Jef De Roeck

Leestijd 4 — 7 minuten

De criticus

De twee mannen zitten tussen het publiek en reageren zoals de andere toeschouwers. Het gaat blijkbaar om een plezierig stuk, want de gezichten glunderen. Ook het tweetal lacht. Steeds uitbundiger en luidruchtiger. Zij plooien ervan door en vallen achterover in hun stoel, lachen tranen met tuiten, schateren het uit. Tot hun buik er pijn van doet. De meneer naast hen kijkt er zelfs even verbaasd van op. Dan nadert het einde van de voorstelling. Terwijl de zaal applaudisseert, met opgewekte tronies, drogen zij hun wangen af. In de handen klappen zoals de anderen, doen zij niet. Het zijn ook geen gewone toeschouwers. Dat blijkt nadat het applaus is uitgestorven en de mensen van hun stoelen opstaan en de rijen verlaten. Vrolijke gezichten alom en voldoening over een prettige avond. Behalve bij ons tweetal. Terwijl zij naar buiten gaan, mopperen zij onder elkaar: ‘Het is bedroevend! Geen vervreemding, alsof Brecht nooit heeft bestaan… De voorstelling valt in een gapende kloof tussen regie en tekst… geen poging tot uitdieping. Bovendien is het politieke standpunt dubieus… Ook in het theater heeft het goedkope amusement toegeslagen

U hebt het al geraden, zelfs als u deze strip van de Franse karikaturiste Claire Bretécher niet mocht kennen: de twee mannen zijn toneelcritici. Het verhaal van twaalf tekeningen werd vorig seizoen eens afgedrukt in het driemaandelijkse MMT-magazine. Daar zal het MMT wel zelfverdedigingsbedoelingen mee hebben gehad. Maar daar wil ik nu niet op ingaan. Bretécher steekt de draak met de zuurpruimen onder de critici. Vaak zijn die van het intellectualistische type: de man die zijn eigen beleving miskent wanneer hij een oordeel over een theatervoorstelling moet formuleren. Zijn gedachten slaan als het ware op hol, denkbeelden achterna, in plaats van stil te staan bij de beelden die op de scène te zien waren en die op zijn netvlies blijven hangen. Intellectualistische afstandelijkheid vervreemdt hem van zijn eigen gevoel. Hij redeneert maar, met een eenzijdig verstand, geneigd tot abstractie en veelal gespeend van humor. Hij beschrijft niet wat hij heeft ervaren, zijn zintuiglijke indrukken van zien en horen, en de weerklank daarvan in zijn gemoed.

Ik zeg ‘hij’. Vrouwen zijn daarin misschien anders dan mannen. Alhoewel. Intellectualistische vrouwen bestaan ook. Met zulke vrouwen heb ik wel enige moeite. Het is alsof die trek hen nog meer schaadt, meer scheeftrekt, dan mannen. Begrijp me goed, intellectualistisch is geen synoniem van intellectueel, en nog minder van intelligent. Maar goed. Denkend aan het soort criticus dat Bretécher over de hekel haalt, schieten me niet dadelijk vrouwennamen te binnen. Er zijn overigens in dit land niet zoveel vrouwen als mannen die de theaterkritiek beoefenen.

Bretécher giet ook vitriool op de intellectualistische vooroordelen van bepaalde critici. Goedkoop amusement zou voor hen uit den boze zijn. Theater is immers een ernstige zaak. Als er al te lachen valt, moet dat gefundeerd zijn, passen in een concept. En dat concept kan niet zonder Brecht. Gulle leute is verdacht.

De theatercritici in Vlaanderen – voor zover Bretéchers aanklacht op sommigen onder hen toepasselijk is – hebben daar niet alléén schuld aan. Weinig theatermakers bij ons blijken in staat te zijn plezierig toneel te scheppen dat ook onvervalste kunst is. Waar verschuilt zich hier iemand als Jérôme Savary, om er maar één uit het buitenland te noemen? Hebt u op oudejaarsavond La Belle Hélène van Offenbach in zijn regie op de televisie gezien? Of vroeger de voorstellingen van zijn Grand Magie Circus? Wie doet dat bij ons? Wie kan dat? Komisch talent als dat van Nand Buyl ligt bestoft in een vermolmde KVS. Het publiek heeft nochtans nood aan een bevrijdende lach.

Als ik rondom mij kijk naar de theatercritici, zie ik nog een ander fenomeen: de jonge gezichten. Tien jaar of wat geleden waren de meeste critici mannen van middelbare of oudere leeftijd. Heren die in hun vrije tijd de premières bezochten en daar voor een krant verslag over uitbrachten. Het waren meestal mensen die overdag hun brood verdienden buiten de journalistiek. Professionele theatercritici, die van die opdracht hun job konden maken, waren er niet. Zijn er trouwens nog niet, een enkele uitzondering niet te na gesproken.

Nu is er een andere generatie aangetreden. Zij zijn geen dertig jaar oud. In dag- en weekbladen verschijnen hun namen naast of in de plaats van die van vroegere recensenten. Ook dit tijdschrift trekt neofieten aan: hier duiken namen op, die voorheen nergens waren gehoord. Sommigen hebben een opleiding genoten, bijvoorbeeld aan het departement Germaanse van een universiteit, waar zij ook iets van theaterwetenschappen konden opsteken. Meer dan één onder deze jongeren heeft geen vaste betrekking, is werkloos. Zij hebben tijd om zich op het theater toe te leggen.

Het enthousiasme waarmee zij telkens weer naar voorstellingen trekken, bewijst dat zij ten aanzien van de theaterkunst verwachtingen koesteren. De scherpe toon waarop zij hun oordeel al eens onder woorden brengen, getuigt van hun teleurstelling daarin. Het is natuurlijk eigen aan de jeugd, dat zij opinies absoluter en vierkanter stelt; eerst later leert men hoeken afronden, krijgt men oog voor het relatieve van de dingen. Jongere critici zijn veeleisend. Een aantal theatermakers en lezers ergeren zich daaraan: ‘Wat weet die jonge snaak van het leven, en van theater?’ Jonge mensen hebben dikwijls een scherpe blik, die meer tot de kern doordringt. Als zij oud genoeg worden geacht om een gezin te stichten of in een gemeenteraad te zetelen, waarom zouden zij dan niet hun mening mogen zeggen over iets als een stuk toneel? Zij moeten alleen niet doen als de twee uit Bretéchers strip.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

column
Leestijd 4 — 7 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Jef De Roeck