Dominique van Steerthem

Leestijd 3 — 6 minuten

De Grenssteen

Dito Dito, Brussel

Dito Dito tekent eigenzinnig. Na de S/Z-cyclus (Frans/z, Tars/zan, Plots/z) waarin het onderzoek naar de theatrale realiteit centraal stond, betreedt het gezelschap met deze Bruzzle-trilogie, nieuwe niet minder eigenzinnige paden. De speelse ernst en de zoektocht naar de waarheid worden hier ingeruild voor bezetenheid en toedracht.

Het onderzoek gaat dus verder, maar helt meer naar een geestelijke ingesteldheid over. Sober, getormenteerd en gevoelig. Drie kenmerken van De Grenssteen. Het eerste deel, De SixtijnseKapel van Marguerite Yourcenar, gespeeld door Willy Thomas is een dialoog van wat een tekst oproept en hoe een acteur er zich in thuis voelt. Jo Huybrechts regie is sober en suggestief : Willy Thomas neemt afstand van de geladenheid en geeft de emotie vorm door een introverte attitude. Hij beeldhouwt met woorden, zoals Michelangelo in het marmer kapt. Hij laat Yourcenars tekst verworden tot een wereldaanschouwing, waarin zowel de kunstenaar, de leerling, de bewonderaar en de dagdromer het vergankelijke verdringen door met schoonheid bij te dragen tot het leven. Als toeschouwer ben je getuige van een intieme bijeenkomst, een gevoel dat nog versterkt wordt door het speelveld dat aan de zijkanten afgebakend is met zuilen en aan de achterkant met een wit vierkant waarin een klein raam. Een Malevich- vierkant, maar hier wordt het pure (de doorzichtigheid van het glas) begrensd door de kunst (het witte doek). Een metafoor voor wat echt en wat kunst is. Het geheel baadt in een sfeer van nostalgie en tevredenheid. Het ware leven is geen uitweg voor de kunstenaar. Die realiteit (Het glas in het vierkant) wordt een visioen, een doembeeld, een weg naar de leegte. Het leven voor een kunstenaar is de doorzichtigheid zelf. Daarom moet hij zelf creëren, tot dwingelandij toe, om een zin aan de existentie te geven.

Het tweede deel, Charlotte (De dood en het meisje), is een gevoelige bewerking van Leben oder Theater van Charlotte Salomón. De auteur, Jan Roets, brengt met dit stuk een hulde aan deze fascinerende vrouw. De verschrikking en het noodlot dat Charlotte naar de ondergang dreef stelt hij tegenover haar innerlijke dwang tot presteren. Alle liefde leidt naar de dood, het ultieme geluk, want de dood is voor haar als een troost. Roets schrijft in de ik-vorm en geeft hierdoor Mieke Verdin de mogelijkheid een Charlotte te spelen die meer dan geloofwaardig is. Ook hier een eenvoudige regie, als een contrapunt voor het acteren van Verdin, een lege ruimte tegenover een gevuld boek. Uiterlijke rust en innerlijke getormenteerdheid. Niets is aanwezig, alleen de herinnering. Haar werken en haar leven vullen de ruimte. Zij belichaamt hier niet alleen het personage Charlotte, maar is ook de vrouw die de gedrevenheid opzoekt. Zij verlegt in haar spel de grens tussen wat acteren en de werkelijkheid is. Dit beantwoordt aan het opzet van Charlottes werk -werkelijkheid. Het passionele van de kunstenares manifesteert zich op alle niveaus. Men ziet Charlotte, men hoort haar spreken. Roets kiest hier duidelijk voor het concrete, het directe, maar blijft met de juiste dosis het gevoel afwegen tegenover het verstand. De actrice neemt feilloos alle hindernissen, laat zich kwetsen door haar eigen gevoel. Men krijgt de indruk dat ze alles vertelt omdat het moet. Ook hier wordt de werkelijkheid van het theater een surrealiteit. De toeschouwer is hier getuige van iemand die spreekt uit een gedrevenheid. Hij mag alles weten, krijgt alles te horen en laat zich meeslepen door de eerlijkheid van haar verhaal. Als voyeur kijkt hij naar iemand die meer dan alleen de ziel bloot legt. Hij wordt gevangen in de hartstocht en de doodsdrift van de kunstenares.

Deel drie, Als wij doden ontwaken naar Henrik Ibsen, is na de inspanning bij Thomas en de ontroering bij Verdin een heerlijk moment ontspannen. Ibsens tekst is qua thematiek verwant met de twee andere, maar verschilt omdat het louter om fictie gaat. Rubek is een creatie, een personage, en leeft als dusdanig in een onwerkelijkheid. De ploeg (Olaerts, Thomas, Verdin en Dermul) accentueert hier de regressie. Zij plaatsen een theaterstuk tegenover de levens van Michelangelo en Charlotte. Het spel wordt hier afgebouwd tot een minimaal acteren. Maskers camoufleren het gelaat, zodat het spreken onduidelijk wordt en de afstand tussen persoon en personage wordt versterkt. Sommige dialogen staan op band. Ook hier wordt de vervreemding getoond. Hoe werkelijk is alles wat op een scène wordt gezegd ? Het spel wordt hier met opzet doorzichtig gemaakt. Wie kijkt naar wie ? Waar gebeurt het leven ? Wat moet een persoon/ acteur/personage ondergaan om geloofwaardig bij het publiek over te komen ? Welke middelen kan hij aanwenden en hoe dicht staat hij bij het reproduceren ? De tekst blijft het enige aanknopingspunt voor een theatrale werkelijkheid.

Rode draad in deze trilogie is het leven van de kunstenaar, maar ook het ontoereikende ervan. Michelangelo begrijpt zijn leven, Charlotte wordt geleefd door haar passie en Rubek moet zich inlaten met waanbeelden. Drie keer wordt er een schijn gecreëerd, enkel in het laatste luik wordt die doorbroken. Niets is wat is. Zo ook met De Grenssteen.

De Grenssteen

Gezelschap Dito Dito.

De Sixtijnse Kapel,

regie Jo Huybrechts;

tekst Marguerite Yourcenar,

acteur Willy Thomas.

Charlotte,

regie & tekst Jan Roets;

actrice Mieke Verdin.

Als wij doden ontwaken;

tekst Henrik Ibsen;

bewerking Guy Dermul;

acteurs Els Olaerts, Mieke Verdin, Guy Dermul, Willy Thomas.

Gezien in ‘De Markten’ in het kader van Bruzzle op 4 juli 1989.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Dominique van Steerthem

recensie