Mevlevi (Les Derviches Tourneurs)

Dirk Verstockt

Leestijd 6 — 9 minuten

De Dansende Derwisjen

Mevlevi, Istanboel

Ver voor het ontstaan van de geïnstitutionaliseerde monotheïstische religies zochten ook de animistich georiënteerde rites naar eenmaking met het ‘hogere’, naar een mystieke beleving buiten de rede om. Van de Oeral tot het Amerikaanse continent ontstonden allerlei rituelen die er moesten voor zorgen dat diegene die zich er aan blootstelde zichzelf kon verliezen in een eenwording met het Al.

Dat eenmaken werd op verscheidene manieren nagestreefd : monotone tranceverwekkende gezangen, het degusteren van allerlei roesmiddelen waaronder alcoholische dranken, hallucinatie opwekkende planten (vliegenzwam, hennep, peyotl e tutti quanti), vasten, dagenlange danssessies, het rond de eigen as draaien, zichzelf ondertussen begeleidend op een open trommel, enz. Verderop in de geschiedenis, gedurende de bloei van de Griekse beschaving, werden sporen van die rites mee opgenomen in de orfisch-dionysische traditie, welke ook haar invloed zou hebben op het latere ontstaan van de Islam, tenminste bij het ontstaan van het soefisme (sofisten letterlijk zij die in wol gekleed gaan).

In tegenstelling tot de orthodoxe Islamleer die geaxeerd is op zeer precieze gedragsregels, in geschriften vastgelegd door voorgangers, mollahs en ayatollahs, en ingrijpt in het totale leven van de gelovige binnen het collectief van alle gelovigen, appelleert het soefisme aan het mystische, het individuele, sensualiteit en energie, schoonheid, passie en bedient het zich van de technieken van trance en extase. Dat deze soefi-orden altijd een doorn in het oog zijn geweest van de geestelijke leiders van de Islam hoeft nauwelijks betoog. Waar orthodoxen een beroep moeten kunnen doen op de massa en het collectieve komen ze in conflict met deze individualisten die op eigen houtje op zoek gaan naar Allah, ver buiten de voorgeschreven regels om.

In de schoot van dit soefisme ontstonden een aantal monnikenorden, onder de noemer van derwisjorden. Derwisj betekent ‘hij die de poort zoekt’, maar ook ‘behoeftige’, ‘bedelaar’ en wordt vaak pejoratief geïnterpreteerd en gebruikt, terwijl het in wezen slaat op de armoedegelofte. Deze orden zijn verspreid over de hele Arabische wereld, van Marokko tot Iran. De orden wonen in kloosters, tekke’s, of bestaan uit rondtrekkende bedelmonniken. Elke orde heeft een leider, een Sheyk. Eén van die ordes, Mevlevi genaamd, ontstond in de 13e eeuw in de stad Konya, Turkije. Zij droegen de naam van de stichter, Mevlana of Djamal-ud-Din-Rumi. Gedurende bijna zeven eeuwen hebben de Mevlevi zijn verlichtingsleer bewaard en verder gecultiveerd. Via het rond de eigen as dansen, de muziek en de schoonheid zoeken zij naar een contact met Allah, de almachtige.

In 1925 verbood Kemal Atatürk, de verlichte dictator van de nieuwe republiek Turkije die zijn land in de westerse vaart der volkeren wou brengen, alle kloosterorden, liet alle tekke’s sluiten en scheidde kerk en staat. De Mevlevigingen ondergronds, naar de anonimiteit van miljoenenstad Istanbul en niet meer als celibataire monniken, maar als leken, getrouwd en met een beroep. Via de mondelinge overlevering van tekst en muziek voor de rite van de samâ, de dans, werd een belangrijk deel van deze erfenis bewaard. Vanaf 1950 werd de samâ oogluikend weer toegestaan; in Konya ontstond opnieuw een centrum voor de dans, maar dit diende veeleer om de toeristen het opgepoetste Turkse blazoen te showen. Niet voor niets werden er Mevlevi uit Istanbul aangezocht om de sama aan te leren. De Mevlevi-orde zelf bleef in Istanbul en zocht verder naar een reconstructie van hun bijna verloren gegane rituelen.

Eens om de tien jaar reizen zij rond in Europa. Dat doen zij niet zomaar om er hun ‘show’ te presenteren, want dat is het niet, het blijft in de allereerste plaats een religieus gebeuren. Zij komen omdat zij in Europa een interesse willen wekken, vergelijkbaar met de interesse die er hier heerst – zie New Age – voor o.m. hindoeïsme en boeddhisme. Terwijl westerlingen eerst zo ver mogelijk zochten, kunnen ze zich nu verrijken met een traditie die veel dichter, letterlijk en figuurlijk, bij hun cultuur ligt. Daarom bieden zij de samâ aan, want, stellen zij, de doctrine van de Mevlevi is gedurende de hele geschiedenis van de Islam altijd de meest open en tolerante geweest. Totdaar de literatuur. Nu, negen jaar na hun laatste verschijnen, dansten ze de samâ in Brussel.

De lange smalle tapijten, één voor de Sheyk en één voor de dansers. Naast het kleine tapijt staan twee koperen kandelaars met dikke brandende kaarsen.

Links zitten de muzikanten, in twee groepjes : vooraan de zangers met percussie en daarachter vier instrumenten, de viersnarige viool, de rebab, twee ney (fluiten uit rozenhout) en een soort sitar (de bog, maar dan met korte hals). Ze zijn in zwarte lange mantels gehuld (symbool voor het graf), oud en gegroefd of jong. Allen getooid met dikke Turkse snorren. De lage molières die onder de zoom uit komen kijken verraden hun ‘gewoonheid’. Eens dat kleed uit zouden het Turkse boeren kunnen zijn, gastarbeiders, zoals er hier duizenden leven.

Haast onmerkbaar gaan ze over van instrumenten stemmen naar effectief spelen, schijnbaar heeft niemand een teken gegeven, even plots versnellen of vertragen de ritmes. Plots is ‘de muziek’ er, plots snokt er iets door, als een touw dat je tegen de grond slaat en waarvan de beweging zich verder kronkelt om pas op het uiteinde bruusk te stoppen. De muziek klinkt veel minder, of tenminste ‘anders,’ trance ver wekkend dan de Indische ragas of het Pakistaanse geweld van pakweg Nusfrat Fateh Ali Khan. En toch minstens even indringend. Regelmatig krijgt één van beide ney het overwicht en hoor ik alleen de holle, ijle klank. Soms schuift daar zang onder, met heel diep opgehaalde keelklanken, helder en krachtig. Rustig ook, niet opzwepend, niet opdringerig en dan weer achternagezeten door hollende percussie.

En dan verschijnen de dansers, voorafgegaan door de Sheyk en hun dansleider. Allen, op de Sheyk en de dansleider na, dragen ook zij de lange zwarte mantels, die ze zeer snel zullen afleggen. De dansers : witte lange rokken, in katoen, korte hesjes met een lange, eveneens witte, stoffen riem rond het lichaam vastgemaakt, de hoge wollen muts die konisch afloopt(symbool voor enerzijds de verbinding met het hogere en anderzijds de grafsteen). Van bolle gezichten, heel Turks met dikke snorren tot bijna Aziatisch, Oezbeeks, en heel bleek westers, met hoge jukbeenderen, Balkangezichten. Jong tot zeer jong. En allen de blik naar binnen gericht.

De ceremonie wikkelt zich in verschillende etappes af. Elke beweging, elke handeling heeft zijn betekenis en wordt met de grootste zorg uitgevoerd, zonder haast en zonder nadruk. Eén voor één begroeten de dansers de Sheyk en buigen ze richting Mekka, waarna ze weer aanschuiven bij de Sheyk die hen als het ware lanceert. Ze draaien van hem weg, nog met de handen op de eigen schouders en de armen voor de borst gekruist, alsof ze zichzelf vasthouden, bij elkaar houden. En langzaam ‘openen’ ze zich, het hoofd ietwat naar links geknikt, de armen op schouderhoogte gestrekt, de linker handpalm naar beneden, de rechter naar boven, geven en nemen. De zachtlederen, groene laarsjes, die, wanneer er niet gemusiceerd wordt een irriterend snerpend geluid maken. Elke danser pivoteert op zijn linkervoet (het Teren’ draaien zouden ze oefenen rond een in de grond gedreven spijker waarrond de tenen van de linkervoet houvast vinden.). Elk zijn stijl : sommigen hortend en hakkerig, anderen met een vanzelfsprekende soepelheid, de rokken die zeer breed en glad uitwaaieren of gegolfd, een beetje halfstok opbloezen. Ze draaien niet alleen rond de eigen as, maar ook in een grotere cirkel, tegen de wijzers van de klok in. Nergens gebeurt er een botsing, nergens hapert er iets, de geometrie van de binnenste en buitenste cirkel wordt nooit doorbroken. Na elke ‘draaisessie’ komen de dansers als vanzelf tot stilstand en hebben er geen enkele moeite mee zich te oriënteren. Sommigen blijven alleen, anderen staan dicht tegen elkaar aan. Niets verraadt dat zij net 10 of 15 minuten met gesloten ogen rond de eigen as gedraaid hebben. Ze blijven in zichzelf verzonken. Weer houden ze zichzelf vast.

Het hele ritueel, van begroeting tot dansen wordt vier maal herhaald, waarbij ze gedurende de laatste dans in één grote cirkel dansen, terwijl in het midden de kleine gnoom, de Sheyk traag rond zijn eigen as draait, met de wijzers van de klok mee. En dan is het voorbij. De dansers hullen zich weer in hun mantels, groeten het nu lege tapijtje waar de Sheyk op zat en verdwijnen. Leegte. Stilte en het aanzwellende geroezemoes van vertrekkende toeschouwers aan wie voor het eerst in hun leven gevraagd werd niet te applaudiseren na afloop, want het betrof hier geen voorstelling. Ik zit erbij en ik kijk ernaar en kan niet verder komen dan de indringende schoonheid van dit ritueel, dit gebeuren dat de tijd vertraagt, verzacht. Ik word gedwongen mijn wil tot begrijpen opzij te schuiven en de sensualiteit van deze dans in me op te nemen. De enige vraag die steeds terugkomt en niet beantwoord kan worden, is wat zij voelen, wat er gebeurt gedurende die lange minuten dat zij draaien. Wat betekent het voor hen om, ver buiten de vertrouwde omgeving in een zaal, die notabene oorspronkelijk werd gebouwd voor circusvoorstellingen, hun spirituele ding voor een uitverkocht huis ongelovigen te doen, die niet verder kunnen komen dan een soort aapjes kijken.

Zie ik daar ook een fanatisme ? Het soort fanatisme dat snel naar de noemer van fundamentalisme schuift. Zijn de associaties met de Teheraanse flagellanten op hun plaats of is dat dan een belediging (Raadplegen van literatuur achteraf doet me het beledigende van mijn associaties inzien.) ? Kijk ik op dezelfde manier als wanneer ik een Gregoriaanse mis of een Pessach-viering zou bijwonen ? Of ben ik dan toegeeflijker omdat die tradities willens nillens iets gewoons blijven hebben ? Waarom ga ik überhaupt een religieus gebeuren meemaken, of tenminste, er naar kijken ?

En dan zit ik beduusd terug te komen en wordt het ‘meemaken’ doorbroken door het rationaliserende commentaar van bekenden, het onmiddellijk onderbrengen in categorieën en vergelijkingen, terwijl het daar al lang niet meer om gaat. Uren later verslaat België Uruguay. We amuseren ons kapot, mijnheer.

Gezien te Brussel, Koninklijk Circus, op 17 juni 1990

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

Dirk Verstockt

recensie