© Charlotte Lara Decort

Charlotte De Somviele & Ciska Hoet

Leestijd 9 — 12 minuten

‘De debatten rond dekolonisering en de amateurkunsten zijn sterk verweven’

Directeur Jan Wallyn over de transitie van het open talentenhuis Zinnema

Zinnema maakte de voorbije vijf jaar een opmerkelijke evolutie door. Van Vlaams huis voor de amateurkunsten transformeerde het naar een levendige broedplaats voor jonge, meertalige kunstenaars die elders geen voet aan de grond krijgen. ‘Maar we zijn zeker geen pioniers’, nuanceert directeur Jan Wallyn. ‘Heel wat mensen timmeren al veel langer aan die weg dan wij. Alleen worden ze niet gehoord omdat ze niet wit zijn.’

De stad binnenhalen in het theater, het is de droom van veel kunstinstellingen, maar slechts weinigen slagen erin. Het open talentenhuis Zinnema, dat sinds kort ook de tentoonstellingsruimte Qartier in het gerenoveerde metrostation aan de Beurs cureert, mag zich echter wél een afspiegeling noemen van het veelkleurige Brussel. Dat is de verdienste van onder anderen Jan Wallyn, die een dik jaar geleden – hij moest toen nog 30 worden! – werd aangesteld als algemeen directeur. Daarvoor nam hij de artistieke coördinatie voor zijn rekening in tandem met Nathalie De Boelpaep – nu zakelijk leider van NTGent. Samen zetten ze de verjonging en vernieuwing in die intussen het keurmerk van Zinnema is geworden. Jan Wallyn: ‘Nathalie begon daar al aan zonder mij, hoor (lacht). Ze nam mij zelfs aan in het kader van die verjonging. En ook daarvoor trokken mensen er hard aan de kar om het pad te e enen voor wat we nu aan het doen zijn.’

Jan Wallyn © Guillaume Kayacan

ETC.: Jullie ruilden de naam ‘Vlaams huis voor amateurkunsten’ in voor Zinnema. Hoort dat ook bij die vernieuwingsoperatie?

Jan Wallyn: Die nieuwe naam dateert al van 2007, lang voordat ik er begon te werken. Maar de bedoeling was inderdaad om onze opdracht te verbreden. De termen Vlaams en amateurkunsten zijn te eng en passen niet meer bij de actuele werking. We willen er zijn voor alle Brusselaars, n’importe welke taal je spreekt, al bieden we wel een Nederlandstalige context. Zinnema is een eerbetoon aan de bioscoop die ons gebouw ooit was, zoals er vele zijn in Anderlecht. Daarnaast is het een verwijzing naar de Zenne, die door heel Brussel loopt, én naar het feit dat de amateurkunsten vertrekken vanuit zin, goesting.

ETC.: Misschien heeft ‘amateur’ ook wel een pejoratieve bijklank?

J.W.: Goh, er zijn twee manieren om met die term om te gaan: ofwel blijf je ervan weg omwille van die negatieve connotatie, ofwel opteer je ervoor om de term weer cool te maken. Ik zou alleszins niet zomaar meegaan in die negatieve stereotypering. Wij kiezen er nu doorgaans voor om te spreken over vrijetijdskunstenaars. Als je jezelf opleidt, is dat even waardevol als wanneer je een diploma hebt. Anders zijn we het begrip kunst aan het institutionaliseren.

ETC.: De transformatie van jullie werking speelt zich ook af op het vlak van aanpak en doelgroep. Naast het klassieke publiek dat in zijn vrije tijd komt creëren, zijn jullie andere kunstvormen beginnen aan te trekken.

J.W.: We zijn inderdaad ook een huis geworden voor hiphoptheatermakers en -choreografen, en voor mensen die straatkunst maken. In sommige gevallen gaat het over volwaardige kunstenaars die voltijds met hun vak bezig zijn. Soms krijgen we daar opmerkingen over van bovenaf, maar zolang er voor zulke makers geen structuren of opleidingskansen voorhanden zijn en de overheid haar verantwoordelijkheid niet neemt, gaan wij verder op de ingeslagen weg. We beschikken echter niet over het budget om deze mensen een loon uit te keren; in die zin blijven ze ongewild vrijetijdskunstenaars.

“We wilden dat het een eer was om hier een residentie te hebben, zonder dat we zouden vervallen in de rol van poortwachter. In die validering zijn we zeker geslaagd. Zinnema wordt intussen door velen thuis of la maison genoemd.”

De residenten kunnen bij ons wel terecht voor repetitieruimte, coaching via bootcamps, workshops en talentenjachten, en netwerkmomenten. We helpen hen om dossiers te schrijven of andere kanalen te vinden waarmee ze hun werk kunnen financieren. Helaas worden kunstenaars die bijvoorbeeld vanuit hiphop werken voor subsidiëring nog vaak doorverwezen naar het sociaal-cultureel werk. De perceptie blijft: ‘tof, die werkt met jongeren op straat’, terwijl ze een onwaarschijnlijke meerwaarde zouden kunnen betekenen voor het kunstenveld. Op die manier wordt onze racistische geschiedenis gewoon in stand gehouden. De debatten rond dekolonisering en amateurkunsten zijn wat dat betreft sterk verweven met elkaar. Als je kijkt welke structuren en opleidingen er vandaag zijn en voor welke kunstvormen, dan blijkt dat ze allemaal hun oorsprong hebben in de witte cultuur.

ETC.: Termen zoals ‘urban’ of ‘nieuwstedelijke kunst’ komen ook vaak vanuit die hoek.

J.W.: Inderdaad. Het zijn containerbegrippen voor kunsten met een niet-witte origine, terwijl het vooral gewoon vormen van hedendaagse kunst zijn. Door te labelen houd je een fictieve muur in stand tussen de makers in kwestie en het geldpotje van de professionele kunsten.

ALT+R-EGO © Cillian O’Neill

ETC.: Vind je dat het kunstenveld voldoende pogingen onderneemt om die muur neer te halen?

J.W.: Er is zeker sprake van een positieve evolutie. De publicatie Macht herverdelen van Demos is bijvoorbeeld een must read. En de mensen van Citylab in de Pianofabriek leveren ook heel goed werk. In het veld zie je daarnaast steeds meer professionele producties die een brug slaan naar de amateurkunsten. Alleen schuilt daarin soms ook het gevaar van de appropriatie van de ander: ‘de schattige amateur die ook eens mag meedoen’.

Gelukkig zie je steeds meer selfmade kunstenaars opstaan, mensen die geen academische achtergrond hebben en toch hun weg vinden. Denk bijvoorbeeld aan Nadine Baboy, die dit seizoen meespeelde in de KVS-productie L’homme de La Mancha. Twee jaar geleden won zij de Bijou-prijs, een Brusselse wedstrijd voor amateurpodiumkunstenaars. Ik zeg altijd: als we ons werk goed doen, dan zijn we onze residenten kwijt (lacht). Tegelijkertijd zie ik nog veel te weinig verandering van bovenaf. De cultuurpolitiek hinkt echt achterop.

En ook bij dans is het bijvoorbeeld nog steeds zo dat je enkel toegang krijgt tot de sector als je van kindsbeen af naar de academie bent gegaan. Als dat niet het geval is, word je al snel gemarginaliseerd. Hiphoppers mogen solliciteren maar ze moeten wel hedendaags geschoold zijn. Het omgekeerde zie je nooit gebeuren. Met het project ‘1000 Pieces Puzzle’, een programma voor jonge makers die een opleiding zoeken als hiphopmaker of ondernemer, proberen wij dat hiaat in te vullen.

ETC.: Heb je het gevoel dat de echte artistieke vernieuwing wordt aangedreven door de selfmade kunstenaars die bij jullie onderdak vinden?

J.W.: Dominante culturen hebben altijd al geïnnoveerd door zich andere (kunst)praktijken toe te eigenen. De Pride is daar een typevoorbeeld van. Wat oorspronkelijk een protestbeweging was van voornamelijk transvrouwen van kleur, wordt nu gekaapt door witte gays die in een speedo op techno staan te dansen. Onlangs, tijdens een Pride in de Verenigde Staten, probeerde een zwarte transvrouw het feest te onderbreken om te wijzen op die erfenis, maar ze werd uitgejouwd. Dat is politieke recuperatie op steroids waarbij de grondleggers van een beweging tot ongewenste gast gebombardeerd worden. Wat de kunst betreft, kun je opnieuw kijken naar de manier waarop veel hedendaagse choreografen hiphop recupereren in hun werk.

“We proberen zoveel mogelijk bruggen te slaan. Uit de artiestencafés bijvoorbeeld zijn al samenwerkingen ontstaan die wij niet zelf hadden kunnen bedenken.”

Aan de ene kant worden er gretig ‘andere’ kunstvormen toegeëigend, aan de andere kant zie ik ook dat kunsthuizen in hun programmatie, onbewust misschien, steeds afrofobischer worden. Hoe donkerder je huidskleur als kunstenaar, hoe onzichtbaarder je wordt gemaakt. We worden nog weinig blootgesteld aan hedendaagse kunst die niet uit Europa, Amerika of Azië komt. Dat terwijl ik op festivals in Afrika prachtige kunst zie, ondanks de beperkte middelen waarmee ze vaak gemaakt wordt. Het zijn precies deze afrofobische muren die we moeten openbreken als we de kwaliteit van het landschap willen verhogen.

ETC.: Er gaan ook kritische stemmen op over jullie koerswijziging, die stellen dat er van jullie ‘oude’ publiek – lees: de witte, Nederlandstalige amateurkunstenaar op leeftijd – niets meer overschiet.

J.W.: Dat is een misvatting. We zijn de voorbije jaren veel meer beginnen in te zetten op marketing. We hadden de neiging daar te bescheiden in te zijn, precies omdat we een huis voor amateurkunsten zijn. Alleen vergaten we daarbij dat het belangrijk is om mensen onder te brengen in een huis waar ze trots op zijn. We wilden dat het een eer was om hier een residentie te hebben, zonder dat we zouden vervallen in de rol van poortwachter.

In die validering zijn we zeker geslaagd. Zinnema wordt intussen door velen thuis of la maison genoemd. De keerzijde van die nadruk op verjonging is dat de perceptie leeft dat Zinnema er enkel nog is voor jonge, en bij voorkeur niet-witte artiesten. Dat klopt niet. We herbergen nog steeds evengoed mensen uit het verenigingsleven die op woensdag of in hun vrije tijd iets willen komen doen, naast makers met professionele ambities. Als je nagaat wie onze zalen gebruikt, dan zie je nog steeds een grote aanwezigheid van mensen boven de 45, net als van witte, klassieke theatergezelschappen.

© Charlotte Lara Decort

ETC.: Zorgt dat niet voor een clash tussen de professionals en de mensen die enkel in hun vrije tijd willen creëren? Ook artistiek zijn er grote breuklijnen. Tot jullie residenten behoren zowel het Brussels Volkstejoêter als comédienne Vanny Eway en het hiphopplatform Timiss. Coryfee Chris Lomme geeft workshops naast een mediakunstenaar zoals Gertjan E.G. Biasino.

J.W.: Dat is inderdaad niet zomaar evident, maar we proberen zoveel mogelijk bruggen te slaan. Dat doen we onder andere via artiestencafés en feedbackgroepen. Zo komen de deelnemers naar elkaars werk kijken en gaan ze met elkaar in gesprek. Uit die artiestencafés zijn al samenwerkingen ontstaan die wij niet zelf hadden kunnen bedenken. Maar we moeten er natuurlijk ook niet flauw over doen. Voor de gezelschappen die al lang bij Zinnema zitten, is het soms slikken. Zij moeten mee in die democratiseringsbeweging. Als je altijd 80 procent van de taart kreeg en nu nog maar 60, voelt dat aan als verlies. Maar als we onze residenten samenbrengen, is het conflict er niet. Dat komt alleen bovendrijven als we het theoretiseren en we letterlijk over machtsverdeling spreken.

“We hebben ook veel fouten gemaakt. Zo kreeg je een wit huis dat in één jaar tijd verdriedubbelde qua publiekscijfers en stukken relevanter werd dankzij het gratis werk van zwarte mensen.”

Queen Nikkolah © Charlotte Lara Decort

ETC.: Dat jullie ambities fundamenteel zijn, blijkt ook uit het feit dat je de programmatie uitbesteedde aan een groep mensen van kleur.

J.W.: In 2016 deed ik een stap terug als artistiek programmator. We stelden een denktank samen van acht mensen – een historicus, een dokter, een producer en enkele artiesten – van wie er zes intensief mee geprogrammeerd hebben. We hadden immers beslist dat we wilden inzetten op kunstenaars met een dekoloniaal narratief of een praktijk die losstaat van het witte perspectief. Dat seizoen, met als titel ‘I Have a Dream’, kon ik als witte man niet samenstellen. De groep kreeg inzicht in de budgetten, het personeelsbeleid, de planning en de communicatie. Ze kregen eigenaarschap op het vlak van vormgeving en communicatie. Daarnaast stelden ze ook nieuwe gespreksmethodieken voor, zowel met betrekking tot onze residenten als de interne vergadercultuur. Zo hebben ze niet alleen het elan van het huis veranderd, maar Zinnema ook in contact gebracht met een groot deel van de Afrikaanse diaspora in Brussel die we voordien niet bereikten. Vandaag ontvangen we drie keer zoveel aanvragen als vijf jaar geleden.

Artiesten voelen zich ook vrij om bij ons een voorstel te pitchen dat niet politiek is – toch vaak de verwachting voor gekleurde kunstenaars – of om juist een politiek verhaal te vertellen dat veel andere witte instituten niet willen horen. Die vrijheid proberen we langs twee kanten open te trekken.

ETC.: Op welke moeilijkheden stootten jullie in dat proces naar decentralisatie?

J.W.: De aanpak was een succes, maar we hebben ook veel fouten gemaakt. Zo deed ik wel een stap opzij maar bleef mijn loon doorlopen. Ik faciliteerde de denktank, maar hun statuut bleef dat van een vrijwilliger. Zo kreeg je een wit huis dat in één jaar tijd verdriedubbelde qua publiekscijfers en stukken relevanter werd dankzij het gratis werk van zwarte mensen.

Daar sta je dan met je goede intenties. Gelukkig bleek de uitnodiging wel een springplank voor hen, maar ook dat is absoluut geen excuus. Niet iedereen heeft de financiële luxe om gratis zijn of haar weekend op te offeren. Dat is een middenklasse-evidentie. Zolang je niet toegankelijk bent voor elke klasse, ben je niets revolutionairs aan het doen.

Intern waren de afspraken bovendien ook niet duidelijk: waar stopt de verantwoordelijkheid van de denktank en begint die van het team? Je moet je huis voorbereiden op het nieuwe narratief dat je binnenhaalt en ervoor zorgen dat het team in een veilige werkomgeving terechtkomt. Ook dat hebben we op voorhand te weinig beseft. De groep was tot slot onvoldoende vanuit het intersectioneel denken samengesteld. Alle deelnemers waren hetero, waardoor een belangrijke struggle niet vertegenwoordigd was. Niemand kon zeggen wat het betekent om zwart en queer te zijn. Niet evident op het moment dat iemand in de groep homofobe uitspraken deed. Doordat we later met de hele groep hierover in gesprek zijn gegaan, stond de dialoog gelukkig in geen tijd meteen veel verder.

Digitopia © Cillian O’Neill

Intussen hebben we geleerd uit die fouten. We hebben de inbreng van het programmatieteam nu wel degelijk begroot. Sommige leden van de denktank zullen tijdens de komende periode het beleidsplan mee uitschrijven. Mee beslissen is immers niet de hoogste vorm van participatie. Die is er pas als je mee de lijnen uitzet en het kader tekent waarbinnen er beslist wordt.

“Voor de gezelschappen die al lang bij Zinnema zitten, is het soms slikken. Zij moeten mee in die democratiseringsbeweging. Als je altijd 80 procent van de taart kreeg en nu nog maar 60, voelt dat aan als verlies.”

ETC.: Straf dat je zo open bent over waarin jullie gefaald zijn.

J.W.: Je moet alleszins nooit aan zo’n project beginnen als je niet klaar bent om kritiek te krijgen. We proberen te genezen van een historisch trauma dat 400 jaar geduurd heeft. Dat maak je niet goed in één seizoen. Het is een moeilijk, confronterend en kwetsend proces en als wit persoon of witte organisatie betaal je nooit de hoogste prijs.

Ik hoop wel dat ik hier niet in problematize-porn terechtkom (lacht). Ik denk dat het eenvoudigweg gezonder is om te erkennen dat je iets niet goed hebt gedaan in plaats van anderen ermee lastig te vallen. Alle witte mensen zullen levenslang hun eigen racisme moeten ontmantelen, net zoals alle mannen dat zullen moeten doen met hun seksisme.

gesprek
Leestijd 9 — 12 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Charlotte De Somviele & Ciska Hoet

gesprek