‘A mon seul désir’. Fragmenten uit de wandtapijten De dame met de eenhoorn.

(redactie Etcetera)

Leestijd 2 — 5 minuten

De God of de ledepop

Het leeuwenaandeel van Etcetera 26 draait rond vier voorstellingen: Wittgenstein Incorporated (Peter Verburgt, Jan Ritsema, Johan Leysen) enerzijds, en drie jongerenvoorstellingen die gemaakt werden onder begeleiding van professionele regisseurs, anderzijds: Het heengaan (Jan Ritsema), Voorjaarsontwaken (Alize Zandwijk) en Parade als daar is geen (Guy Cassiers).

Alhoewel de produktie-omstandigheden voor elk ervan grondig verschillen, vertonen deze produkties opvallende gelijkenissen, al was het maar in het soort aanwezigheid van de speler(s) op de scène, wat in de buurt komt van de nul-graad van acteren. Er zijn ook andere overeenkomsten, in tekstbehandeling, bijvoorbeeld, en in dat andere appèl dat op het publiek (en meteen ook de kritiek) gedaan wordt. Etcetera graaft zich, via verschillende bijdragen, een weg naar deze produkties. Een eerste serie bijdragen zit geconcentreerd rond Wittgenstein Incorporated. Marianne Van Kerkhoven was als dramaturge van Kaaitheater bij de repetities betrokken: haar aantekeningen vormen het uitgangspunt voor reflecties bij het werkproces; Jan Simoen probeert, als toeschouwer, een antwoord te geven op de uitdaging die Wittgenstein Inc. stelt; Herman De Deyn, hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de K.U.Leuven, trekt parallellen tussen de ‘machinerie’ van Wittgensteins denken en het vertellen (lees: acteren) van Johan Leysen; acteur-regisseur Lukas Vandervost brengt verslag uit van zijn gesprek met Johan Leysen en brengt hulde aan de dienstbare opstelling van acteur en regisseur tegenover de tekst van Peter Verburgt. Een tweede reeks bijdragen draait rond de drie jongerenvoorstellingen. Marianne Van Kerkhoven gaat in op de open betrokkenheid die Het heengaan, maar niet alleen deze voorstelling, van de criticus vraagt. Tenslotte komen we bij de makers terecht, met de vragen die An-Marie Lambrechts in de inleidende tekst aanzet. An-Marie Lambrechts en Hildegard De Vuyst stelden ze aan Jan Ritsema en Alize Zandwijk; Marianne Van Kerkhoven aan Guy Cassiers. Hoe verschillend de invalshoeken ook zijn, woorden als ‘open’, ‘actueel’, ‘doorschijnend’, ‘niet-ingevuld’ lopen als een rode draad door de bijdragen heen. Is het dat wat Von Kleist benoemde met bevalligheid en gratie ? Fragmenten uit zijn tekst Over het marionettentheater fungeren als scharnier tussen Wittgenstein en de jongerenvoorstellingen, tussen de professioneel en de amateurs. Moeten we met Von Kleist concluderen dat de bevalligheid alleen maar terug te vinden is in die menselijke structuren die ofwel geen ofwel een oneindig bewustzijn hebben ?

artikel
Leestijd 2 — 5 minuten

(redactie Etcetera)

artikel