‘De idioot en de Dood’ (Arca) – Foto Kristin Daels

Johan Thielemans

Leestijd 3 — 6 minuten

De idioot en de dood

Arca-Net, Gent

Soms roept een vertoning alleen maar vragen op : bij Arca was dat het geval met de opvoering De idioot en de dood van Hugo von Hofmannsthal. Wie leest er de dag van vandaag deze verlate estheet uit het Wenen van Richard Strauss? Waarom moet een manke tekst zo dringend vertaald worden? Wat ziet een regisseur in het monteren van een weinig interessante en onspeelbare tekst? Enig dwingend antwoord levert de vertoning hierop niet.

Het lijkt wel of hier een soort zelfmoordcommando aan het werk is. Immers, na afloop blijkt dat de tekst oninteressant blijft (gezeur van een oude dichter geslingerd tussen zelfoverschatting en verscheurende twijfels), dat de acteurs met wisselend succes de tekst enig leven inblazen, en dat het geheel niet veel verder komt dan een regie-oefening. Vraag me dus niet waarom, ik zou het echt niet weten. Alleen rijst de vraag waarom twee jonge, ondernemende regisseurs op dit monster zijn gestoten, waarom niets anders in de hedendaagse literatuur hen relevanter lijkt, en hoe ze zich de band met hun publiek wel voorstellen. Ik neem aan dat na een eerste seizoen Duitse auteurs Gilis en Dehert voor zichzelf de som zullen moeten opmaken van hun optie, en zullen moeten zien welke richting in de toekomst relevant is.

De vertoning zelf beslaat een aantal monologen: de dichter spreekt over zijn moeilijke arbeid bij het teksten maken (de worsteling met de inspiratie is een meer romantische wending); zijn geliefde komt ons vertellen hoe hij als mens tekort schoot; zijn beste vriend komt ons uit de doeken doen wat voor laaghartig individu die grote dichter wel is. Er is ook nog een moeder, maar wat ze vertelt ben ik allang vergeten, het zal wel van een zelfde strekking zijn. Tenslotte is er nog de dood die bij de dichter komt aankloppen, en hem dwingt de rekening van zijn leven op te maken (von Hofmannsthal heeft niet voor niets de Duitse vertaling van Elckerlyc geleverd).

Deze monologen werden door de regisseurs Dehert en Gilis in een zeer mooie ruimte geplaatst: een van de grote halfronde zalen van het Museum voor Schone Kunsten te Gent. De plaats zelf verhoogt de onwezenlijkheid van het gebeuren, want de regisseurs spelen op het contrast tussen de locatie in de tekst, en de locatie van de opvoering. De aanwezigheid van een museumwachter, als pop, levert alleen maar een bijkomende graad van verwarring op.

De vertoning laat een gevoel van valsheid na. Die wordt het duidelijkst bij de laatste beelden van de lange avond: elk personage versteent na zijn monoloog en wordt met een laken bedekt. De acteurs worden beelden. Maar zo gauw het laatste woord gevallen is, krabbelt iedereen recht, en begint te groeten, terwijl de enige juiste oplossing was dat de ruimte leeg achter blijft met de verstijfde lichamen, en dat het publiek wat ongemakkelijk naar buiten moet wandelen. Eens men die valsheid heeft doorzien, merkt men ook dat de beginsituatie niet tot haar recht komt. Men komt in een museumzaal binnen, waar de hoofdacteur eerst voor medebezoeker speelt. Maar nog maar pas is de vertoning goed op dreef, of het blijkt dat achter alle hoekjes en kantjes voorwerpen zijn verborgen zoals in een zoekplaatje. Telkens iemand ‘toevallig’ iets nodig heeft, weet hij dat altijd precies achter het juiste pootje van een of ander verwarmingstoestel te vinden. Diezelfde onechtheid bepaalt ook het spel van de dichter: Marc Steemans geeft hier een uur lang een demonstratie van wat hij kan en van wat zijn manier van spelen bedreigt: alles is te beredeneerd, het zogenaamd toevallige (zoals de lengte van zijn hemdsmouwen die uit zijn, natuurlijk, verfomfaaide regenjas komen) is altijd het resultaat van het volledig bedachte, getrukeerde. Alles verliest hierdoor aan expressieve kracht, het wordt allemaal gemaakt. Slechts één acteur kan binnen dit kader toch nog tot een authentiek moment komen: dat is Bert Van Tichelen. Bij hem komt de vertoning voor een kort ogenblik echt tot leven.

Een vrij verbijsterende voorstelling dus. Alleen de ruimte overleeft het gebeuren helemaal. Zij blijft in haar dimensies en in haar witheid nog lang nawerken. In deze ruimte willen we graag terugkeren. Andere en betere teksten hebben er recht op.

De idioot en de dood

auteur: Hugo von Hofmannsthal;

vertaling: Luk De Vos;

groep : Arca-NET;

regie: Pol Dehert;

spelers: Herman Gilis, Carmen Jonckheere, Mark Steemans, Netty Vangheel, Bert Van Tichelen.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#4

15.09.1983

14.12.1983

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

recensie