was voorzien op 6 juni 1984.

Ruby Wilson en zijn producent, de Byrd Hoffmann Foundation, waren er niet in geslaagd genoeg geld te verzamelen, erger nog, het was niet eens duidelijk hoeveel geld er sowieso nodig zou zijn. Onder de zakelijke druk had ook het artistieke opzet geleden: de voorbereidingen voor de delen van Marseille en Tokio waren in een workshop-stadium blijven steken, het Romeinse Luik – een co-produktie met de opera aldaar – was een ontzettend debacle geworden. Dit laatste had overigens ook te maken met politieke en syndicale rivaliteiten en wantoestanden ter plaatse, en bovendien had die première plaats één week voor de schrapping van het Olympic Arts-programma.

Na al die heisa, waaraan we ondanks alles als toeschouwer de herinnering aan één mooie (Rotterdam) en één voortreffelijke (Keulen) voorstelling overhielden, monteerde Wilson in Minneapolis de Knee Plays alsof er niets gebeurd was: de première had, zoals voorzien, plaats op 26 april 1984. De functie van de Knee Plays in het geheel van de CIVIL warS is onrechtstreeks vergelijkbaar met een koor in een antieke tragedie als de Oresteia, met dit verschil dat alle Knee Plays samen één afzonderlijk verhaal vormen en dat de grondtoon van dit commentaar-op-afstand visueel en niet verbaal-dramatisch is uitgedrukt. Maar het abstractieniveau en de idee van de reflectie over het grote geheel, als moraal of als naakte vaststelling, ligt in dezelfde lijn als Aischylos’ koorzangen.

Het verhaal van een boom

Als er ooit een integrale opvoering komt van de CIVIL warS, zullen de 14 Knee Plays (telkens gevolgd door een volledig abstracte, geluidloze Knee Dance) verspreid liggen tussen de verschillende “concrete” delen, die rechtstreekser verwijzen naar historische gegevens, door Wilson geïnterpreteerd als overlevingsmomenten in een geschiedenis van strijd en heropstanding. Waar in het “corpus” van de CIVIL warS grote mythische en historische momenten vanuit Wilsons mens- en maatschappijbeeld – dat ontegenzeggelijk een versie is van het Amerikaanse vooruitgangsoptimisme – geduid worden, vertellen de Knee Plays een fictief, cyclisch verlopend verhaal. Een boom wordt geveld door de bliksem, mensen maken er een scheepshut van en bouwen er een romp onder, de boot wordt beschoten en de hut drijft naar Japan, terwijl de romp zinkt en later elders aanspoelt. Mensen schrijven krabbels op die romp, anderen maken er een boek van, het boek belandt in de bibliotheek, en terwijl een man dit leest groeit er opnieuw een boom uit. Dit verhaal wordt, woordloos, “uitgebeeld” met kubussen en vierkanten die, bij manipulatie door de in het wit geklede spelers-dansers, van het ene in het andere object overgaan. Objecten die niet in deze vormen te vatten zijn – een grote vogel, een poppenkast, manden, stoelen – zijn in een aan het Japanse Bunraku-poppenspel verwante stijl gefabriceerd en worden ook zo bewogen door de spelers, die zichtbaar blijven.

David Byrne

Naast deze gestileerde beelden, waarin wit zo goed als de enige kleur is, speelt een koperensemble een in repetitieve zin omgewerkte versie van New Orleans-traditionals en reciteert een spreker enkele teksten. Tekst en muziek, die helemaal los staan van de beelden (hoogstens het ritme ligt gelijk), zijn van de hand van David Byrne, leider van de Newyorkse Talking Heads en vooral in de teksten, kataloog-achtige opsommingen van reële en fantastische ervaringen van een doorsnee-Amerikaans burger, is zijn aparte stijl herkenbaar. In Minneapolis was Byrne zelf de spreker, in Frankfurt sprak Bob Wilson. Deze verandering, gekoppeld aan het feit dat Duitse en niet Amerikaanse musici (zoals in Minneapolis en op de plaatversie) deze score uitvoerden, gaf een belangrijke wending aan dit auditieve aspect van de Knee Plays: het klinkt lomer, afstandelijk, op de rand van het gedesinteresseerde. Zeker geen verbetering, met de alom-geprezen magie van Bob Wilsons dictie heb ik geen affiniteit. De desintegratie van de theatrale media, toch één van Wilsons stijlkenmerken, is hier dus heel rigied doorgevoerd, anders dan in het corpus van de CIVIL warS, waar elk beeld uiteenspat in betekenisfragmenten. In de Knee Plays krijgt elke “clip” een rechtstreeks niet-ter-zake-doende tegenhanger in muziek en woord. Een formele strakheid die de pendant wordt van de narratieve rechtlijnigheid van de beelden in de Knee Plays.

Naast een kernachtige, metaforische uitdrukking van Wilsons kijk op het cyclische verloop van de geschiedenis, bevatten de Knee Plays ook concretere aanknopingspunten met de andere delen van de CIVIL warS. De bouw van de hut volgt meteen op het Rotterdamse deel (Akt I,B) waarin ook een huis opgebouwd wordt, en bij de aankomst van de boot in Japan komt admiraal Perry aan land, d.w.z. het hoofdpersonage uit het Japanse deel – dit Knee Play volgt op akt II,C, één van de Tokiofragmenten. Wilsons verbindingen zijn soms ook minder anekdotisch, zoals het hernemen, ook in de Knee Plays, van het tentenkamp uit de burgeroorlog, één van de visuele hoofdthemata uit de CIVIL warS.

Al bij al verschijnen ook de Knee Plays als een merkwaardige mengeling van oppervlakkig dilettantisme en grondige reflectie, net zoals de andere delen die ik zag (Rotterdam en Keulen). Zoals Wilson in Rotterdam het beeld van Nederland herleidde tot het cliché van de tulpenbollenvelden en de schaatsenrijders, en er toch een historisch inderdaad cruciale toespraak van koningin Wilhelmina in wist te verwerken, zo dreigt Wilson hier een Japanse theatertraditie te reduceren tot wat abstract gehuppel en gegoochel met poppen, terwijl hij tegelijk een voor zijn verbeeldingswereld relevante kijk op de geschiedenis uitdrukt. Waarbij echter vooral David Byrnes muzikale en tekstuele bijdragen het gevaar van hyperesthetizerend simplisme tijdig weten te keren.

Ik zou toch eindelijk die ClVIL warS eens in zijn geheel willen zien, al was het maar om te kunnen ophouden met speculeren over al dan niet verdedigbare esthetische evenwichten en onevenwichten.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#13

15.04.1986

14.07.1986

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!