Pieter T’Jonck

Leestijd 5 — 8 minuten

De erotiek van een pas die danspas wordt

In opdracht van het Klapstuk-festival stelde Johan Reyniers een essaybundel over dans samen, Het dansende lichaam – klassieke teksten over (hedendaagse) dans. Pieter T’Jonck las het boek en beschrijft het als “een klankbord voor dans-essayistiek”.

Niets is moeilijker dan schrijven over dans. En dat zowel als je het wil hebben over een individuele voorstelling als wanneer je probeert de essentiële betekenis en werking van het fenomeen te betrappen. Als je een voorstelling ter sprake wil brengen bijvoorbeeld, is het wellicht essentieel om duidelijk de aard en de opeenvolging van de bewegingen, het ruimtegebruik en de dynamiek van de dansers voor ogen te kunnen halen; een simpele opsomming van die elementen, hoe nauwkeurig ook, brengt je echter maar zelden dichter bij de verklaring wat nu bijzonder was aan deze voorstelling, of wat oorzaak was van de vervoering van het publiek. Hoe verschillend is dat niet van een theatervoorstelling. Al is ook daar sprake van een ondefinieerbare magie, die te maken heeft met de acteur -de ene “heeft het” en de andere niet – en met de bijzondere kijk van de regisseur of de scenograaf op een tekst, het is bepaald eenvoudiger om vanuit een helder relaas van de gebeurtenissen steekhoudende interpretaties en inzichten té ontwikkelen. Die kunnen van de ene criticus naar de andere dan wel verschillen, de marges waarbinnen die verschillen optreden zijn toch vrij sterk bepaald. Niet zo met dans.

“Geen enkel ding (beeldt de dans uit, nvdr), beste Phaedrus. Maar alle dingen, beste Eryximachus. De liefde evenzeer als de zee, en het leven zelf, en de gedachten… Voelen jullie dan niet dat ze het gebeuren zelf is van de metamorfosen?”. Zo vat Socrates in Paul Valéry’s Ziel en dans het hele probleem samen. Echo’s van die gedachte vind je erg vaak terug in literatuur over dans, of het nu gaat om essays, verhalen, recensies en memoires van dansers. Altijd weer is er die gedachte – dat de dans een transformatie bewerkstelligt van het voor de hand liggende, het vertrouwde materiaal dat ons dagelijks bewegen is.

“Vast staat dat de danseres geen vrouw is die danst, om de redenen dat ze geen vrouw is, maar een metafoor die een van de elementaire aspekten van onze vorm samenvat: zwaard, beker, bloem enzovoort, en dat ze niet danst, maar, door het wonder van verkortingen of aanlopen, met een lichamelijke schriftuur suggereert wat in gedialogiseerd en beschrijvend proza verschillende paragrafen zouden moeten uitdrukken: een gedicht, vrij van elk instrument van de schrijver.” (Stéphane Mallarmé). Mallarmé stipt hier een belangrijk inzicht over dans aan: ze houdt voortdurend de belofte in van een ontstijging aan het dwingende talige systeem waarin de mens willens nillens gevangen zit.

“De danser spreekt slechts van lichaam tot lichaam. Deze taal is de oorspronkelijkste, want ze is in staat de ondeelbaarheid van het eigene – misschien alleen maar een kleine vreugde – aan andere mensen mee-te-delen” zegt de fenomenoloog F.J.J. Buytendijk in zijn Algemene psychologie van de dans. En iets eerder verklaart hij dit ook zo: “Slechts” in het wezen van de eros vinden we een antwoord op onze vraag, wanneer een pas in een danspas verandert. De klemtonen bij het zetten van een voet, de bewust gekontroleerde overgave waar het zelf zich vergeet en toch demonstratief, door de expressie en de zindragende gestiek heen, in het avontuur van de improvisatie standhoudt, vervoeren de toeschouwer en de danseres in gelijke mate.”

Dit erotische aspect, dat onlosmakelijk verbonden wordt met de dans vinden we ook helder geformuleerd bij Mary Wigman in haar tekst De taal van de dans. “Onze sterren belichten onze weg van ver en vanuit de duisternis. Zijn ze niet duizendmaal mooier, aanlokkelijker omdat ze vol geheimen zijn? Wat zou de artistieke kreatie betekenen als er geen verlangen was, een dromerig verlangen dat ons verbiedt te aarzelen, en de beweging de vrije baan geeft waardoor het verlangen zich, omdat het verandert, ook opnieuw vernieuwt?” Bij dans, stelt Wigman in de tekst, is het lichaam de plaats waar deze voortdurend verschuivende verlangens met zichzelf komen samen te vallen.

Het ligt voor de hand dat zo’n beladen suggestie over de werking van dans ook leidt tot een sterke bezetting ervan met verboden en taboes, en dat is al van in de oudheid het geval. Dat leidt niet zelden tot reducerende en denigrerende opmerkingen als deze van Crato in Lucianus‘ dialoog Over het dansen 1-7: “Dat zou er nog aan ontbreken, dat ik met een baard van deze lengte en mijn grijze haren tussen vrouwspersonen en dat soort krankzinnige toeschouwers zou zitten, en daarbij met mijn handen klappen en de meest ongepaste lofkreten schreeuwen naar een verrekt heerschap dat zich zonder enige reden in bochten plooit.” Of wat de denken van die andere reducerende strategie, die Weremeus Buning aanklaagt in Dans en betekenis: dat men steeds wil weten wat een dans betekent, in plaats van zich, zoals bij het beluisteren van muziek (ook zo’n kunstvorm die om beurt hemelse gaven toegeschreven werd en verketterd werd) geheel over te geven aan het spel van de bewegingen. Omgekeerd is er ook volop gespeculeerd over de goddelijke aard van de dans. Heinrich Von Kleist ziet in de danser, als een marionet in de handen van een ander, een weerspiegeling van het goddelijke.

Nu mag je als lezer van bovenstaande gedachten denken wat je wil – en ik geloof zelf dat er bijvoorbeeld heel wat vraagtekens te plaatsen zijn bij de lichaamsmystiek die in de dans ultieme, onbemiddelde waarheden naar boven ziet borrelen -, deze tekstselectie maakt ook in een oogopslag duidelijk in welk breed discursief veld dans vervat zit. Anders gezegd, je kan dan wel de illusie hebben dat een dansvoorstelling je rechtstreeks aanspreekt, die ogenblikkelijke begrijpelijkheid blijkt een “verborgen agenda” te hebben, een reeks leeskaders die onbewust werkzaam zijn bij dat “directe” verstaan. Dat is in zekere zin een waarheid als een koe, en in een tijdschrift over literatuur zou deze kwestie een evidentie zijn. Voor dans is dat op een vreemde manier veel minder, of zelfs helemaal niet waar.

En precies daarin ligt een belangrijke hinderpaal voor het ontwikkelen van een hoogwaardige essayistiek over dans: de basisteksten zijn gewoon niet voorhanden. Een gedachte, een essay, verdwijnt vaak weer zo snel als het verschenen is in de vergeetput van oude tijdschriftjaargangen. Over het bestaan van belangrijke teksten over lichaam en dans is vaak zo goed als niets geweten of ze zijn niet beschikbaar.

Daarin ligt nu net de verdienste van het boekje Het dansende lichaam – klassieke teksten over (hedendaagse) dans dat Johan Reyniers in opdracht van Klapstuk samenstelde. Op het Valéry-citaat na komen alle hier eerder geciteerde teksten uit dit boekje. Al is de eerdere bloemlezing eruit niet veel meer dan een spielerei, ze maakt wellicht wel duidelijk in welke mate een dergelijke bundeling van teksten perspectieven opent: naarmate je er verder in leest, onderga je de ene aha-erlebnis na de andere, ontdek je onverwachte gezichtspunten, of zie je hoe hardnekkig bepaalde opvattingen over de generaties heen het denken over dans blijven kleuren. Het dwingt je om ook zelf stelling te nemen, te vergelijken, je eigen opvattingen over bepaalde voorstellingen eraan te toetsen. En het bestaan van zo’n tekstenbestand is precies de bestaansvoorwaarde voor een danskritiek die het ogenblikkelijke en subjectieve – ik vind het goed of ik vind het slecht – overstijgt.

Het ambitieniveau van de bundel is echter beperkt: het is een eerste ontginning van een gebied dat in onze taal nauwelijks thematisch ontsloten is. Een groot aantal filosofen, schrijvers en choreografen/dansers zijn niet vertegenwoordigd in deze bundel. Dat doet echter niets af van de waarde van deze bijdrage tot een volwassen danskritiek in Vlaanderen.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#46

15.10.1994

14.01.1995

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

artikel