Elke Van Campenhout

Leestijd 4 — 7 minuten

De critica als cloaca

How can cultural critique become effective again today? I am going to argue for the construction of an Ideal type’, revealing the intersection of social power with intimate moral dispositions and erotic drives. Brian Holmes

Een gapende, seksueel suggestieve open wonde precies in de driehoek waar de onderrug overgaat in de ronding van de billen. Dit op zijn minst erotisch geladen beeld van een human interface duikt op in eXistenZ van de Canadese filmmaker David Cronenberg. Hoofdpersonage en ontwerpster van computer engines Allegra Gelier heeft met eXistenZ een virtuele omgeving bedacht waarin de speler rechtstreeks wordt geprojecteerd. Door het inpluggen van een vervaarlijk uitziende, kloppende en uiterst suggestieve module, langs een al even ranzig vleselijke verbindingsdarm in de ‘biopoort’ die onderaan de rug van de spelers is ingewerkt. Het is de ultieme Cronenbergiaanse fantasie: het lichaam als organische prothese van de perverse verbeelding. Het technologische als een agressief seksuele uitgroei van het menselijke lichaam, dat het tegelijkertijd versterkt en vergiftigt.

Op zoek naar een metafoor voor de positie van de criticus, kwam dit beeld me telkens weer voor ogen. Meer dan het eerder ongeïnspireerde ‘doorgeefluik’ dat wel vaker als metafoor wordt gehanteerd, verbeeldt deze organische biopoort van Cronenberg de problematische verhouding tussen criticus, kunstenaar en samenleving. In deze vergelijking is de criticus de ultieme interface geworden. Bij Cronenberg betekent dit een politiek en fantasmatisch geladen doorgeefluik voor cybersurfers, of een toegangsticket tot een andere wereld. Maar uit deze constructie spreekt tegelijk een zeer grote kwetsbaarheid en vertrouwen: de initiële piercing van het lichaam door het inbrengen van de biopoort is namelijk een bijzonder pijnlijke ingreep, en niet zonder risico. Wanneer hobby-garagist Willem Dafoe het hoofdpersonage in een aftandse bouwval onder onhygiënische omstandigheden van zulk een biopoort voorziet, blijkt diens lichaam niet bestand tegen een virusgolf die hem in spastische krampen achterover slaat.

Dat is misschien een iets te sterk beeld voor het risico dat de criticus tijdens een doordeweekse voorstelling loopt. Maar de lichamelijke inbedding van de impact van die voorstelling op zijn/haar lichaam is wel van cruciaal belang. De positie van de criticus is in eerste instantie die van een organische prothese die de kunstenaar ongefilterd binnenlaat in zijn/haar meest intieme, verborgen, innerlijke leven. Natuurlijk verschilt hij daarin niet van de andere toeschouwers, alleen staat zijn ‘biopoort’, gevoed door professionele interesse, in het beste geval constant open.

Bij Cronenberg ziet die poort er nog het meest uit als een kruising tussen een anus en een vagina. Een uiterst suggestief kruispunt van toegang en uitgang. Als een cloaca van genot en afval. Het is het punt waarlangs cruciale input naar binnen komt, en het lichaam als verwerkte materie opnieuw verlaat. Misschien een al te prozaïsch beeld voor het verwerkingsproces van de criticus, maar het geeft wel zijn dubbele positie aan. Langs de ene kant is hij degene die zich door het kunstwerk laat verleiden. Langs de andere kant wordt hij zodanig door het lichaamsvreemde serum besmet, dat zijn lijf zich uit alle macht zal gaan verdedigen.

Wat uit deze strijd resulteert is geen proper afgewerkte analyse. Het is materiaal dat doorheen aders en darmen is gevloeid, dat gestremd geraakt is door het achtergebleven vuil van herinneringen, anekdotes, onbruikbare invallen en onuitgesproken fantasieën. Misschien is het zelfs mogelijk sommige ervaringen in het lichaam te situeren. De voorstelling die zich van het hoofd langzaam maar zeker naar beneden laat zakken tot op een veel emotionelere of zelfs vervoerende plek. Of de voorstelling die zich, zoals naar goede middeleeuwse gewoonte, verbindt met de gal, hetgeen een cholerische reactie tot gevolg zou hebben, of met de melancholie, die zich in de zwarte gal situeert, of met de onverschilligheid van het flegma. In elk geval stelt de schrijver zijn lichaam voor enige tijd open, en laat hij zich door wat hij heeft gezien, gelezen of beleefd, bewonen. Het is uit de kruismutaties die uit deze coöptatie ontstaan dat later zijn uitgescheiden analyse zal volgen. In de vorm van een allergische reactie, een moeizaam herstelproces of een snelle afrekening, als betrof het een doordeweeks koutje. Als een monsterlijke alien die zich in een grondig fout ingeschatte bevalling dwars door de buikholte een weg naar buiten scheurt, of in een wollige danskritiek die als een bijna onzichtbare rookpluim het rechteroor verlaat. Een voorstelling komt binnen, kiepert als een waar koekoeksjong zoveel mogelijk ballast overboord, en wordt om precies diezelfde reden na korte of lange tijd ook weer naar buiten geperst.

The Body Artist van Don DeLillo ontwikkelt een veel genuanceerder beeld van dit verwerkingsproces. In deze hedendaagse ghost story staat een vrouw voor de rouw van de zelfgekozen dood van haar minnaar. Naarmate zij zich verder van de wereld afsluit, duikt in het lege huis een vreemde dwergachtige figuur op, die haar leert spreken met de stem van de dode. Eenmaal zij dit vermogen heeft ontwikkeld, verdwijnt deze geest terug uit haar leven. Maar in die tijd heeft zij haar lichaam uitgewist: haar haar en huid ontkleurd, haar lichaam leeggemaakt om de rouw een plaats te geven. Zij kan nu spreken met de stem van de dode, en heeft hierin haar kunst herontdekt.

In The Body Artist wordt de verhouding tussen de afwezige andere en de interface er één van innige verbondenheid. Het is een raadselachtig rouwproces, dat zich wapent met een lichaam, een stem, een plek in het onbepaalde. Het is een gelijktijdig afscheid nemen en construeren. Misschien werkt deze metafoor wel beter voor het proces dat zich in de het schrijven ontvouwt. Want de criticus is niet diegene die in de kunst staat, noch hij die zich vrij in de samenleving begeeft. Hij is de go-between die zich wapent met kennis. Die lijnen trekt van een roman naar een voorstelling, een autohandleiding over een politiek debat tot een reclameboodschap. Hij is diegene die verbindt. Die het afwezige opnieuw een stem probeert te geven. Hij staat ‘tussenin’, met de voeten op onvaste grond, en construeert zijn eigen trajecten uit de collisie van het persoonlijke en het andere, het particuliere en het globale, in een voortdurend verzet tegen wat voor de hand ligt. In dit balanceren begeeft hij zich op glad ijs. Hij is niet degene die alles beheerst, en hij weet ook niet altijd waar hij uitkomt. Maar hij vecht, stelt vragen, legt relaties bloot. Zijn praktijk beperkt zich niet tot het artistieke, maar speelt zich tegelijkertijd op een veel kleiner én veel groter vlak af. Zijn onderzoeksterrein is de microscopie van het alledaagse, in perspectief van het macroscopisch globale.

The program is ambitious. But the alternative, if you prefer, is just to go on playing someone else’s game – always in the air, between vocation and vacation, eyes on the latest information, fingers on the controls. Rolling the loaded dice, again and again. Brian Holmes

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#95

15.02.2005

14.05.2005

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.

artikel