Fred Six

Leestijd 4 — 7 minuten

De kaap genomen

In deel 1 van Het vel van Cambyses bundelde Marianne Van Kerkhoven een aantal essays over theater “waaruit een bewustzijn sprak omtrent welke kapen het theater op dat ogenblik moest nemen”. Fred Six wil graag meer bundelingen zien.

In beschouwende teksten over theater brengt de essayist-criticus verslag uit van zijn relatie met het werk van de kunstenaar. Dat geldt voor elke vorm van kunstkritiek. Wie zulke teksten wil bundelen tot een bloemlezing die zowat de hele 20ste eeuw bestrijkt en dus op een of andere manier een historisch panorama aanbiedt, heeft op het eerste gezicht twee mogelijke invalshoeken. Ofwel kiest en ordent men de commentaren op basis van de belangrijkheid van het studieobject (het theatergebeuren als feitelijkheid in de tijd), ofwel,maakt men het reflecteren over theater zelf tot studieobject. In het eerste geval kan zo’n bloemlezing aanzet zijn tot een stuk theaterkroniek, in het tweede geval tot een geschiedenis van de theaterkritiek.

Snel blijkt uiteraard dat beide door elkaar lopen. Grote theatermakers hebben natuurlijk altijd ook zelf over theater nagedacht en geschreven, en het maakt fundamenteel deel uit van hun theaterwerk. Meer nog, het ‘spelen’ van een tekstgegeven wordt vandaag steeds vaker vervangen door het spelen van een commentaar op een tekst, m.a.w. de reflectie op het materiaal wordt in het theater zelf gethematiseerd, wordt zelf theater. Meteen is een theaterwerkelijkheid gecreëerd die op haar beurt door de criticus wil onderkend en geduid worden, wat niet alleen een nieuw kijkgedrag, maar ook een nieuw vocabularium noodzakelijk maakt.

De sporen van die boeiende interactie in het kritisch denken over theater zijn terug te vinden in de bijdrage van Marianne Van Kerkhoven in Het vel van Cambyses II, een dossier dat deel uitmaakt van het programma Vertoog en Literatuur van Antwerpen 93. Het tweede deel van dit boek bevat essays over fotografie, film, televisie en video. Ik beperk me tot het eerste. Hierin bundelt Van Kerkhoven niet minder dan 37 kritische teksten over theater, dans en opera (zij het bijna altijd fragmentair), gepubliceerd tussen 1918 en 1993.

Ik begrijp dat de samensteller na zo’n onderneming onvermijdelijk met frustraties achterblijft. Discussiëren over welke teksten we missen, is eindeloos en zinloos. Meer ter zake is de vraag waarom bepaalde fragmenten wél zijn opgenomen. In de inleiding lezen we dat gezocht werd naar teksten “waaruit een bewustzijn sprak omtrent welke kapen het theater op dat ogenblik moest nemen”. Het betreft o.m. vragen naar de identiteit van de theaterkunst, de relatie toneel-literatuur, professionalisering, inbedding in de maatschappelijke context, de invloed van theaterfilosofie op theaterpraktijk. Niet achter elkaar aan, maar geïntegreerd in de tijdspiegel, in een interdisciplinaire en internationale context. De onvermijdelijke beperkingen van haar werk in acht genomen, is Van Kerkhoven zeker geslaagd in haar poging om “de evolutie van een gedachtengoed” wat te verhelderen.

Hoewel ze niet een verzameling “mooie of sterke” teksten op het oog had, zijn toch een aantal belangwekkende theaterbeschouwingen opgenomen waarvan de historische waarde ook en vooral binnen het actuele denkveld groot is, en die je in een lijvig naslagwerk graag in een kader zou willen afdrukken. Ik denk o.m. aan bijdragen van Isa Voss (over de expressie van de dans), Teirlinck (zijn “tien preliminaire stellingen”), Tindemans (over T 68), Brulin (over naïef theater), Decorte (over de zin van het theater), Mortier (de opera als ritueel). Het zijn niet toevallig persoonlijkheden die meer waren of zijn dan alleen maar kritische “kijkers”, ze zijn ook “ontwerpers”. Het gaat hier om teksten met een min of meer uitgesproken manifestwaarde.

Daarom is het natuurlijk overdreven te stellen dat de interessantste leestekst misschien wel de 12 bladzijden lange inleiding van Marianne Van Kerkhoven zelf is. En toch. In haar poging om haar keuze te verantwoorden, doet zij een helder bindverhaal, waarin ze niet enkel de inhoud en de teneur van de opgenomen fragmenten voorstelt, maar ondertussen ook lijnen trekt, schakels legt, en hiermee een inzichtelijke schets tekent voor een langer essay.

In het licht van deze ‘grondtekst’ lijken me een aantal fragmenten toch iets te louter illustratief, inhoudelijk iets te weinig consistent, waardoor ze – eenmaal samengevat – voor de geïnteresseerde leek een beetje overbodig worden. En de theaterwetenschapper zal ook wel zonder deze bloemlezing zijn bronnen weten te vinden. Hier en daar is bij de keuze misschien ook iets te veel toegegeven aan het variëteitsprincipe: zoveel mogelijk verschillende aspecten terloops aanraken (beleid, theatertijdschrift, scenografie, recensiewezen, rol van de vrouw…), wat het leesavontuur hoe dan ook herleidt tot het nemen van steekproefjes. Maar dat zal wel inherent zijn aan het opzet om een staalkaart van signaalteksten aan te bieden.

Het mozaïek dat hieruit ontstaat, is een collage van nu eens analyses van concrete produkties of fenomenen die bij het overlopen van onze jonge theatergeschiedenis toch blijkbaar moeilijk te negeren waren (Fabre, De Keersmaeker, Maria Magdalena van Decorte, Discordia, Stan…), dan weer meer betogende teksten, of expliciete ‘proeven tot’ het bespreekbaar maken van het medium (van de puntige statement-stijl van Bert Verminnen tot de creatieve en constructieve scanner-verbaliteit van theaterwetenschappers zoals b.v. Luk Van den Dries).

Het vel van Cambyses is een boeiende verkenning in een te grote tuin. Een moedige aanzet. Elk initiatief dat – zoals Marianne Van Kerkhoven suggereert -b.v. om de vijf jaar zo’n kritische terugblik op essayistisch werk helpt realiseren, maar dan iets meer gericht, dus minder mozaïekachtig en liefst niet ingekort, zal een stap in de goede richting zijn, een uitnodiging tot een steviger reflexieve omkadering van het Vlaamse theater. In de hoop dat het er beter van wordt.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#46

15.10.1994

14.01.1995

Fred Six

artikel