‘De duivel beduveld’ © Kurt Van der Elst

Leestijd 6 — 9 minuten

De duivel beduveld

LOD – Le Corridor

‘Kan je ervoor kiezen een andere taal te spreken dan je eigen taal?’ De openingszin van De duivel beduveld vangt meteen het alfa en omega van dit bijzondere theaterproject van beeldend kunstenaar Patrick Corillon. Hij creëerde in zijn Franse moedertaal een poppenkastvertelling en maakte nu op vraag van LOD een Nederlandstalige remake. De voorstelling gaat over een poppenspeler die het met de duivel op een akkoordje gooit om de juiste woorden te vinden. Maar bovenal zijn de andere talen waarvan sprake de gesproken en de geschreven taal. Ingenieus weet Corillon ze op scène terug met elkaar te verzoenen.

Tijdens de voorstelling voeren mijn gedachten naar Orality and Literacy: The Technologizing of the Word (zeg maar ‘het orale en het gedrukte woord’), een revelerende cultuurhistorische studie van Walter J. Ong uit 1982. De Amerikaanse jezuïet en professor Engelse literatuur ontvouwt erin hoe de komst van het schrift en later de boekdrukkunst een aardverschuiving veroorzaakte in de ontwikkeling van de menselijke identiteit. Terwijl orale culturen bouwen op principes als gemeenschap, een strenge traditie en een schijnbaar naïeve band met magie en rites, kenmerken culturen met kennis van het schrift zich door een individualisering en abstrahering van denken en zijn. Dat lijkt weinig opzienbarend, maar het unieke aan Ongs benadering is dat hij die verschillen terugvoert tot het simpele technische onderscheid tussen auditieve en visuele informatieoverdracht. Geluid sluit in en verbindt. Gesproken betekenisgeving kan slechts bestaan door het geheugen en door intermenselijke overlevering van vader op zoon. Beeld daarentegen vraagt om focus en distantie: kijken isoleert. Daarom spreekt geschreven taal veeleer de analytische geest aan. En daarom maken schriftelijke culturen volgens Ong meer drang naar individuele vernieuwing los, tegenover collectieve repetitie. Schrift, als opslagruimte voor reeds verzamelde kennis, stimuleert vooral ons onderscheidingsvermogen. Hoe groot die sprong wel is voor ons hele wezen, moet Ong in zijn studie steeds in herinnering brengen. ‘In een orale cultuur kan men simpelweg niet overweg met verschijnselen als geometrische figuren, abstracte categorisering, omvattende definities of zelfs een uitgesproken zelfanalyse. Dat alles hoort niet zomaar tot hét denken, maar tot een door tekst gevormd denken.’

In De duivel beduveld keert dat verschil tussen gesproken en geschreven taal om de haverklap terug. Zo toont zich achter vertelster Karlijn Sileghem, solo op scène naast pianiste Heleen Van Haegenborgh, een soort kijkkast waarin geen poppen, maar handmatig bediende doeken met speelse woorden en zinnen verschijnen en weer verdwijnen. Corillon zit in de kast, maar dat achterhalen we pas na afloop. Het is Sileghem die de gecombineerde vertelling van gesproken taal en gedrukt woordbeeld aanzet, nadat ze stiekem langs de publiekstribune de scène op is komen wandelen. Zoekend, bijna hakkelend, vertelt ze hoe ze ooit voor haar scriptie over auteurs die in andere talen schrijven, dagenlang kampeerde in de Nationale Bibliotheek, statussymbool bij uitstek voor elke moderne schriftcultuur. Ze raakte er gefascineerd door een rare man die steeds in hetzelfde boek zat te neuzen. Toen hij haar uiteindelijk zijn verhaal deed, duurde dat drie volle dagen, terwijl zij zijn woordenvloed neerkriebelde. En dat relaas zal ze nu op haar beurt aan ons vertellen. Sileghem wil haar publiek ook echt het gevoel geven dat ze dat voor het eerst doet, en onvoorbereid. Alsof we samen aan een kampvuur zitten in een tijdperk duizend jaar voor de televisie. Zo verschilt haar intuïtieve spelbenadering sterk van die van Dominique Roodthooft in de originele Franstalige versie, Le diable abandonné (van het Luikse gezelschap Le Corridor, nu coproducent van LOD). Met zijn hoogluidende toon van wel meer Franstalig theater kwam het verhaal toen net wel afgelezen over. Is theater de spontane magie van het gesproken moment of de loutere actualisering van neergepende zinnen? Sileghems eigenlijke vertelling problematiseert die vraag. Haar hoofdpersonage blijkt de zoon te zijn van een Ardeense marionettenspeler die in de Eerste Wereldoorlog een Duits samenscholingsverbod omzeilde door zijn verhalen op doeken in het rond te hangen in zijn stadje Sérinan, bij de Maas. Dat sloeg zo aan dat hij zijn kleine Théâtre de la Coquille ook na de oorlog geluidloos bleef uitbaten.

Op dit punt in de voorstelling pakt Patrick Corillon uit met de eigenlijke charme van De duivel beduveld. Als beeldend kunstenaar ontwikkelde hij al looprekjes met rollende teksten voor in musea, animatiefilmpjes met levende toetsenborden en biografische installaties rond de fictieve artiest Oskar Serti (onder meer op Documenta ix in 1992). In zijn kijkkast voor deze creatie beginnen nu witte doeken te bewegen waarop de rest van het verhaal over ‘de zoon’ simpelweg te lezen staat in droge, heldere blokletters. De piano van Van Haegenborgh is stilgehouden, en daarmee stokt ook even de gevoelige begeleidingscompositie van Thomas Smetryns, die zijn gewoonlijk experimentelere compositiewerk vanuit instrumenteel erfgoed nu ingewisseld heeft voor een meer sfeermatige illustratie. Zijn speciaal gecomponeerde muziek (anders dan in de Franstalige versie) bepaalt erg veel in de voorstelling. Net daarom heeft het iets erg betekenisvols en ontwapenends hoe de zaal nu in absolute stilte collectief ‘leeskast’ kijkt. De beschreven doeken vallen, schuiven weg als gordijnen, openen soms een verborgen luikje met alweer nieuwe piepende letters. Hun typografische dynamiek heeft iets dadaïstisch, iets vroeg modernistisch à la Paul Van Ostaijen. De letters dansen op de doeken, verglijden in elkaar, nemen andere kleuren aan, kortom: worden levende materie. Maar evengoed kan je ze vergelijken met middeleeuwse emblematiek, het kunstige genre dat de overgang van orale naar schriftelijke cultuur bij uitstek vierde: haar letters maakten van tekst een tekenend beeld en communiceerden in die visuele vertaling iets mysterieus over wat het leven overstijgt.

Zo magisch-realistisch is ook het verhaal van De duivel beduveld zelf, dat Sileghem nu eens met haar stem simultaan begeleidt en dan weer aflost, tot ze alle expressie helemaal aan de naakte doeken teruggeeft. Het geheel vertelt hoe de zoon zich verzet tegen de stilzwijgende poppenkasttraditie die hij van zijn vader overgeërfd kreeg. Maar zeker na diens zelfmoord (de vader hing zich als een van zijn poppen op aan een hoge boom), vindt hij niet de juiste, ware woorden om uit te spreken. Symbolischer kan haast niet. In Lacaniaans-psychoanalytische zin komt zijn zoektocht naar zichzelf overeen met zijn verlangen naar taal, waarmee hij nooit kan samenvallen. Als hij – zo lees je op de doeken –zijn naam in een boom wil kerven, naast die van zijn geliefde zielsgenote Zoë, beseft hij dat hij nooit anders dan ‘de zoon’ heeft geheten. Met Ong zou je kunnen zeggen dat hij zich met alle macht probeert los te werken van de vaderlijke overlevering om een autonoom individu te worden. Alleen ligt zijn vernieuwende zelfgroei net in een terugkeer naar het spreken, weg van het schrift. De hele queeste die Corillon de zoon laat afleggen, zoekt dezelfde richting: weg uit de rationele schriftcultuur waarin we leven, terug naar het sacrale van de pure natuur. De zoon – lees je – sluit als Faust een contract met de duivel en begeeft zich met het koord van zijn vader als leidraad op een queeste naar een donker bos, een spuwende waterval, een diepe sterrennacht. De doeken kleuren nu zwart en rood, de piano gaat wilder klinken, de letters verliezen hun betekenisgevende visuele onderscheid en klonteren samen tot de plastische vorm van knoestige bomen, van concentrische watercirkels, van het demonische ha ha ha-gelach waarop de duivel onze held bij tijd en wijle trakteert. Tegelijk lengt ook de begeleidende vertelling van Sileghem zich uit tot een sequentiële nevenplaatsing van avontuurlijke ontmoetingen, volgens Ong typisch voor orale vertelculturen. De duivel beduveld evolueert terug naar sagen en mythes als duistere beddingen voor collectieve psychologische levensvragen. Dat Maeterlinck een van Corillons vele inspiratiebronnen was, laat zich voelen én zien.

En precies in die mixage van luisteren en bekijken, van auditieve en visuele taal, ligt de grote waarde van Corillons dubbele verkenning van een andere taal dan de zijne. Vooral op het theatermedium laat hij een frisse handtekening achter. Als beeldend kunstenaar gebruikt hij de vanouds orale, gedeelde omgeving van theater om van lezen weer iets gezamenlijks te maken. Tegelijk verrijkt hij de Vlaamse podiumkunsten met ‘letterkundige’ elementen die er ondanks hun visuele en multidisciplinaire karakter zelden in geïntegreerd zijn. En al blijkt uiteindelijk weinig doorgedacht op de extra mogelijkheden van meerdere lettertypes, toch worden de letters zelf erg theatraal gebruikt. Op een van de geanimeerde doeken verschuiven de lettertjes ‘zoon’ tot ‘Zoë’ (in de Franstalige versie verschuift ‘le fils’ tot ‘Elise’) en vormen de bewegende tandjes van een geschilderde kettingzaag minuscule r’etjes die plots een hele zin tevoorschijn sleuren. Het zijn kleine simpele verrassingen voor de grote verwondering, volledig in lijn met de hele ambachtelijke sfeer die De duivel beduveld ademt. Er is geen video, hoogstens een trucje met een overheadprojector. Alles wordt manueel bediend. Maar laat die vormcreativiteit enkel de oppervlakte zijn. De voorstelling, en dan vooral het verhaal zelf, is – hoewel net te lang – erg rijk aan intertekstuele verwijzingen: naar Keats, Marlowe, Valéry, de Bijbel… Dramaturgisch klopt alles, tot het kijkkader van de kast toe: die is tien keer de verhouding van een A4-blad. Het mooist blijft echter het slot: de hereniging met Zoë in de stille kast, op de meest zachtgevoelige muziek van Smetryns. De zielsverwante van de zoon wordt in de kijkkast verbeeld door een soort pupiter voor partituren die onderaan openklapt als een muil. Er komt als uit een boekrol een strook papier uitgerold, waarop in één poëtische repliek te lezen staat hoe Zoë de zoon inviteert om korenbloemen en leeuwenbekjes te planten en niet in het spreken, maar in het zwijgen zijn oplossing te zoeken. ‘Hun kleuren zullen / samensmelten / tot een witte wolk. // Zo wit / zo zuiver / dat je geen woorden / zal vinden / om het geluk / te beschrijven. // En als het geluk / je woordeloos maakt / dan zal ik je horen / dan zal ik / naar jou toe komen.’ Het is een verzoening met de wet van de vader, en het verenigende slotakkoord op Corillons volgehouden poging om Ongs tegenstelling tussen orale en schriftelijke cultuur op te lossen in één coherent kunstwerk, dat om zijn intelligente eenvoud simpelweg ontroert. The rest is silence.

Wouter Hillaert

Deze tekst werd geschreven in het kader van Corpus Kunstkritiek van het Vlaams Theater Instituut.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#116

01.04.2009

31.05.2009

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!