© kurt van der elst

Leestijd 8 — 11 minuten

De – hetpaleis, Theater Artemis & Het Zuidelijk Toneel/Jetse Batelaan

Marx voor achtplussers

In De (ondertitel: voorstelling die moet overleven met het allerlaatste dat nog over is) (8+) schetst regisseur Jetse Batelaan een heldere geschiedenis van het kapitalisme – of wat er gebeurt met een gemeenschap die de beschikking krijgt over een teveel. En wat er gebeurt wanneer dat teveel plots omslaat in een tekort – aan goederen én aan verbeelding.

Veel hedendaags theater is erop gericht de werkelijkheid binnen te brengen in de fictie – een geactualiseerde Hamlet is er het beste voorbeeld van -, maar bij Theater Artemis is het vaak omgekeerd. Artistiek leider en regisseur Jetse Batelaan brengt liever de magie, de uitdrukkelijke fictionaliteit (in uitvergrote vorm) binnen in de ‘naakte werkelijkheid’, de realiteit zoals die fysiek bestaat op de bühne. Het toneelbeeld is dan de onopgesmukte zwarte doos, met de toneelwand, elke spot en elke trek duidelijk zichtbaar: het summum van ‘anti-illusie’ binnen het theater. Dat nietsverhullende toneelbeeld vertelt ons dat hier niet aan sprookjes wordt gedaan – terwijl dat vervolgens precies is wat Batelaan opzet: een sprookje. (Ook dat is op zich al een statement – het belang van verbeelding vormt zowat de rode draad door Batelaans oeuvre.) Dat sprookje wordt uiteindelijk ook altijd aan stukken geslagen, maar niet zonder dat eerst het levensreddende belang ervan is aangetoond.

Sprookje

Ook De is nadrukkelijk vormgegeven als zo’n sprookje. Dat vertellen ons de zwierige sprookjesletters die worden geprojecteerd op het voordoek en de verdeling van de voorstelling in verschillende korte scènes, van elkaar gescheiden door het sluiten van dat voordoek. Tussen de scènes in verschijnt op dat doek telkens de titel van het volgende ‘hoofdstuk’ – het is alsof je de bladzijden omslaat van een geïllustreerd sprookjesboek. Maar de taferelen zijn ook ‘vensters’, verwijzend naar de geschiedkundige vensters zoals die waarmee de Nederlandse canon is opgebouwd: een korte blik op een belangrijk moment of een keerpunt in een geschiedenis. Het heeft iets educatiefs, en dat is niet toevallig. Hier wordt, zoals in de meeste sprookjes, ook een zedenles geleerd.

Niet alleen het opzet in taferelen geeft De iets sprookjesachtigs – ook de hele scenografie en kostumering contrasteren sterk met het ‘realistische’ karakter van de gestripte theaterzaal. Midden in die zwarte doos verschijnt al in het eerste tafereel immers een lieflijk bruggetje, met daaronder een rustiek kabbelend beekje. Bij de beek staat een van de dorpelingen (Goele Derick) op haar klompen keitjes in het water te ketsen. Het spel met wat wordt getoond en wat wordt overgelaten aan de verbeelding heeft Batelaan als geen ander in de vingers – en dat spel zal uiteindelijk ook veel meer blijken te zijn dan een esthetica. Maar alleen al technisch is de precisie van dit regiewerk verbluffend: een deel van het visuele tafereel is er (materieel), een deel wordt door de acteurs gemimed, een deel wordt auditief ingevuld (geluidsontwerp: Bob Hermans) en een deel moeten we zelf doen. Concreet: wanneer een dorpeling (Louis van der Waal) aan de beek verschijnt met zijn paard, heeft hij enkel een leeg hoofdstel in de hand, dat hij met moeite in toom lijkt te kunnen houden. Maar we zien hem het paard bedaren, we horen het paard snuiven en drinken, de rest gebeurt in ons hoofd.

De narratieve lijn is kraakhelder. We volgen de ontwikkeling van een ruraal Hollands dorp, ergens vlak voor de industrialisering. De dorpelingen leven in een tuin van Eden: er is genoeg voor iedereen, de gemeenschap is hecht en wordt gestut door samenwerking en solidariteit. Er is plezier en het dorp leeft in nauwe verbintenis met de natuur – de taferelen hebben iets bruegheliaans-naïef. De afwezigheid van tastbare goederen (de onzichtbare appels, paarden of schuur) wijzen erop dat deze dorpelingen niet worden bepaald door wat ze bezitten – hun spullen vormen geen vast onderdeel van hun identiteit. Hun verlangens blijven ‘open’, oningevuld. Toch is er dan al een zachte dreiging die de alledaagsheid doordrenkt en die schuilt in licht benadrukte voorafspiegelingen over een tijd ‘wanneer we hier ooit weg moeten’. De slang die dit paradijs sissend binnenglijdt heet geld, of om preciezer te zijn: de accumulatie van geld, het sparen. Wanneer een van de dorpelingen (Claudia Kanne) komt aanzetten met schoenen in plaats van klompen, kunnen de anderen niet achterblijven. De klomp, eens een voorwerp met louter gebruikswaarde – en voor iedereen gelijk – wordt een voorwerp ter onderscheiding, ter overtroeving van de anderen. De eerste vrouw met de schoenen plaatst zich buiten maar ook boven de rest van het dorp – haar cultureel kapitaal vergroot, zoals socioloog Pierre Bourdieu zou zeggen. Al gauw volgen de telefoon en de automobiel als statusvergrotende (maar volstrekt nutteloze) aankopen. Deze voorwerpen worden wél gematerialiseerd, de ruimte die ze innemen in het dorp neemt toe – zowel fysiek als mentaal.

Marx

De moderniteit sluipt zo het dorp binnen, maar er is meer aan de hand dan de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Wat Batelaan hier blootlegt is het marxistische mechanisme van het teveel: van een samenleving waar genoeg wordt geproduceerd om aan ieders nood te voorzien, evolueert het dorp naar een samenleving waar er – dankzij het toeval van een gunstige oogst – plots een teveel is; er is zoveel fruit dat de dorpelingen het gewoon in de beek kunnen gooien. Of ze kunnen het natuurlijk verkopen. Het teveel heeft geen gebruikswaarde meer, maar krijgt ruilwaarde – in die omslag schuilt de geboorte van het kapitalisme. De investering van het overtollige gebeurt in overtollige luxe: een telefoon, terwijl de dorpelingen zo dicht bij elkaar wonen dat ze er geen nodig hebben. De gemeenschap kraakt onder de eerste vormen van klassenscheiding. Waartoe dat leidt zien we op de schermen met verleidelijke reclamespots die van links naar rechts over de bühne zweven en hun dure waren aanprijzen: de nieuwste smartphone, een luxe-matras, de meest geavanceerde auto. Wat wij vandaag zien als ‘behoeften’ zijn geen natuurlijke noden, maar verlangens gecreëerd door de markt – daar is niets ‘natuurlijks’ aan.

“Wat Batelaan hier blootlegt is het marxistische mechanisme van het teveel: van een samenleving waar genoeg wordt geproduceerd om aan ieders nood te voorzien, evolueert het dorp naar een samenleving waar er plots een teveel is.”

Wat wel natuurlijk is, is een snerpend gevoel van honger en dorst. Want uiteraard loopt het scheef in het sprookje: de overmoed van de dorpelingen (of je zou kunnen zeggen: hun onverstandige investeringen) wordt gestraft wanneer de natuur hen hardhandig duidelijk maakt dat zij nog steeds aan de oorsprong ligt van hun welvaart. Lang, te lang klinkt er een sussend ‘Komt goed’, want niemand wil afstand doen van de nieuwe levensstijl – die is gaan samenvallen met een nieuwe identiteit. Uiteindelijk brengen een lange periode van droogte en een aangevreten voorraadschuur rampspoed over het dorp.

Tegelijkertijd is er iets anders aan de hand. We hadden ze al voor de voorstelling zien lopen rond het theatergebouw: een figuur in een geel M&M-pak en een enorme, roze koala. Ergens midden in Batelaans dramatische dorpsnovelle komen ze plots de bühne opgestommeld langs het achterplan. Het blijken verlopen, dakloze artiesten – ex-acteurs, die aan lager wal zijn geraakt en gedegradeerd tot trieste animatiefiguren. Met hun luidruchtige tussenkomsten – waarin ze geld vragen aan het publiek maar vooral ook ruimte opeisen, speelruimte – zet Batelaan een koevoet in zijn eigen historische sprookje rond het kapitalisme, om in de kieren een scheutje toekomst te gieten.

Verlies aan ‘veranderingsverbeelding’

Het verlies van de dorpelingen is immers niet eenduidig. Het finale verlies van automobiel, oogst en dorp blijft ondergeschikt aan dat andere verlies dat het kapitalisme met zich meebrengt: het verlies aan utopisch denken, aan ‘veranderingsverbeelding’ – de mogelijkheid om te zien wat er (nog) niet is. Onze verknochtheid aan bezittingen – datgene wat we concreet en materieel in handen hebben – legt onze geest lam en verhindert ons om zelfs maar te dromen van een andere wereld, laat staan daarvoor in actie te komen. Ons luxe-speelgoed maakt ons mak. Het kapitalisme is zo een autonome kracht geworden die zichzelf in stand houdt, doordat ze de verbeelding over een ander systeem doodt. De verlopen figuren zijn het resultaat van dit afsterven van verbeelding, want waar wordt die utopische verbeelding sterker gevoed dan in het theater? In een toekomst waarin het kapitalisme allesoverheersend is, is er voor hen geen werk meer – en tegelijkertijd zijn ook zij er evengoed de producten van – de slachtoffers? – getuige de manier waarop ze de bar van de backstage hebben leeggehaald.

De is een poging om ons te waarschuwen voor die verkeerde gok: voor een wereld waarin we op zaterdag naar de shoppingmall gaan, in plaats van naar het theater.”

Zo lamgelegd zijn de dorpelingen dat ze, wanneer de ecologische catastrofe zijn hoogtepunt bereikt, in de eerste plaats hun auto willen redden. Op de ruïnes van die in de as gelegde kapitalistische droom blijft voor het personage van Van der Waal, dat zijn paarden ruilde voor paardenkracht, enkel nog fantoompijn. ‘Hier stond mijn auto,’ mompelt hij beteuterd, terwijl hij wijst naar de plaats waar zijn mobiel ooit stond te glanzen. Maar erger nog is dat het hem zelfs aan verbeelding ontbreekt om in de brokstukken de mogelijkheid te zien tot een nieuw begin. Hij heeft, tragisch genoeg, op het verkeerde paard gewed. Jetse Batelaans De is een poging om ons te waarschuwen voor die verkeerde gok: voor een wereld waarin we op zaterdag naar de shoppingmall gaan, in plaats van naar het theater.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#177

05.09.2024

14.12.2024

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!