© Michiel Devijver

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

De dieren – Geert Belpaeme & l’hommmm

De geboorte van de subjectiviteit

In De dieren speelt theatermaker Geert Belpaeme met onze blik op het beestje dat ‘mens’ heet. Op welk moment schakelt onze geest van de perceptie van een mens naar die van een dier en terug? En dat dan nog eens binnen de context van the suspension of disbelief, die zo eigen is aan het theater?

De setting is die van een theater, of toch minstens van een performatieve ruimte. Binnen het kader van de vlakkevloer hebben Belpaeme en decorontwerper Geert Vanoorlée een abstracte ‘schouwburg’ gecreëerd. Strakke opstaande rode touwen in de vorm van een dubbele poort leiden de blik in perspectief naar het achterplan, vier neerhangende rode ‘trekken’ dienen om de infinis, de achtergronddoeken aan op te hangen – in dit geval vier badhanddoeken met weelderig junglemotief. Verder zijn er drie koperen verrijdbare rechthoeken en enkele koperen vloerplaten. Het geheel is strak en geometrisch, doet in vormen en materialen doet denken aan het triadische theater van Oskar Schlemmer – en daarmee aan het overmoedige vooruitgangsdenken van het modernisme, dat in de praktijk veeleer een onderwerpingsdenken is gebleken.

Uit het deurtje op het achterplan verschijnt: een aap. Of neen, het is een mens, een vrouw, met een apenkop. Dat weten we zeker, niet alleen omdat we ons in het theater bevinden en niet in de zoo, maar ook omdat de figuur een truitje en een trainingsbroek draagt, en gewoon rechtop loopt – maar wacht, heel even houdt ze ons voor de gek, wanneer ze op het publiek toeloopt, uitdrukkelijk voorover buigt, de armen kromt en voor enkele seconden maar de pose aanneemt van de aap. Onmiddellijk daarop recht ze de rug, alsof ze wil zeggen: ‘Komaan jongens.’ Maar de toon is gezet: De dieren zal ons via zijn hybride protagonisten (hybride in ‘vermomming’, maar vooral in lichaamstaal) voortdurend uitdagen om te bevragen wat we zien en daarmee vooral wat we willen zien, wat we verwachten te zien. Want per slot van rekening is dit theater.

De olifant die even later verschijnt weet perfect wat er van hem wordt verwacht. Hij komt zachtjes schommelend met zijn slurf naar voren, klimt op het krukje en gaat op één been/poot staan: ‘tadaaa!’ De dieren spelen toneel, ze doen kunstjes en vragen om applaus – alleen zijn het geen dieren, maar mensen verkleed in dieren, en dat roept een breder bewustzijn op met heel wat akelige referenties: van de in-trieste snoepverkopers-in-berenpakken die in Amerikaanse pretparken hun onderbetaalde hondenjob uitoefenen tot veel ergere vormen van ‘verkleedpartijen’: de zoo humains bijvoorbeeld van eind de negentiende eeuw, waar mensen expliciet werden verplicht tot het performen van hun vermeende ‘wildheid’ of ‘dierlijkheid’. Tot dier maken lijkt, vanuit een vanzelfsprekend antropocentrisch denken, gelijk te staan aan het onderwerpen aan onze wil.

Maar wat betekent het dan wanneer de dieren in de huid kruipen van andere dieren? Want daar begint het spelen met de rollen: onder de olifantenkop schuilt de aap, de aap zet de kop op van de vos, en uiteindelijk komt er een ‘familieportret’ van met de aap, de olifant, de vos en de neushoornvogel. Spannend moment: langzaam schuift de aap de kop omhoog van de vos, en voor het eerst verschijnt daar een menselijk hoofd (actrice Greet Jacobs) dat zichzelf geen naam toekent maar al buiksprekend de dieren een stem geeft. Het leidt tot een geestige Meneer de Uil-scène, waarbij de olifant aan de mens vraagt: ‘Ben jij ook aan het uitsterven?’ In de reeks trucs die de dieren nog voor ons in petto hebben is uitsterven misschien wel de meest spectaculaire: de grote verdwijntruc, nooit eerder vertoond – en zeker niet vatbaar voor herhaling.

Nu de mens zichzelf heeft kenbaar gemaakt (want kort daarna verschijnt ook het hoofd van actrice Sophia Bauer) mogen de dieren naar het natuurhistorisch museum: hun koppen krijgen een plaatsje tegen de wanden van de koperen rechthoeken. In een sierlijke choreografie worden deze heen en weer gereden en tenslotte lijken ze opgesteld te worden als relieken, te bewonderen objecten uit een ver verleden, wat de vraag “Kijkt u graag naar mij?” – de vraag die de aap ons al van bij het begin op een pancarte voorlegde – een wrange bijsmaak geeft. Hoe kijkt u graag naar de dieren: levend en in gevangenschap of liever dood in het museum? In elk van beide antwoorden is het dier het rechtstreekse slachtoffer van dat kijken.

Eenmaal de gezichten van de actrices onthuld is het vreemd hoe moeilijk het wordt om nog te ‘geloven’ in de verschijning van de dieren, zelfs wanneer ons uitdrukkelijk wordt gezegd dat we kijken naar een Siberische tijger. En hoe anders wordt dat kijken vervolgens weer wanneer de actrices zich uitkleden en enkel gehuld in hun dierenkoppen de poses van bij het begin herhalen: de subtiele kromming van de apenrug, de schommelende slurf van de olifant. We zien natuur – naakte lichamen – ontdaan van cultuur – de kledij – én van zijn menselijkheid, door het afschermen van de gezichten met een dierenkop. Naar welke wezens kijken wij? Wat vaststaat is dat we er ‘graag’ naar kijken, en daarmee lokt Belpaeme ons in de val van de esthetiek. Hoe bekoorlijk zijn deze jonge vrouwenlichamen, dansend als ballerina’s op de tippen van hun tenen, in het zachte licht van geelkleurige spots… Even mooi als we de soepele gang van de Siberische tijger bewonderen in zijn kleine territorium in de zoo, en evenzeer tot object gemaakt.

Maar de dieren, zo beseffen we, performen enkel zichzelf, hun eigen biologie, en niets meer dan dat – de ongekunstelde, soms wat onbeholpen lichaamstaal en uitstraling van Jacobs en Bauer onderlijnen die afwezigheid van hun cultureel bewustzijn. Het is prachtig hoe de beide actrices die onbevangenheid al dansend incorporeren in hun lijf en zichzelf daarmee inderdaad in volle onschuld tot object maken. Wanneer ze zich in een laatste gebaar, ditmaal zonder de koppen, naar het publiek keren, lijken ze de zaal vol mensen plots voor het eerst te zien – écht te zien, zich bewust te worden van de  blik die op hen rust. Het brengt Jacobs tot een verhullend gebaar: ze bedekt haar geslacht, waardoor ze plots Eva wordt in het Lam Gods, geslagen door schaamte.

Het is zo’n zuivere geste, vol van betekenis, net zoals de rest van deze voorstelling op een rustige, esthetisch volmaakte manier berekenisvol is. Het ontroert, dat gebaar, omdat we plots beseffen wat we zien: de geboorte van de subjectiviteit.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#161

15.09.2020

14.12.2020

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.