Marc Holthof

Leestijd 4 — 7 minuten

De helaasheid der dingen

Film

‘De beste Vlaamse film aller tijden’, het is maar een van de epitheta waarmee de marketingmachine Felix van Groeningens De helaasheid der dingen – naar de roman van Dimitri Verhulst – aan de man brengt. Merkwaardig genoeg functioneert de film op dezelfde manier als het oudste kassucces van de Vlaamse cinema: De Witte.

Felix van Groeningen vestigde zijn reputatie van veelbelovende cineast met twee eerdere speelfilms, Steve + Sky (2004) en Dagen zonder lief (2007). Daarin slaagde hij erin mensen uit diverse milieus op een authentieke manier weer te geven: Van Groeningen kan perfect in personages kruipen, ook in de meest marginale. Toch kon hij zich ook moeilijk uit het beschreven milieu losmaken om méér te vertellen.

Verhulsts roman De helaasheid der dingen lijkt voor hem een goed onderwerp: de verfilming vereist een grote mate van inleving in een marginaal milieu en moet tegelijk de bevrijding eruit schetsen. Het is immers het verhaal van de bevrijding uit een marginaal milieu door het schrijverschap.

De film is dat niet. Die is eerder het verhaal van een nostalgisch ‘hervallen’. Misschien niet letterlijk voor het hoofdpersonage Gunther Strobbe (Valentijn Dhaenens), dat zich inderdaad ontworstelt aan het marginale milieu uit het dorp Reetveerdegem. Maar dat verhaal is niet meer dan een wat fletse raamvertelling, die te weinig aandacht krijgt. Met opzet: teneinde niet te schaden aan de ‘lekkere brokjes’ nostalgie en overacting, die ook de aantrekkingspool voor de film vormen. Neem de befaamde scène van het naakt fietsen, waarmee de filmcrew in Cannes als publiciteitsstunt uitpakte. De naakte reten van de acteurs werden breed uitgesmeerd over de filmaffiche. In de film duurt de scène hooguit enkele tientallen seconden, die pseudoamateuristisch gefilmd als flashback een andere scène inluiden. Het is typerend dat die scène van onderbroekenlol (zonder onderbroek) tot icoon van de film wordt gemaakt.

In flashback vertelt De helaasheid der dingen het tragikomische verhaal van de 13-jarige Gunther Strobbe (Kenneth Vanbaeden), die samen met zijn vader Marcel ‘Celle’ (Koen De Graeve) en drie nonkels, Lowie ‘Petrol’ (Wouter Hendrickx), Pieter ‘Breejen’ (Johan Heldenbergh) en Koen (Bert Haelvoet), bij zijn grootmoeder (een mooie rol van Gilda De Bal) inwoont. Het gezin leeft in het smerigste kot van Reetveerdegem onder het motto ‘God schiep de dag en wij nietsnutten ons erdoorheen’. Dat wordt ons in een serie komische scènes met veel gebrul en gebral duidelijk gemaakt. Daarbij mag iedere acteur om de beurt eens uitpakken. Veel verhaallijn zit er niet in de scènes, die gerangschikt lijken volgens intensiteit: de ene al grover en meer over the top dan de andere.

In tegenstelling daarmee ontwikkelt zich de verhaallijn van de jonge Gunther, die steeds meer afkeer krijgt van het hem omringende milieu (in contrast met de toeschouwer, die er wel pap van lust). Op school is Gunther het slachtoffer van een serie voorvallen die uit DeWitte van Ernest Claes (1920) lijken te komen. Vooral de scènes tussen de schooldirecteur (Guy Dermul) en de jonge Gunther kunnen zo uit een film van Robbe De Hert zijn gelicht. (DeWitte werd in 1934 verfilmd door Edith Kiel, en in 1980 als De Witte van Sichem door De Hert.)

Qua effect op de toeschouwer lijkt de film (niet het boek!) warempel op een remake van De Witte: een gevestigde schrijver in de stad (Claes woonde in Ukkel) kijkt met nostalgie terug naar zijn jeugd in zijn geboortedorp. Van op veilige afstand kijkt de moderne bioscoopbezoeker naar een marginaal dorpsmilieu, dat hem mateloos amuseert.

Wanneer de jonge Gunther het dramatische besluit neemt om afscheid te nemen van dit milieu en – op suggestie van de directeur – op internaat te gaan, lijkt dat in de film haast onlogisch, ja onnatuurlijk. Gelukkig volgt dan een van de betere scènes van de film: een sociaal assistente (Sara De Bosschere) bezoekt het gezin terwijl vader Celle in zijn kamer boven een delirium tremens beleeft. De tragische dimensie van die crisis houdt een ogenblik de onderbroekenlol en flauwe grappen in evenwicht en maakt Gunthers ontsnappingspoging begrijpelijk.

Dat brengt ons bij het probleem
van Koen De Graeve, die de vader speelt.
De Graeve is de laatste jaren in bijna

elke Vlaamse film te zien in opvallende rollen. Het is sinds de jonge Jan Decleir geleden dat een acteur nog zo getypecast werd voor één en dezelfde rol. Zijn rol in De helaasheid der dingen ligt helemaal in de lijn van die in Los, Loft of Dagen zonder lief, zij het deze keer met een tragische kant. In de scène met de sociaal assistente doet hij dat voortreffelijk, elders voelde ik die tragische kant te weinig. De Graeve is, als steeds, de schuine-moppen-vertellende-nonkel-op-het-familiefeestje. Mag het eens wat meer, en liefst iets compleet anders zijn?

Eigenlijk is dat het probleem van de hele film: Van Groeningen kiest voor de lol en niet voor de tragiek in het verhaal van Verhulst. Het is vreemd dat de meest pakkende scène uit de film er één is tussen twee randfiguren in het verhaal: Gunthers brave nichtje Sylvie (die een paar weken op bezoek is en door de Strobbes mee naar het café wordt gesleurd) en een totaal bezopen, doodzieke, gemarginaliseerde figuur, die beseft dat hij voor de eerste én laatst keer zijn natuurlijke dochter ziet.

Die scène sluit aan bij een basisthema uit het boek dat in de film te weinig nadruk krijgt: de hoofdfiguur wil niet alleen ontsnappen aan zijn marginale bestaan, maar ook aan de genetische erfenis van de Strobbes. Niet alleen aan de bodem maar ook aan het bloed. Hij vervloekt tegelijk zijn moeder en de vrouw die hem opzadelt met een (door hem) ongewenst kind.

Die choquerende uitspraken en scènes zitten ook in de film, maar ze hebben niet de scherpte en kracht die ze zouden kunnen hebben. Van een ontnuchtering is bij de toeschouwer geen sprake. Integendeel: het De Witte-effect speelt ten volle. De tragiek wordt verdrongen door pseudonostalgie. De film wordt een dierentuin, waarin wij achter veilige tralies een potje komen lachen met virtuoze acteurs die de marginaal uithangen. Het is allemaal zo leuk, meeslepend en pseudoauthentiek dat ik mij na afloop zelfs afvroeg waarom Verhulst daar eigenlijk weg wilde

Regie: Felix van Groeningen. Met: Kenneth Vanbaeden, Valentijn Dhaenens, Koen De Graeve, Wouter Hendrickx, Johan Heldenbergh, Bert Haelvoet, Gilda De Bal, e.a. www.dehelaasheidderdingen.be

 

 

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#119

01.12.2009

30.06.2008

Marc Holthof