Artists’ Entrance: Meg Stuart
Meg Stuart
© Emiel Rambeaux Vandekerckhove
Diep vanbinnen is Joeri Happel een Brabants worstenbroodje, een frikadel op pootjes, een plebejer met Unox-muts lurkend van een pakje cecemel. In een brief aan zijn theatercollega’s neemt hij het op voor de escapistische kracht van de Efteling.
Geachte kunstkenners,
eerwaarde theatercollega’s,
beste Bionadebrigade,
Mij is gevraagd mijn liefde te uiten voor een wereld vol wonderen: de Efteling, het grootste attractiepark van de Benelux met jaarlijks vijf miljoen bezoekers. Wat mij niet is gevraagd, zijn mijn beschouwingen over het hedendaagse theaterdiscours, de noodzakelijkheid van de kunsten of de kern van mijn kunstenaarschap. Nee, niets van dit alles. Of toch misschien een beetje… Diep vanbinnen ben ik namelijk een Brabants worstenbroodje, een frikadel op pootjes, een plebejer met Unox-muts lurkend van een pakje cecemel. Mijn innerlijke ik staat in de wachtrij bij de Python met een peterpansyndroom.
“Laatst zag ik een van kop tot teen getatoeëerde ex-gedetineerde op een bankje voor het kasteel van Doornroosje zitten. Hij opende een broodtrommel voor zijn dochtertje en vroeg zachtjes: ‘En Shanilla, was Doornroosje aan het slapen? Was je bang voor de heks?’”
Ik ben zowat in de Efteling geboren. Ik kroop daar uit een paddenstoel, dwaalde mijn jeugd rond in het sprookjesbos en verloor het park later even uit het oog omdat het een ‘inferieure’ culturele uiting leek. Nu ben ik er opnieuw verslingerd aan geraakt, wederom abonnementhouder, en kijk ik met smart uit naar haar nieuwste attractie, de Danse Macabre.
Ja, lieve kunstconculega’s, deze ‘lage cultuur’ met haar lage btw-accijns ligt mij zeer nauw aan het hart. Terwijl de rechtse regering in Nederland doelbewust linkse hobby’s pest door de btw op cultuur te verhogen, blijft het pretpark een culturele uitzondering. Ik ben namelijk niet de enige die van de Efteling houdt, ook de populairste politicus van Nederland deelt deze liefhebberij. Geert Wilders geniet graag tien keer achter elkaar van de Droomvlucht. Het is zijn lievelingsplek.
Ik hou ervan om de mensen te bekijken die naar de sprookjes kijken. Hele gewone grijzemuismensen die nieuwsgierig door een raampje naar de Zeven Geitjes loeren; vrolijke vollere mensjes in scootmobielen die aanschuiven voor Carnaval Festival; pokdalige Comic-Con-jongens die naar de achtbaan hollen; botoxdames in bomberjacks met bolle kontjes in plastieken broekjes die over de Pardoes Promenade flaneren; mannen met stierennekken in te strakke T-shirts die vrolijk hun snottebelkleuters in de Symbolica geruststellen. Ik hou van de islamitische schoolklassen die alle gondeltjes van de Droomvlucht bezetten. Dan denk ik vol geneugten aan Wilders en hoe zijn lievelingsplek de lievelingsplek van eenieder kan zijn. In de Efteling hou ik van hen allemaal. Samen aanschuiven voor een Holle Bolle Buil (een grote puntzak friet) herinnert me aan mijn nederige afkomst: in de rij sta ik gewoon een gewoneling te wezen.

© Emiel Rambeaux Vandekerckhove
Laatst zag ik een van kop tot teen getatoeëerde ex-gedetineerde op een bankje voor het kasteel van Doornroosje zitten. Hij opende een broodtrommel voor zijn dochtertje en vroeg zachtjes: ‘En Shanilla, was Doornroosje aan het slapen? Was je bang voor de heks?’ ‘Nee hoor, papa’, antwoordde Shanilla. Dat moment, toen Rodney daar met zijn gezicht vol tattoos herinneringen maakte met zijn dochtertje Shanilla, zoals Rodney jaren geleden zelf ook herinneringen maakte met zijn vader Berry, op hetzelfde bankje, kijkend naar hetzelfde kasteel: dat ontroert me.
Op Eftepedia, de Wikipedia van de Efteling, lees ik: ‘Uit onderzoek is gebleken dat de gemiddelde Nederlander minstens vijf keer in zijn leven het park bezoekt: als kind, tiener, adolescent, ouder en grootouder. De meeste bezoekers verwachten zaken aan te treffen die nog in hun herinnering leven, zoals Holle Bolle Gijs, Langnek en de Python.’
Het belangrijkste product van de Efteling is intergenerationele nostalgie: herinneringen aanmaken en ophalen. Een prachtige keten van eigen kindertijd, kinder-kindertijd en grootmoeders kindertijd. De Efteling is canon, een moeilijk te onderschatten cultureel fenomeen, iconisch in vele mensenlevens in Vlaanderen en Nederland.
In het Natuurpark verdwijnen onze zorgen. Het is een plek waar iedereen even aandoenlijk en suf is, vrediger dan de echte wereld, ondanks de macabere ondertoon die door het park gonst. De Efteling is een immersieve wereld vol magie en escapisme.
Oeioeioei, lieve theaterkenners, escapisme!
Binnen onze culturele linkse intelligentsia wordt escapisme problematisch geacht. Bertolt Brecht bromt in mijn binnenste: ‘Waar is de kritische distantie? We moeten mensen wakker schudden, niet in slaap wiegen!’ Is de boze wolf echt boos of slechts een misbegrepen outcast? Verdienen heksen niet een herinterpretatie of make-over? Wie belichaamt de hedendaagse ‘heks’? Wat is de socio-economische toestand van de Laven? De prachtige façades van het sprookjespark verblinden ons voor de onderdrukking die achter de verhalen zit! ‘Pas op met escapisme!’, riep een dramaturge op school eens. ‘Voor je het weet ben je verblind door fascisme!’
“Het park is er voor iedereen, met zestig attracties en zestig verhalen. Ook marxistische systeemanalyses zijn welkom — ik laat ze graag op menige attractie los.”
We kunnen sprookjes dissecteren en er intelligente dingen over zeggen, maar daarmee ontkennen we iets essentieels van het fantasygenre: de fantasiewereld is een andere dan de onze. Het sprookje heeft weinig met het reële te maken; het is romantiek, een vlucht uit de moderniteit. In de symbolische wereld staan niet individuele subjecten of maatschappelijke systemen centraal, maar magie, mythe en het goddelijke. Ze wordt bevolkt door allegorische figuren en er gelden andere krachten en wetten. Het is een wereld waarin goed en kwaad bestaan, waar donker en licht duidelijk aanwezig zijn, en waar niet alles vervaagt in hedendaagse psychokritische, socio-economische grijstinten.
Toch doet bovenstaand relaas mezelf, mijn kunstvrienden en de Efteling tekort. Want het park is er voor iedereen, met zestig attracties en zestig verhalen. Ook marxistische systeemanalyses zijn welkom — ik laat ze graag op menige attractie los. Neem bijvoorbeeld Villa Volta: Hugo en de Bokkenrijders zijn niet slechts addergebroed en boeventuig, maar ook armoedzaaiers op zoek naar een beter bestaan, zich verzettend tegen de onderdrukkende macht van de kerk. Hun plundering van de abdij van Postel is dapper en begrijpelijk, al heeft hun hoogmoed desastreuze gevolgen. In een magische wereld waar God de scepter zwaait, is zijn toorn genadeloos. Hier geen sociaal verantwoorde vergeving, geen psychoanalytische remedie, maar ondoorgrondelijke, grote goddelijke wraak.
Laatst voer ik met mijn vriend Ali door de Fata Morgana, de oriëntalistische boottocht gebaseerd op de verhalen van Duizend-en-een-nacht. Ik was bang voor zijn onverbiddelijke wokeogen. De impliciete storytelling van de Fata Morgana is immers niet mals: we voeren door de verborgen stad langs arme bedelaars, sluwe koopmannen, agressieve soldaten, een kerker vol slaven, voorbij de grandeur van de pasja en zijn harem, tot in de schatkamer waar een reusachtige djinn de hele stad in bedwang houdt. Samen voeren we door een koloniale, clichématige dramaturgie van geweld — wat zou mijn Anatolische vriend daarvan denken? Ali vond de wereld vol gruwel, mysterie en wonderen zo meeslepend dat we nog een rondje wilden, en daarna nog een, en dan nog een, omdat we samen in deze fascinerende wereld verdwenen.
De Efteling is dan wel een pretpark, maar het is er niet voor de lol. Het is geen Vanilleland, geen generisch Disneyland, niet zoetsappig of kinderlijk zoals Plopsaland. Haar sfeer is luguber, onheilspellend, rafelig, hard en vreemd. Veel Amerikaanse bezoekers noemen het ‘Dark Disneyland and very European’.

© Emiel Rambeaux Vandekerckhove
Leden van de kunstclub,
Er wordt vaak schamper gedaan over Anton Pieck, de ontwerper van het park. Zijn levenswerk zou kitscherig zijn. Maar in zijn tijd moest hij het opnemen tegen zijn modernistische generatiegenoten: de blaaskakende macho’s, de Picasso’s, de Appels, Pollocks en de conceptuele grappenmakers met hun urinoirs die neerkeken op Piecks al te fraaie prentjes. Maar zo kitscherig zijn ze niet. Pieck is anachronistisch, paste niet bij zijn tijd en vluchtte weg in zijn romantische tekeningen, samen met de massa die even escapistisch wilde verdwijnen, even verlost van hun zorgen: de zorgen van Rodney, de botoxkont en de scootmobiel.
‘Kitsch’, schreef Milan Kundera, ‘is de ontkenning van stront’, maar de Efteling ontkent de stront niet. Dood en duisternis schuilen achter elke hoek van elk bospaadje. De toeschouwer neemt deel aan de begrafenis van Sneeuwwitje, ziet de keizer van de Chinese Nachtegaal zijn laatste adem uitblazen en de Wolf klaarstaan om de Geitjes te verslinden. Deze taferelen vinden altijd plaats op het kritieke moment van het verhaal: komt dit nog goed of gaat het echt fout? Het antwoord blijft uit. Het publiek laat de gestolde Eftelingsprookjes achter zonder een happily ever after.
Het mooiste sprookje van de Efteling is Het meisje met de zwavelstokjes. Het meisje sterft op kerstavond in een koude winternacht en wordt door haar grootmoeder naar de hemel meegenomen terwijl het Ave Maria klinkt. De pret van het pretpark is hier definitief verdwenen. Iedere keer kom ik gebroken buiten, met betraand gezicht. Het is een van de beste stukjes theater die ik me kan inbeelden: een confrontatie met de eindigheid, het hele jaar door, iedere drie minuten opnieuw, voor vijf miljoen mensen.
“‘Kitsch’, schreef Milan Kundera, ‘is de ontkenning van stront’, maar de Efteling ontkent de stront niet. Dood en duisternis schuilen achter elke hoek van elk bospadje.”
Lieve anonieme kunstvriend,
Ik zou nog wel een tijd kunnen doorbomen als fanatieke Efteling-gekkie, en de geïnteresseerden verwijs ik graag door naar de podcastkanalen van Kleine boodschap (minimaal 800 uur aan Efteling-verdieping) of Ochtend in Pretparkland, met de eloquente pretparkprofessor Erwin Taets. Maar deze brief wil ik eindigen met een citaat van Ton van de Ven, de protegé en opvolger van Pieck, die zijn hele leven met de geleende hand van zijn meester tekende, waarmee hij de topattracties Droomvlucht, Fata Morgana en Villa Volta ontwierp:
‘Wij werken voor de massa. Maar je moet bedenken dat de massa altijd de massa plus één is. En die ene, dat ben je zelf! Dus: als jij zelf iets leuk vindt, mag je ervan uitgaan dat heel veel mensen dat leuk vinden.’
En daar, lieve medeartiest, trek ik mij dikwijls aan op als ik weer eens in de war ben door mijn eigen artistieke fratsen. Vind ik het zelf wel leuk?
Met de meeste hoogachting,
en een twinkelende tovergroet,
De frikadel op pootjes,
Joeri Happel
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.